Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren
Inhoud van de 2e jaargang nr. 12 - september 2000
Van de hoofdredactie: Twee jaargangen vol verdriet, troost en hoop
Twee jaar geleden begon ik aan deze site.
Omdat er niet iets dergelijks was. Niet beseffend waar De Draaikolk
allemaal toe zou leiden. In de afgelopen twee jaar is De Draaikolk
uitgegroeid van een bescheiden, persoonlijke site over rouwverwerking
voor mensen die hun partner hebben verloren tot een echte ontmoetingsplek
van en voor lotgenoten. Wisten lotgenoten de weg naar De Draaikolk
in het begin nauwelijks te vinden, nu weten de meeste zoekmachines
hem keurig op te sporen en heeft de webplek eigen links op relevante
sites.
Ik heb in de afgelopen jaren honderden reacties ontvangen. Bemoedigende,
verdrietige, dankbare, veelal positieve reacties. En ook onderling
ontstond er levendig e-mailverkeer, zo blijkt opnieuw uit de reacties
die ik de afgelopen maand op mijn oproep in de vorige editie ontving.
Er ontstonden nieuwe vriendschappen, met nieuwe hoop voor de toekomst.
Zo'n ruim 93.000
keer werden de pagina's van De Draaikolk inmiddels geraadpleegd.
Ik ben daar allemaal niet ontevreden over. Integendeel. Het is
véél meer dan ik twee jaar geleden verwachtte en
ik ben blij dat ik met dit simpele initiatief zoveel lotgenoten
een hart onder de riem heb kunnen steken.
En natuurlijk gaan we verder. Gaan we volgende maand welgemoed
de derde jaargang in en proberen we elke maand weer een nieuwe
editie te brengen. Mede dankzij de medewerking van jullie allemaal
zal het ook nu vast wel weer prima lukken. Bedankt daarvoor.
In de afgelopen maand heb ik heel wat mail gekregen van lotgenoten
die me verzekerden dat de pagina's ,,Mailbox" en ,,Ik denk
aan jou" goed werkten en dat zij daardoor fijne contacten
hebben weten op te bouwen met lotgenoten. Vaak ook door zelf te
beginnen met schrijven, maar andersom gebeurde ook. Wel werd me
gevraagd om de pagina "Mailbox" wat te willen uitbreiden
met wat gegevens over de lotgenoten die op die pagina met hun
e-mailadres staan vermeld. Bijvoorbeeld de leeftijd, geslacht,
of men kinderen heeft of niet en misschien -als men dat wil- de
oorzaak van het overlijden van de partner en het al dan niet hebben
van een nieuwe relatie, zodat lotgenoten die ongeveer hetzelfde
is overkomen daar over kunnen praten en ervaringen uit kunnen
wisselen.
Ik heb daar zelf natuurlijk ook al eerder over nagedacht, maar heb het steeds maar weer uitgesteld, omdat het natuurlijk ook een aardige ,,administratie" vereist en omdat alle gegevens zorgvuldig bijgehouden moeten worden. Nu de behoefte daaraan toch groot blijkt te zijn, heb ik toch maar besloten om iedereen op de Mailbox-pagina te vragen wat meer gegevens over zichzelf te willen doorgeven aan mij. (elvo@planet.nl)
Tja en dan wil ik het nog even hebben over al die mailtjes die aan mij persoonlijk waren gericht. Ik schaam me een beetje te moeten erkennen, dat ik er wéér niet in ben geslaagd om iedereen persoonlijk te beantwoorden en dat spijt me. Allerlei (gelukkig positieve) omstandigheden speelden daarbij een bepalende rol, waardoor ik te weinig tijd had. Maar hoe dan ook: bedankt voor al die bemoedigende reacties. Ik heb jullie verhaal gelezen en jullie verdriet begrepen. In gedachten ben ik bij jullie. En: blijf me jullie bijdragen sturen!
Bert Vos
hoofdredactie De Draaikolk
Dit is het verhaal van Monique Klaverweide. Zij vertelt in deze, de vorige en de komende edities van de Draaikolk op een indringende manier over haar emoties, haar gevoelens vanaf het moment dat agenten aan haar deur stonden om te vertellen dat haar man was verongelukt. Blaka Rosoe (Zwarte Roos). Een verhaal over het aanvankelijke ongeloof, de verbijstering, de verdoving. Over het verdriet en de pijn om het enorme gemis. Een verhaal, waarin velen van ons zich zullen kunnen herkennen. En er juist door die herkenning -naar ik hoop- toch ook een beetje troost uit kunnen putten.
Blaka Rosoe (8): Alles begeeft het
In de boeken die ik heb gelezen over rouwverwerking was het al voorspeld: tijdens het eerste rouwjaar is het min of meer een vast gegeven dat dan "alles" rondom huis het zo'n beetje begeeft. En bij mij is dit dus niet anders.
Het begint al direct met de auto die een paar maanden nagenoeg stil heeft gestaan. Aanvankelijk leek het mij niet verstandig om in mijn huidige "gemoedstoestand" al te snel in de auto te stappen. Het is een enorme warboel in mijn hoofd waardoor ik mij nauwelijks kan concentreren. Bovendien, wáár moet ik naartoe rijden zonder hem? Ik heb geen doel meer in mijn leven. Ons huis is de enige plek waar ik hem nog een héél klein beetje om mij heen voel. Waar het lijkt alsof er nog even niets veranderd is. Alles is immers nog in dezelfde staat als waarin hij het toen heeft achtergelaten.
Maar op het moment dat ik voldoende moed heb verzameld om de auto weer voor het eerst te gaan gebruiken blijkt de accu te zijn leeg geraakt. Na een aantal keren vergeefs te hebben gestart voel ik al gauw tranen maar ook boosheid in mij opkomen. Waar is hij nu, juist nu ik hem nodig heb? Hij zou dit "probleempje" zó hebben opgelost. Hoewel ik mij best realiseer dat één van mijn buren maar al te graag bereid zal zijn om de auto even voor mij aan te slepen wil ik hier niet aan. Vanaf nu zal ik mijn eigen boontjes moeten doppen. Ik wil anderen niet onnodig "lastig" vallen. Na mijn telefoontje komt de spoeddienst van de autodealer gelukkig vrij snel langs en krijgt men de auto weer aan de praat. Nu nog wél even langs de garage om te laten controleren of de accu niet vernieuwd moet worden.
Nog geen week
later ben ik alwéér bij de garage. Er is een koplamp
doorgebrand, de ventilatie doet het - in de snikhitte! - niet
meer en ook de hendel van de stoelleuning is afgebroken. Maar
de koplamp is zo vervangen en de ventilatie wordt - uiteindelijk
- naar tevredenheid gerepareerd. Alleen de stoelleuning aan de
bijrijderskant besluit ik voorlopig niet te laten repareren. Dit
blijkt namelijk een wat al te dure reparatie te zijn en dat terwijl
die stoel naast mij voortaan toch niet meer gebruikt zal worden....
Tijdens het wachten komt de verkoper van toen een praatje met
mij maken. Hij weet zich nog te herinneren dat ík destijds
degene was die mijn man heeft "overgehaald" om tóch
maar niet op een ander merk auto over te stappen. En dit gegeven
gebruikt hij nog wel eens in zijn gesprekken met andere potentiële
klanten. Maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om hem
te vertellen dat hij niet meer leeft, dat ik nu alleen ben. En
op zijn vraag hoe het met mij is antwoord ik dan ook alleen met
"het gaat wel". Gelukkig, ondanks zijn vragende blik
gaat hij hier verder niet op in. En dapper vraag ik naar documentatie
over het nieuwe type, voor wanneer ik weer aan vervanging toe
ben
Hierna dient zich al gauw het volgende probleem aan. De (bevriende) beneden-buurman klaagt over een watervlek aan het plafond in zijn bijkeuken en vraagt of dit mogelijk van mij afkomstig kan zijn. Misschien dat de waterpomp van mijn wasmachine kapot is? Aanvankelijk hoor ik het alleen maar aan. Het gaat het ene oor in en het andere weer uit. Geïrriteerd vraag ik mij af waarom hij mij hier nu mee lastig valt. Heb ik al niet genoeg aan mijn hoofd? Moet ik mij nu ook nog gaan bekommeren om een piepklein watervlekje aan zijn plafond? Maar blijkbaar zit het hem tóch niet lekker want telkens als ik hem tegenkom spreekt hij mij hierover aan. En dit maakt mij in toenemende mate kribbig want klaarblijkelijk verwacht hij tóch van mij dat ik actie onderneem. En opnieuw word ik met mijn neus op het feit gedrukt dat Eric er niet meer is om mij met raad en daad bij te staan. Dat ik dit dus alléén zal moeten oplossen. En nadat zowél de door mij ingeschakelde loodgieter als de wasmachinefabrikant bevestigd hebben dat er geen sprake is van een kapotte waterpomp blijkt een foutief gemonteerde waterleiding in de muur de oorzaak te zijn en wordt de lekkage uiteindelijk door de bouwer verholpen.
En zo hebben in mijn eerste jaar zonder hem - inderdaad geheel volgens de voorspelling - nóg een aantal zaken het begeven. Zo waren er de plafondlamp in de gang waar ik niet bij kon en die ik niet eens durfde aanraken uit angst dat ik onder stroom zou komen te staan. De televisie, video en de telefoon die het plotsklaps niet meer deden, naar later bleek omdat de stoppen van een bepaalde groep waren doorgeslagen. De video die ik vervolgens voor het eerst zélf opnieuw moest programmeren en de pas aangeschafte Minidisc die volgens de handleiding anders ingesteld moest worden wilde ik er ook mee kunnen opnemen.
Toegegeven, op zich zijn dit helemaal geen onoverkomelijke problemen. Vóórdien zou ik een aantal zaken óók zelf hebben aangepakt en/of de benodigde vaklui hiervoor hebben ingeschakeld. Maar nu sta ik er gevoelsmatig tóch ineens alleen voor en is hij er niet meer om mee te overleggen. En dat doet pijn want dit zijn voor mij telkens confrontaties met de harde en trieste realiteit, namelijk dat hij er ook op dít punt voortaan niet meer voor mij zal zijn.
Monique Klaverweide - september 2000
Het verdriet een plek geven: maar de pijn, die blijft
Gisteren had ik zo maar
een gesprek met een collega over rouwverwerking. Het was een lot-
en leeftijdgenoot voor wie het nu ruim een jaar geleden is dat
zijn vrouw plotseling overleed. Hij was langzaam tot de ontdekking
gekomen dat het verwerken van je verdriet wel erg lang duurt en
vroeg me hoe ik dat ervaar. Elke keer als me dat door een lotgenoot
wordt gevraagd, voel ik de onderliggende pijn en hoor de hoopvolle
ondertoon die in zo'n vraag doorklinkt.
Ik weet dat het moeilijk is om te begrijpen dat het verdriet met
het verstrijken van de tijd maar niet echt minder wil worden.
Het wordt wel enigszins verzacht, dat wel, maar ik kon niet echt
tegemoet komen aan de onuitgesproken hoop van mijn collega. Want,
vertelde ik hem, elke keer weer word je zo maar geconfronteerd
met de herinnering. En daarmee komt de pijn, soms in volle hevigheid.
Als je zo lang samen het leven hebt gedeeld kan dat ook haast
niet anders. Want bijna al je herinneringen behoren ook je overleden
partner toe. Die kun je niet zo maar ver weg stoppen in je geheugen,
achter een deurtje en op slot. Soms lukt dat maar even, soms voor
een langere periode, maar altijd zal het deurtje weer open klappen
op een moment dat je het niet verwacht. Wat steeds blijft is de
pijn. De pijn om wie je hebt verloren. De pijn die tot in alle
vezels van je ziel doordringt bij de gedachte aan wat je voorgoed
hebt verloren. Dat alles anders is geworden. Nooit meer hetzelfde
zal zijn.
Maar dat betekent
niet dat je de rest van je leven dus voortdurend die zielepijn
voelt. Gelukkig niet, want dan zou je geen leven meer kunnen leven,
denk ik. Er komt een tijd dat je het verdriet, op welke manier
dan ook, een plaats heb gegeven. Laatst schreef een lotgenote
me dat ze dat wel vaker las en vroeg zich af wat ze dáár
nou mee bedoelen. Zij kon zich er in ieder geval nog niks bij
voorstellen.
Dat is ook moeilijk als je net je partner hebt verloren en nog
niet of nauwelijks uit de shock bent ontwaakt om te beseffen dat
je echt alleen bent. Het zal nog lang duren voordat de verdoving
helemaal is uitgewerkt en je alles voor jezelf op een rij kunt
zetten. Je begint met een vlucht. Uit de verhalen van lotgenoten
blijkt dat die ,,vlucht" allerlei vormen kan hebben. De één
gaat bijna dagelijks uit winkelen en heeft heel snel een enorme
koopwoede ontwikkeld. De ander denkt dat hij of zij veel moet
eten om het verdriet te kunnen verwerken of loopt de deur plat
bij kennissen en familie in de hoop steeds maar weer over zijn
of haar verdriet te kunnen praten. Of alleen maar om vertrouwde
mensen om zich heen te hebben. Een ander neemt een abonnement
op het theater en is daar regelmatig te vinden, ongeacht wat er
speelt. Weer een ander gaat regelmatig op reis. Sluit zich aan
bij grote gezelschappen en zegt steeds tegen zichzelf en anderen
dat heel erg leuk te vinden. Ikzelf bijvoorbeeld ging een paar
maanden na het overlijden van mijn vrouw vier weken alleen met
de caravan op vakantie, wilde vasthouden aan wat ik voor die tijd
altijd samen met mijn vrouw deed en heb me daarna maanden achtereen
opgesloten in mijn werkkamer, achter de PC. Een veilige plek en
ik maakte mezelf wijs dat ik zo thuis ook prima kon werken. Ik
behoorde op die manier lang tot een wel bijzondere categorie thuiswerkers,
om daarna tot de toch wel ontluisterende ontdekking te komen dat
ik mezelf behoorlijk voor de gek had gehouden en langzaam wat
was verstoft in mijn verdriet. Alsof ik de tijd gewoon stil had
gezet. Dat ik daarna nog maanden lang allerlei ,,leuke" dingen
kocht zonder dat ik ze echt nodig had, ook dat hoort er duidelijk
bij, ontdekte ik.
En eindelijk, ruim een jaar later, was ik er een heel klein beetje
in geslaagd om het feit, dat ik alleen verder zou moeten, betekenis
te geven. Als een aarzelende erkenning, onontkoombaar. Ik had
het verdriet een héél klein plekje gegeven.
Nu, bijna drie jaar later, heeft het verdriet om mijn overleden
vrouw een vaste plek in mijn hart gekregen zonder dat ik elk moment
van de dag de gevangene van mijn gevoelens ben. Ik heb mijn leven
weer zin weten te geven door alle positieve dingen die er waren
overgebleven (en dat is vaak méér dan je denkt)
te koesteren. Door ze te gebruiken om echt verder te kunnen. En
ik kon óók opnieuw beginnen doordat er een nieuwe
relatie in mijn leven kwam.
Maar ondanks alles: de pijn blijft. Dat is nu de enige constante
in mijn leven: de pijn om wat ik verloor ondanks het geluk dat
ik herwon.
Gedichten
De laatste tijd ontvang ik steeds vaker van lotgenoten gedichten, die ze mooi vinden, waar ze troost uit putten, maar waarvan de bron niet bekend is. Hoewel ik een beetje huiverig ben voor bijdragen van derden waarvan ik de oorsprong niet ken, heb ik toch maar besloten om een speciale pagina hiervoor te reserveren. Gedichten waarvan de oorpronkelijke bron of de auteur niet bekend is en ook de eigen gedichten kunnen hier een plek krijgen voor zover ik het relevant vind in het kader van dit internettijdschrift en voor zover ik dat verantwoord vind met betrekking tot bijvoorbeeld auteursrechten. Vandaag de eerste bijdragen van mij schrijvende lotgenoten. Ik hoop dat jullie er dezelfde troost uit kunnen putten als de inzenders dat hebben gedaan en nog doen .
Bert
Dinsdag 13 juni 2000
Wat ben ik moe, een oneindige moeheid. Dit is niet iets van vandaag, maar dit ervaar ik al langer. Zowel lichamelijk als geestelijk lukt het allemaal niet meer zo. De reden: dat ben jij Frank. De laatste dagen ben ik steeds vaker met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik ben bezig het beeld van Frank te verdringen, gewoon ergens in een hokje te zetten, zodat ik me ook niet meer bezig hoef te houden met Frank, mijn verdriet, het allesomvattende gemis wat ik nog steeds niet kan en wil accepteren. Maar ik moet wel. Ik zie wel in, dat ik ook door deze fase heen moet. Als ik nu Frank probeer weg te stoppen dan kom ik mezelf straks weer dubbel zo hard tegen. Zoveel heb ik inmiddels wel van het hele rouwverwerkingsproces begrepen. Je moet er doorheen, je kunt er niet omheen en zeker niet verdringen.
Gelukkig word ik nog met mijn neus op de feiten gedrukt. Door woorden van Yolanda, door ervaringen van lotgenoten, door derden die soms bedoeld, soms onbedoeld datgene zeggen wat me weer aan het denken zet. Kortom mijn hoofd zit vol, maar ik kan er geen lijn in vinden. Op dit moment heb ik het gevoel dat ik één stap vooruit ga en twee stappen achteruit. Dat wil ik niet en ik zal er ook alles aan doen om dit te voorkomen.
Wat is nu het probleem? Ben ik boos op Frank omdat hij me in de steek gelaten heeft? Om de opmerking die hij maakte "je bent nu sterk genoeg, je kunt het!" Om de honden waarmee hij me liet zitten, terwijl hij wist dat ik die nooit allemaal aan zou kunnen. Om de kinderen die wij samen nooit gehad hebben. Om het feit dat hij zo uit mijn leven gepiept is en wel op de manier waarop hìj dood wilde gaan. Nee, niet het tijdstip maar wel de manier waarop. Lieverkoekjes worden toch nooit gebakken, waarom voor hem dan wel? Op de nachtmerrie die hij bij me veroorzaakt heeft door juist zo bij me vandaan te gaan en ik die hem in zijn laatste momenten alleen gelaten heb. Nee, hij was al in coma dus gemerkt heeft hij niets. Ik was bij hem in de laatste ogenblikken van zijn bewuste leven. Daarna liet ik hem alleen, zoals hij mij nu ook alleen gelaten heeft.
Samen met hem
is ook mijn liefde voor de honden gestorven. Mijn gedachte daarbij:
"ik kan ze toch niet geven, wat hij kon" en "het
was zijn hobby, niet de mijne" en "na achttien jaar
samen met veel liefde en plezier voor de Setters gezorgd te hebben,
was het over, helemaal over.."
Zijn dit excuses? Ik weet het niet, maar ik verdroeg ze echt niet
meer om me heen. Ik werd er helemaal nerveus van. Dat heb ik nog
steeds en niet alleen bij honden, ook bij mijn katten en bij mensen.
Het is goed, als ze maar niet te dichtbij komen en me zeker niet
aanraken. Want dan vestijf ik helemaal. De katten liggen om me
heen, maar niet op me. Dan krijg ik het vreselijk benauwd. En
bij mensen werkt het nog sterker. Hoe goed bedoeld ook, ze moeten
van me af blijven. Ik wil maar één paar armen om
me heen, één schouder om uit te huilen, één
man die me troost. Dat wil ik van Frank ook al weet ik verstandelijk
dat dit niet meer mogelijk is. Maar hoofd en hart werken niet
samen. Ze liggen nog zo mijlenver uit elkaar.
Waarom laat
ik mijn gevoel niet spreken, mijn emoties niet gaan. Ik weet heel
goed wat er gebeurt en wat ik doe. En er zijn er maar weinigen
die daar doorheen prikken. Als de juiste snaar niet getroffen
wordt, bewust of onbewust, blijf ik mezelf onder controle houden
en kan ik weer heel goed mooi weer spelen. Maar ik weet ook dat
ik dat niet vol kan blijven houden, tenminste niet voor iedereen
en zeker niet voor mezelf.
Ik zoek op alle mogelijke manieren naar woorden, personen, middelen
die me een stap verder kunnen helpen. O ja, ik weet heel goed
dat ik dit niet alleen kan en dat zal ik ook zeker niet doen.
Maar waarom durf ik me dan niet te geven, gewoon mezelf te zijn
en mijn verdriet te tonen, zonder me ervoor te schamen? Waarom
vind ik dat ik altijd sterk moet overkomen en als mensen mijn
tranen soms zien dan schaam ik me er ook nog voor, dan verontschuldig
ik me nog. En voordat ik mijn tranen een beetje laat komen vecht
ik er eerst enorm hard tegen.
Het is zo gemakkelijk gezegd: "laat maar komen", "vecht
niet zo", "we zijn er toch om je te helpen". Is
het alleen maar schaamte of is het ook angst? Angst voor het onbekende,
angst voor niet weten wat er met je gebeurt, angst dat anderen
je belachelijk vinden, je achter je rug om misschien wel uitlachen?
Of angst dat ze medelijden met me krijgen en dat wil ik niet.
Iemand, een lotgenoot, schreef na het bijwonen van een sessie
rebirthen "De tranen dropen over mijn gezicht, waarbij ik
werd ondersteund door diegene die naast me zat. Ze stelde me op
me gemak, omdat je echt niet weet wat er met je gebeurd. Het voelde
goed en ik liet datgene komen wat ik voelde." Als je iemand
toch zo kunt vertrouwen, dat is toch fantastisch. Het heeft hem
geholpen ook al stond hij er eerst heel sceptisch tegenover. Hij
weet nu dat hij verder moet en ook zal gaan, b.v. met behulp van
een psycholoog. Iets voor mij? Ik durf er niet eens aan te denken!
Het ging de laatste tijd heel goed met me. Ik had een weg gevonden waarbij ik Frank niet zo vaak tegen het lijf liep. En het lukte, heel even Ik weet ook dat ik er nog niet ben en dat ik iedereen nog heel hard nodig heb. Ik zal er wel komen, gewoon op mijn manier. Maar toch zou ik ook willen dat ik iets meer vertrouwen heb in de mensen die mij willen en kunnen helpen. Frank was de enige die ik volledig (nou ja, bijna volledig dan) vertrouwde. Verder geef ik anderen een beetje van dit en een beetje van dat, maar niet meer. Doe ik mezelf nu tekort of niet ???
Ik weet het
even niet meer en ik heb geen antwoord op mijn vragen.
Wat ik wel weet is dat ik nu rustiger ben. Ik kan weer met een
glimlach naar Frank´s foto kijken en dus naar hem zien zonder
intens verdrietig te zijn. Ik weet ook dat ik door dit op papier
te zetten en selectief te laten lezen, ik weer de kans krijg om
verder te komen. Mijn manier van verwerken? Maar wat moet ik oppassen
om niet in een vicieuze cirkel terecht te komen.
Ineke Walstock
Boekbespreking: "Leven en dood - partners op afstand"
"Leven en dood - partners op afstand" - Joke Forceville-Van Rossum & Rokus van Oosten, Uitgeverij AMBO, Amsterdam 1999, ISBN 90 263 1589 9, 243 blz.
De schrijvers, beiden weduwe en weduwnaar en sinds enkele jaren met elkaar getrouwd, vertellen ieder vanuit hun eigen ervaringen, maar ook op basis van vertrouwelijke contacten die zij met vele honderden lotgenoten hebben gehad, hoe zij het verlies van hun partner als vrouw en als man hebben ervaren en verwerkt. Het boek gaat over verschillende soorten van afscheid en rouw door de dood, zoals verlies van een kind, een niet-natuurlijke dood, scheiding en dementie, maar het zwaartepunt ligt op het verlies van de levenspartner.
Over de 'rouwtaken'
In de
literatuur wordt vaak gesproken over 'rouwfasen'; de schrijvers
vinden dit een te passieve benaming want de rouwende moet immers
zélf het verdriet verwerken? Zij stellen dat er veeleer
sprake is van 'rouwtaken' die de rouwende zelf, bewust, op zich
moet nemen:
1) De realiteit en de ernst van het verlies erkennen en accepteren: Zolang men de werkelijkheid van het overlijden niet écht accepteert kan men de ernst ervan niet in zijn volle omvang op zich laten inwerken en dan is het niet mogelijk een begin te maken met de verwerking van de rouw. Mannen zijn vaak heel 'realistisch' in het accepteren van de werkelijkheid van het gebeurde. Hun verstand zegt hun duidelijk dat het voorbij is. Ze zeggen haast nooit, zoals vrouwen dat vaak doen: "ik kan het nog niet geloven". Daardoor worden mannen niet, en vrouwen wel, voortdurend honderden malen, gedrukt op het feit dat het écht waar is, en daarmee op de onontkoombare vraag wat dat dan voor hen betekent. En juist dát is nodig om de ernst van het verlies te onderkennen. Vrouwen mogen dan moeite hebben om de realiteit van het gebeurde te accepteren, anders dan de man hebben ze doorgaans geen enkel probleem met te erkennen dat het verlies voor haar heel erg, wanhopig makend, onoverkomelijk blijkt te zijn.
2) Het verdriet doorleven en niet ontvluchten: Na het beseffen en doorleven van de feitelijkheid en de zwaarte van het gemis volgt de opdracht er ook ten volle de pijn van toe te laten, dwars door dat dal van ellende heen te gaan. Niet op de vlucht te slaan voor het zeer, niet eromheen lopen, niet ontkennen dat het haast ondraaglijk is. De mensen in de omgeving willen nogal eens suggesties doen om de rouwende voortdurend af (weg) te leiden van zijn verdriet. Zo verwacht men nog steeds van een man dat hij na de begrafenis of crematie van zijn vrouw weer heel gauw en gewoon aan het werk gaat. Dwangmatig aan het werk gaan leidt echter alleen maar af. Helaas, hier zal uitstel nooit afstel betekenen want de een of andere dag wreekt zich het verdringingsgedrag.
3) Leren
leven en handelen zonder de overledene: Allerlei wat vroeger samen werd gedaan
is nu opdracht voor de overgeblevene alleen. Men moet erkennen
dat wat de ander altijd voor jou deed nu door jouzelf moet worden
verricht. Of de rouwende meent het te kunnen of niet, wil hij
verder komen dan moet hij zich aan deze zaken wijden.
'Vrouwen zijn getrouwd, mannen zijn onder andere getrouwd', meent
Forceville. Vrouwen die rouwen, doen dat vanwege het feit dat
de essentie, het wezen van hun bestaan, is aangetast en veranderd.
Als aan een vrouw de dierbare levenspartner ontvalt, zinkt daarmee
de grond onder haar voeten weg. Hoe zelfstandig en onafhankelijk
ze zich ook heeft opgesteld toen hij naast haar stond, van zijn
aanwezigheid blijvend verstoken te zijn is weinig anders dan geen
enkel toekomstperspectief meer hebben. Van Oosten meent dat vrouwen
hun rouw in eerste instantie vanuit emotionele aspecten en mannen
vanuit meer zakelijke, praktische, verstandelijke overwegingen
benaderen, alhoewel dit bij de jongere generatie al aan het veranderen
is.
4) De vrijkomende energie richten op andere personen en zaken: Er moet verder worden geleefd, er moet worden gezocht naar nieuwe perspectieven. Dit is een moeilijke zaak want maar al te gemakkelijk wordt verondersteld dat zoiets ontrouw aan de overledene betekent, verwaarlozing van de nagedachtenis, gebrek aan loyaliteit aan het vroeger bestaan, het gemeenschappelijk (huwelijks)leven.
Over wat het moeilijkst was
Voor haar was
dat het geen afscheid hebben kunnen nemen (haar man overleed aan
een acuut hartinfarct), het bloedeloos alleen-zijn, het gebrek
aan warmte en intimiteit en het gevoel zich niet langer te kunnen
slijpen aan haar mannelijke tegenpool. Verder de voortdurende
oneindigend lijkende stroom van administratieve verplichtingen,
de zorg voor haar vier jonge kinderen en de angst om zelf ook
door een hartinfarct uit haar gezin uit te zullen vallen.
Voor hem was dat allereerst de vijftien maanden van haar ziekte
(borstkanker). De hoop en wanhoop en het samen rouwen. Dat je
het samen kunt doen lijkt een positieve factor maar is dat volgens
hem lang niet altijd. In elk geval is daarvoor nodig dat je hebt
geleerd - of alsnog leert - om met elkaar te praten. Echt praten.
En daarna: het alleen zijn, lichamelijk en geestelijk. Jij bent
er, maar zij is er niet gedurende 24 uur per dag en 7 dagen per
week, dag en nacht, en het grootste gedeelte van de tijd voel
je je eenzaam.
Over de duur van het rouwproces
De verwerking
van rouwverdriet heeft veel te maken met de wijze waarop de partner
is overleden. Bij een voorzienbare dood kunnen niet alleen de
meest noodzakelijke, praktische, financiële maatregelen nog
in overleg worden getroffen, maar kan het afscheid nemen al bij
het leven beginnen. Bij een plotselinge dood zal dat achteraf
moeten doen. En daar kan weleens meer tijd voor nodig zijn. Over
de intensiteit van het verdriet is daarmee overigens niets gezegd.
Over de vraag dus of het ene erger, dus moeilijker te dragen,
is dan het andere.
Een rouwende kan zichzelf geen termijn stellen voor de verwerking
van zijn verdriet. Je bent door het rouwproces heen als je de
ander "zijn dood gunt". Wanneer je je hebt leren verzoenen
met zijn afwezigheid. Maar in die compleet andere hoedanigheid
heeft hij tóch zijn belangrijke plaats in jouw leven behouden.
Je mist hem nog heel erg maar niet meer speciaal in het dagelijks
doen en laten. Je hebt een nieuwe stijl van leven geleerd. Hij
leeft voort in je herinnering. Het is dus het tegenovergestelde
van 'vergeten'.
Over een nieuwe relatie
Het ene huwelijk
(al lang of nog maar kort geduurd hebbend) kan een veel grotere
harmonie uitstralen dan het andere. Die harmonie - en het gemis
daaraan door de dood - bepaalt in hoge mate de opstelling van
de weduwe/weduwnaar waar het gaat om al dan niet verlangen naar
een nieuwe relatie. Behoefte eraan om het leven te delen met een
nieuwe partner bewijst beslist niet dat men door een tweede keer
wil proberen het beter te doen dan de eerste maal. Soms is iemand
er zo diep van overtuigd dat de mens páár is, soms
heeft hij daaraan zoveel goeds beleefd, dat hij zichzelf een tweede
kans gunt.
Een tweede relatie is niet gemakkelijker dan een eerste. Het is
een opnieuw oefenen; in onbaatzuchtigheid, altruïsme en vrijheid
gunnen. Maar de tweede relatie heeft ook veelbelovende aspecten.
Die ander is anders, in veel opzichten nieuw, heeft vanzelfsprekend
zijn eigenaardigheden, maar ook zijn eigen aardigheden. En het
meest avontuurlijke aspect van de tweede relatie zou weleens kunnen
zijn de ontdekking dat de nieuwe partners in elkaar mogelijkheden
aanboren, die in de eerdere relatie niet aan de oppervlakte waren
gekomen.
Het meest interessant aan dit boek vind ik dat het zowel geschreven is vanuit de beleving van een man als van een vrouw. Dit (inmiddels) echtpaar vertelt over hun rouwverwerking en bespreekt waar je zoal tegenaan kunt lopen bij het aangaan van een nieuwe relatie. Persoonlijk vind ik hun bespreking van dit laatste onderdeel ietwat zwaarmoedig. Of misschien heb ik het gewoonweg ontzettend 'getroffen' in mijn nieuwe relatie.
Monique Klaverweide
Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren