Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren
Inhoud van de 2e jaargang nr. 4 - januari 2000
Motto 2000: Laat het gebeuren

Van de hoofdredactie
Alles draait nog en wij draaien mee...
Op het moment dat je dit leest (kunt lezen) is het jaar 2000 een feit. En dat is mooi, want het betekent dat alles weer normaal is. Dat alles draait zoals het hoort en wij meedraaien, of we willen of niet, in die soms waanzinnige draaikolk van ons leven.
Daar zijn we dan. Millenniumproof
in een nieuw jaar aangeland. Zomaar in een nieuwe eeuw, een nieuw
millennium. Het kan niet op. Een overvloed aan nieuwe tijden.
Je kunt je afvragen of we daar echt gelukkig mee (kunnen) zijn.
Zijn we dat? Betekent dit nieuwe millennium voor ons dat we ook
zelf opnieuw beginnen? Dat we gaan proberen om, nog meer dan in
het jaar dat achter ons ligt, weer nieuwe stapjes te zetten op
ons wankele pad? Met minder verdriet misschien? Minder eenzaamheid?
Wordt het een vrolijk jaar omdat we de grijze flarden in onze
gedachten weten te verjagen door een frisse wind vol nieuwe, fijne
dingen om van te genieten?
Stom hè, dat we daar eigenlijk niet eens zo maar een antwoord
op kunnen bedenken. We willen dat allemaal natuurlijk wel graag.
En je wilt het ook proberen om er een vrolijker jaar van te maken.
Maar ik denk dat het net zo is als met mensen die nu driftig proberen
te stoppen met roken. Het is en blijft hondsmoeilijk.
Want ook al hebben we dan als mensen een kunstmatige scheidslijn
getrokken tussen het ene en het andere jaar, tussen eeuw naar
eeuw, ons gevoel herkent die lijn niet. Ziet niet de streep waar
we overheen zijn gestapt, ook al markeren we dat met z'n allen
zeer luidruchtig met knallend vuurwerk. En daarom gaan we gewoon
verder met het zware proces dat rouwen heet, waarschijnlijk zonder
dat opgewekte gevoel van knallende champagnekurken. Ook al proberen
we dat wel. Ook al zouden we dat misschien heel graag willen.
Maar ik hoop dat je ondanks alles toch samen met hen die je lief
zijn hebt kunnen (glim-) lachen. Want het leven heeft jou en mij
ondanks alles veel te bieden. Is het best wel waard om geleefd
te worden. Dat besef ik tenminste elke keer dat ik alleen over
die onzichtbare drempel stap, het nieuwe jaar in. Ook nu weer.
Ondanks de weemoedige gedachten die me dan overvallen. Ondanks
het verdriet om wat ik mis. Want juist op zo'n moment zie ik ook
glashelder wat ik wél heb: bijvoorbeeld mijn kinderen,
mijn kleinkinderen. Met een redelijke gezondheid als basis om
verder te willen gaan. En die ene stap over die gekke drempel
van oud naar nieuw, ach, dat is er wéér eentje van
de vele stappen die jij en ik ongetwijfeld nog (zullen) moeten
nemen. Hallo 2000! Hier zijn we, laat het gebeuren!
Bert januari 2000
Kort verhaal: Nul
Sinds zijn vrouw na een langdurige
ziekte was overleden had hij ineens meer tijd gekregen. Van de
ene op de andere dag viel er een gat in zijn dagelijkse programma
doordat hij niet langer meer voor haar hoefde te zorgen en was
het verdriet om wat hij had verloren en de leegte compleet. Leegte
die opgevuld zou moeten worden om te kunnen overleven, besefte
hij.
Natuurlijk, hij had z'n hobby's. En natuurlijk hij had zijn werk.
Maar alles was toch anders geworden. De oorverdovende stilte van
het verdriet in z'n geest was overweldigend. Overheerste al het
andere. Aanvankelijk wist hij daar niet goed raad mee. Probeerde
alles een nieuwe plaats in zijn leven te geven, ook al vroeg hij
zich af of het de inspanning waard was om dáár zoveel
moeite voor te doen.
Toch leerde hij opnieuw het leven, zijn leven, te waarderen. Stapje
voor stapje vulde hij dat leven opnieuw in.
In het begin wist hij niet goed hoe hij met zijn pas verworven
,,vrijheid" om moest gaan.
De vrijheid om allerlei dingen te doen zonder rekening met haar
te hoeven houden.
De vrijheid om gewoon in bed te blijven liggen als het weekeinde
verder niks te bieden had.
De vrijheid om tot diep in de nacht achter zijn computer te zitten
met niemand die hem vertelde dat het de hoogste tijd werd om naar
bed te gaan.
Hij haatte die vrijheid, maar raakte er ook langzaam aan gewend.
En wist die vrijheid toch nieuwe vorm te geven. Stapje voor stapje.
Zoals alles stapje voor stapje ging. Hoewel hij altijd met plezier
zijn werk had gedaan had hij toch moeite om de draad weer op te
pakken. Zich erop te concentreren. Want steeds weer dwaalde zijn
geest af. Terug naar de tijd van toen. De tijd dat alles gewoon
was zoals het zou moeten zijn. De gelukkige tijd samen, besefte
hij pas nu echt.
Steeds vaker zat hij in zijn vrije tijd achter zijn computer.
Ging dan zwervend het internet op en surfde op de digitale golven
van werelddeel naar werelddeel zonder ergens echt door getroffen
te worden. Zoekend verkende hij deze nieuwe, nog deels onontgonnen
wereld. Zich verbazend over de soms ongelooflijke oppervlakkigheid
van de geboden informatie, soms diep getroffen door de sporen
van ongekende emoties die hij tegenkwam. En al zwervend maakte
hij contact met lotgenoten, wisselde ervaringen en gevoelens uit
zonder ze verder te kennen. Met het e-mailadres als enige referentie.
Het hielp, maar toch niet echt voldoende om zijn eigen stroom
gevoelens een nieuwe bedding te geven, ze te kanaliseren. Die
gevoelens bleven vaak een wilde, kolkende rivier van ongecontroleerde
emoties. Soms heftig, alsof ze in een stroomversnelling terecht
waren gekomen, soms kabbelend. Maar ze bleven. Verdwenen niet.
Hij besefte daarna ook steeds
vaker dat hij het toch allemaal zelf zou moeten doen. Weliswaar
met de hulp en het begrip van hen die hem lief waren, zijn kinderen,
zijn kleinkinderen én de paar vrienden en vriendinnen die
hem trouw waren gebleven, maar toch: alleen met eigen kracht zou
hij het verder moeten kunnen redden. En bovendien: in zijn gedachten
was zijn vrouw nog steeds bij hem. Hem troostend op het juiste
moment. Steeds hoorde hij haar kritische stem op die momenten
dat hij dingen deed, die zij toch anders zou hebben gedaan. Het
was alsof zijn geest haar aanvullende aanwezigheid als het ware
inpaste in al zijn handelen. Een wonderlijke ervaring, die hem
soms verwarde waardoor hij dagen lang compleet van slag raakte.
Maar desondanks kreeg zijn nieuwe ,,vrijheid'' vorm en slaagde
hij er steeds beter in om die kolkende rivier in zijn geest tot
bedaren te brengen, in te bedden zonder de woeste stroomversnellingen
die hem in het begin zo hadden verward en zijn geest regelmatig
hadden ontwricht. Het was als een nieuw soort ,,bevrijding''.
Hij was er in geslaagd om afstand te nemen van de tijd van toen,
zonder die tijd te vergeten. Een ander soort, uit z'n banden bevrijde
energie bruiste opeens door zijn aderen, verkwikte zijn vermoeide
geest. Het leven, zijn leven, voelde hij, begon opnieuw.
En op de laatste dag van het jaar 1999 was er opeens die ene e-mail.
Naast al die ander digitaal verstuurde brieven was er die ene
met de intrigerende titel: ,,Het millennium nadert nu héél
snel! Bent u echt millenniumproof?" Als hij het woord ,,millenniumproof''
tegenkwam moest hij altijd lachen. Het internet was ervan vergeven.
Allerlei bedrijven, instanties en ook particulieren maakten blijkbaar
dankbaar gebruik van de door kenners verwachte wereldwijde computercrash
als we afscheid van dit millennium zouden nemen om aan die nieuwe
te beginnen. Zoals duizend jaar geleden bij de eerste millenniumwisseling
blijkbaar allerlei rampen werden gesignaleerd, zo wachtte ons
nu ook een grote ramp als hij al die moderne profeten zou moeten
geloven. En veel bedrijven hadden voor een paar lieve Euro-stuivers
uiteraard een rampenplan in de aanbieding, dat spreekt.
Maar dit e-mailtje had iets. Het
vroeg gewoon of hij, als mens, millenniumproof was en daar had
hij eigenlijk geen antwoord op. Goeie vraag dus. En het prikkelde
zijn nieuwsgierigheid. Er was een document bijgevoegd dat het
antwoord zou kunnen geven, las hij. Maar hij was altijd al erg
voorzichtig geweest met bijgevoegde documenten bij e-mail die
hij van onbekenden kreeg, want voor je het weet had zich een alles
verwoestend computervirus in de diepe spelonken van je computer
genesteld. En de millennium-overgang leende zich daar natuurlijk
uitstekend voor. En dan zou je een volmaakt voorbeeld van een
zich zelf vervullende voorspelling hebben: de ramp veroorzaken
we zelf door aan alle voorwaarden te voldoen.
Hij aarzelde om het document te openen. Het was geen programma,
gewoon een tekstdocument. Niet echt gevaarlijk dus, bedacht hij.
En nam een besluit. Hij klikte resoluut het document aan.
Eerst gebeurde er niets. Hij had wel even het gevoel alsof zijn
computer tegenstribbelde, gevaar onderkende dat hij niet had gezien
of gevoeld. Onzin natuurlijk, want computers konden nog steeds
niet zelf denken, maar toch... Hij voelde zich lichtelijk onbehaaglijk.
Zijn rechterhand omklemde de muis om heel snel in te kunnen grijpen
als er toch iets verkeerds zou gaan en er toch een virus toe zou
slaan.
Nog steeds niets. Zelfs zijn harde schijf, anders toch tamelijk
luidruchtig aanwezig, zweeg. Niks. Het beeldscherm bleef onveranderd
het beeld van zijn e-mailbox vertonen. Dat laatste stelde hem
tenminste een heel klein beetje gerust. Maar dat onbehaaglijke
gevoel verdween niet.
En toen veranderde de wereld om hem heen. Zijn beeldscherm vervormde,
zijn werkkamer werd een vreemde surrealistische mengeling van
in elkaar overvloeiende beeldindrukken, overgaand in abstracte
stromen van psychedelische kleuren alsof hij net een forse dosis
van een onbekende drug had genomen die nu begon te werken. Of
in virtual reality aan het experimenteren was met zijn beeldbewerkingsprogramma,
bedacht hij nog in een ironische flits. Zijn rechter wijsvinger
klikte verwoed op de muisknop, maar hij was te laat. Zijn geest
werd een kolkende massa van zich elkaar razendsnel opvolgende
beelden en hij besefte ineens dat hij zijn leven opnieuw leefde
in honderd miljardste nanoseconden van de eeuwigheid.
Zijn vingers bleven onvermoeibaar op de linker muisknop drukken.
Een ingewortelde reflex van jaren.
Daarna was de invallende duisternis compleet en viel hij zoals
hij nog nooit gevallen was. Lichaam en geest maakten zich voor
enkele momenten los van elkaar, vloeiden weer samen. En hij bleef
vallen.
Hij kwam neer met een harde, pijnlijke
plons. Hij snakte naar adem en stikte bijna in het vies smakende,
stinkende water. Hij worstelde zich naar boven in hulpeloze zwembewegingen,
alsof hij voor het eerst in het diepe was gegooid. En eigenlijk
was dat ook wel zo, bedacht hij grimmig en hij vervloekte zijn
aangeboren nieuwsgierigheid en het snelle moment dat hij op dat
document had geklikt. Hij kwam boven en zijn longen zogen gierend
de redelijk frisse, maar koude lucht naar binnen.
Hij verslikte zich opnieuw en hoestte stromen modderig water naar
buiten. Toen pas deed hij zijn ogen open. Om die van schrik meteen
weer te sluiten.
De wereld om hem heen bestond uit water, kleine eilandjes, modderige
strandjes met verderop de contouren van een hoger gelegen stuk
land met bomen. Hij rook de geur van moeras. Een eindeloos uitgestrekt
moeras aan de ene kant en dat land aan de andere kant. Een eiland?
Of meer dan dat? Hij zwom een paar slagen naar een dichtbij gelegen
eilandje. Meer een verzameling rietpollen op een hoop modder.
Maar hij voelde eindelijk zachte grond onder zijn voeten en hij
ging met moeite staan. Zijn hele lichaam beefde en opeens besefte
hij waarom. Het was ijzig koud, ook al was het water nog niet
bevroren. Thuis achter de computer in zijn werkkamer had de verwarming
vrij hoog gestaan, het was hartje winter, maar de overgang was
wel erg abrupt geweest en de spieren van zijn lichaam verstijfden
nu voelbaar. In beweging blijven! Naar het vasteland toe. En snel.
Beschutting zoeken. Een huis misschien. Warmte.
Hij plonsde met ongecontroleerde stappen door het vrieskoude water.
Het water bleef ondiep, gelukkig, maar het ging toch moeizaam.
Hij kroop na een martelend lang durende tocht aan land en liet
zich uitgeput tegen een boom zakken.
Toen pas keek hij naar zijn pijnlijk verkrampte rechterhand. Zijn
wijsvinger bleef op de linkerknop van zijn muis drukken. Steeds
maar weer. De draad aan de muis was afgebroken met rafelige einden.
Hij werd verrast door de stemmen
in het bos achter hem. En dat was maar goed ook, want hij was
van vermoeidheid en kou bijna in slaap gevallen en zou dan misschien
zijn doodgevroren. Hij keek naar de muis in zijn handen, als was
het om zich ervan te overtuigen dat het verbazingwekkende nog
steeds was gebeurd. Geen nare droom was. De reflexbeweging van
zijn rechterwijsvinger was gestopt. De muis lag in zijn handen
als een artefact uit een onbegrepen tijd. Hij stopte het nu nutteloze
ding in z'n zak en trok zich aan de stam van de boom overeind.
Zijn hele lichaam protesteerde, maar hij redde het.
De stemmen waren nu dichterbij gekomen, maar hij begreep geen
letter van wat ze zeiden. Het leek nog het meeste op Italiaans
of zo. Hij kroop weg achter een magere struik in de hoop dat die
hem voldoende zou verbergen. Uit het bos kwamen vijf ruiters.
De mannen leken zo uit een film te zijn gestapt. Met verbijstering
keek hij naar hun uitmonstering en zag in gedachten de beelden
uit films als Ben Hur. De massa-spectakels met Charlton Heston
en zo. Gladiatoren. Asterix. Hij had nauwelijks tijd nodig om
deze ruiters te plaatsen. Romeinen! Maar... Zijn geest kon deze
onverwachte beelden niet echt verwerken. Hij keek toe hoe de mannen
de paarden lieten drinken om daarna weer in het bos te verdwijnen.
Even later was het kille landschap weer even leeg als tevoren.
Romeinen... Een moerasachtige
zee. Bos. Zijn geest opende herinneringen zoals je de bestanden
van je harde schijf haalde. Uit zijn verzameling oude atlassen
herinnerde hij zich de kaarten van Nederland uit de Romeinse tijd.
Veel water toen. Een deel nog onontgonnen moeras. De delta van
de lage landen in het jaar nul. Ook op de plek waar hij anno 1999
had gewoond zag het er 2000 jaar eerder ongeveer zo uit. Had gewoond...
Hij proefde die twee woorden op z'n tong en wist dat het juist
was: verleden tijd. Zijn wereld was verdwenen. Verdwenen in de
nevels van wat nu nog toekomst heette.
Hij haalde de muis uit zijn zak en keek er naar. ,,Bent u echt
millenniumproof?" Hij barstte in een onbeheerste, maar toch
bevrijdende schaterlach uit. Millenniumproof? Jawel. Op z'n minst
nog twee duizend jaar! Hij bleef lachen. Minutenlang. En bracht
in gedachten een eresaluut aan de maker van dat wonderbaarlijke
computerprogramma. Met een ijzingwekkend echte millenniumproof-garantie!
Alles wat hij kende was verdwenen. Wat overbleven waren al zijn
herinneringen, maar die zouden ook in de loop der jaren vervagen
tot prachtig verfraaide legenden. Hij sprong ineens overeind en
had het gevoel dat al zijn vermoeidheid was verdwenen. Zijn spieren
weer soepel waren geworden, als waren ze gemasseerd door een tweeduizendjarige
geschiedenis. Hij wist het: hij zou helemaal, maar dan ook echt
helemaal, opnieuw moeten beginnen. Letterlijk vanaf nul. Stap
voor stap voor stap. Duizenden kleine stapjes. Maar dát
gevoel kende hij. Dáár wist hij immers alles van.
Hij was toch een echte ervaringsdeskundige? Nou dan! Hij dacht
ineens aan zijn kinderen en zijn kleinkinderen in die ver voor
hem liggende toekomst. Ach, die zouden zich zonder hem ook best
kunnen redden, hield hij zich voor, ook al zou hij ze natuurlijk
ontzettend missen en zij hem. Vooral in het begin. En daarna?
Daarna zouden de herinneringen wegzinken, langzaam maar zeker
in het moeras van de tijd.
Zijn ogen bleven maar een paar
seconden rusten op de muis in zijn hand en de draad met rafelige
einden. De draad die hem ooit met die toekomst, zijn verre toekomst,
had verbonden. Toen gooide hij het nu waardeloos geworden ding
uit de twintigste eeuw met een brede zwaai in het modderige water
van het jaar nul.
Het gaf maar een héél klein plonsje.
Copyright 1999 - Bert Vos.
Een tien gangen-diner tijdens een woede-aanval
Zo maar kreeg ik hem. Een enorme
woede-aanval. Ik kwam thuis van een receptie en dat is meestal
niet het fijnste moment, maar deze keer was het alsof er een stop
doorsloeg.
Een forse ,,kortsluiting" was het gevolg. Ik ging stampvoetend
huilend door het huis. Smeet met deuren en gooide met alles wat
in de buurt lag.
Het was een angstaanjagende ervaring omdat het de eerste keer
was dat het zo heftig, zo intens was. En ondanks die niet te stuiten
tranen, die kolkende woede-uitbarstingen, begon ik aan het klaarmaken
van de warme maaltijd zoals ik altijd gewend ben te doen. Ik smeet
dus met potten en pannen, sneed de groente onverantwoord snel,
smeet van alles in de pan, roerde, mengde, bakte en braadde met
een heftigheid alsof er een meesterkok in opperste vervoering
aan zijn ultieme tiengangendiner was begonnen. Je ziet dat wel
eens in een film.
De onstuitbare, woedende tranenvloed bleef maar doorgaan terwijl
ik als in een trance de tafel dekte en het eten afmaakte.
Ik stond net op het punt om met een stapel borden te gaan smijten,
toen de ratio het van de emotie won. ,,Bert jongen, "sprak
ik me zelf vermanend toe, "doe dat nou niet, want je moet
straks zelf de rotzooi opruimen." Zoiets helpt, want ik heb
mijn hele leven al een hekel gehad aan het opruimen van rotzooi.
Vanaf dat moment kalmeerde mijn geest, kwam enigszins tot rust
en terwijl ik even later aan mijn avondeten begon, dat nog prima
gelukt was ook, overdacht ik in de stilte van mijn huis wat me
was overkomen. De woede en het verdriet had zo bezit van me genomen
dat het bijna oncontroleerbaar was geworden. Had ik dan zoveel
in de afgelopen weken, maanden misschien, opgekropt en hadden
al die opgekropte emoties nu een uitweg gezocht?
Ik krijg daarop waarschijnlijk nooit echt een antwoord, maar het
zal inderdaad zo zijn geweest. Je denkt dat je alles prima onder
controle hebt. Dat je het gemis, de eenzaamheid, het sluimerend
verdriet, na twee jaar prima aan kunt. Je beheerst het. En dan
ineens: bammm!
De erg gezellige receptie waar ik was zal waarschijnlijk de simpele
aanleiding zijn geweest. Al die lachende, vrolijke mensen, al
die echtparen. Mensen die mijn vrouw vrijwel allemaal hebben gekend.
Die ik samen met haar in betere tijden ook op feestjes en dit
soort recepties heb ontmoet. En waar ik nu alleen tussen zat.
Pratend over koetjes en kalfjes en andere huisdieren. Ach, je
kent het wel.
En dan kom je thuis en slaat er zo maar een zekering door. En
sla je op tilt. Wat ik maar wil zeggen met dit verhaal is, dat
als het jou overkomt, dat het weliswaar op het moment zelf angstaanjagend
kan zijn, maar blijkbaar niet ongewoon. Misschien is dat een hele
kleine troost. Voor jou en voor mij. (V.)
Een miljoenenpuzzel zonder voorbeeld
Je leest vaak dat rouwen zwaar
werk is. Nou, ik heb nooit geweten dat het zó zwaar kon
zijn. Elke keer denk ik dat het beter gaat, maar het wordt steeds
zwaarder. Ik noem het nu ook de rouwpuzzel, een puzzel van miljoenen
stukjes zonder voorbeeld. Sommige stukken kun je zo neer leggen
en andere kun je totaal niet plaatsen of ze passen niet op de
juiste manier in elkaar. Dat kan ook niet bij een puzzel van miljoenen
stukjes, het is steeds maar weer passen en meten en daarvoor heb
je tijd en ruimte nodig. Proberen en nog een proberen. Telkens
op andere plaatsen en op een andere manier. Soms steek je er veel
tijd in en soms zie je het ook helemaal niet meer zitten, heb
je er geen zin meer in. Soms wil je de hele puzzel wel in de vuilnisbak
gooien en maak je er weer een rommeltje van, gooi je alles weer
door elkaar.
Maar toch grijp je steeds weer opnieuw naar die puzzel en wil
je er één geheel van maken, net zolang totdat hij
af is.
Waarschijnlijk is dat die onbegrijpelijk en onbewuste drang om
te overleven. Uiteindelijk moeten we die puzzel af krijgen om
een beeld voor ogen te krijgen waarmee we ons leven verder in
kunnen richten. Zelf worstel ik ook nogal wat af met die puzzel,
soms wil ik hem helemaal niet meer maken of zie ik er het nut
niet van in.
Een ding leer ik er wel van: je moet de goede dagen ook zo optimaal mogelijk benutten. Genieten van de stukjes die je wel hebt kunnen plaatsen al zijn ze nog zo klein. Voor ogen houden dat de slechte dagen weer gevolgd worden door goede dagen. En elke goede dag is, denk ik, een stukje van die afschuwelijk moeilijke puzzel
Marij
Even knuffelen...
Het is woensdagavond 22 december
1999 tegen acht uur. Met een kop als een emmer omdat je snip en
snip verkouden bent probeer je alles wat je de komende dagen nog
moet doen op een rijtje te zetten. Heb je alles in huis omdat
je kinderen, waarvan je zoon twee straten en je dochter met haar
gezin op een klein uurtje rijden bij jou vandaan woont, Eerste
Kerstdag bij jou komen doorbrengen? Tweede Kerstdag ga je naar
je dochter om samen met het gezinnetje en haar schoonfamilie Kerst
te vieren. De nacht zul je dan bij hen doorbrengen.
Even na achten word je gebeld en krijg je de mededeling dat een
goede kennis 's morgens plotseling is overleden en dat de uitvaart
op maandag 27 december zal plaatsvinden. In eerste instantie is
daar dan ongeloof, al snel gevolgd door verbijstering die weer
wordt gevolgd door opstandigheid want dit is al de vijfde persoon
in de leeftijd van 50+ tot 60- in jouw directe omgeving waarvan
je sinds het overlijden van jouw vrouw in januari 1996 afscheid
moet nemen. Je vraagt je af of dit dan nooit ophoudt.
Na maar weer eens als een aangeslagen bokser met het hoofd geschud
te hebben begin je je zaken weer te hergroeperen, bel je je dochter
dat de plannen met betrekking tot het overnachten gewijzigd zijn
en laat het tot jou doordringen dat het leven verder gaat en dat
het inderdaad ook voor jou ooit ophoudt en dat is op het moment
dat jezelf aan de rij wordt toegevoegd.
Jezelf aldus weer bij elkaar vegend hoor je ineens de voordeur
opengaan en voordat je eigenlijk beseft wat er aan de hand is,
stapt je dochter de kamer binnen die jou jouw slapende kleindochter
van twaalf weken oud in jouw armen drukt met de woorden: "Ga
jij nou eerst maar eens even knuffelen want ik denk dat je dat
op dit moment wel kunt gebruiken".
Joep Fraats
Dagboekfragmenten (8)
Deel 8 van de dagboekfragmenten van Cees en Agnes van Veen. Agnes legt verbanden met dagboekfragmenten van haar overleden man in haar dagboek van nu. Heden en verleden worden daardoor op een bijzondere manier met elkaar verbonden. In deze editie deel 8, waarin het dagboek van Cees ontbreekt. Hij is 9 december 1998 overleden. Die nacht beschrijft Agnes en haar gevoelens daarbij. Gevoelens die we als lotgenoten zo goed kennen.
9 december 1998
Overleden. Vannacht. We waren allemaal bij je. Ik ben kapot. Hoe
moet het nu verder? Ik wist dat het komen zou. Beiden waren we
er klaar voor. En toch! Het doet echt pijn. Ik ben zo moe, vreselijk
moe. Alles is al geregeld: kaarten, kist, bloemen, muziek, je
afscheidsbrief. Precies zoals je het hebben wilde en zoals we
ook afgesproken hebben. Nu komt het deel wat ik zonder jou moet
doen. Nu komt het stuk waarvan je altijd zei: 'goed voor jezelf
zorgen, het maakt niet uit wat anderen zeggen of denken, vertrouw
op je gevoel'.
Cees, ik beloof het je.
20 december 1999
Geen dagboekfragment van Cees deze keer, maar de eerste van mij.
Ruim een jaar voorbij, een waardeloos maar ook waardevol jaar.
Vrienden (nou ja vrienden!!!) kwijtgeraakt - nieuwe vrienden gekregen,
baan kwijtgeraakt - veel vrije tijd er voor teruggekregen. Een
jaar van verdriet, heimwee, pijn, gemis, angst, onmacht - maar
ook een jaar van weten dat ons huwelijk 28,5 jaar goed was en
dat pakt niemand me af. Een jaar waarin ik leerde zelfstandig
te zijn, alleen beslissingen leerde nemen, zelf alleen op dingen
afstappen en ondernemen. Maar ik leer nu ook beter voor mezelf
op te komen. Natuurlijk gaat het niet van een leien dakje, twijfel
is er altijd en overal.
Veel hebben we samen meegemaakt, ziektes, verdriet om het feit
dat er niet meer kinderen kwamen, stress en spanning op het werk,
ook financiële problemen waren ons niet vreemd. Altijd en
overal kwamen we er samen weer uit. Ook de twee jaar voor zijn
overlijden, het hele proces van ziek zijn, hoop op een beetje
toekomst, maar ook de laatste weken waarin je weet dat elke dag
de laatste kan zijn, hebben we zo goed en zo kwaad als het ging
samen gedaan. Dat sterkte ons beiden. Het moeilijkste stuk van
een relatie, nl. het rouwen als een van beide overlijdt konden
we niet samen doen. Juist dat moeilijke stuk moet er eentje alleen
doen. Cees had daar veel verdriet van maar gaf mij kracht en vertrouwen.
En nu? Een jaar na dato? Het lukt! Met vallen en opstaan.
Agnes van Veen-Ostendorf
Die stille troost
Elke keer weer ben ik verbaasd
en ontroerd door vrienden en kennissen die zo maar, vlak voor
de Kerst voor mijn deur staan. Met een kerststukje of een mooie
fles wijn. Die me even, zo vlak voor die moeilijke dagen, een
hart onder de riem willen steken. Het niet willen laten bij een
mooie kaart of een brief die ze óók sturen.
We praten dan een half uurtje of zo. Spontaan, ongedwongen, over
wat mij beroert. Wat ons bezig houdt. We hebben vaak aan een half
woord genoeg. Want we weten waar het om gaat.
Vaak neem ik me voor dat ik zelf ook wat attenter moet zijn. Ik
verwijt me zelf dan dat ik bijvoorbeeld wéér een
verjaardag ben vergeten. Maar ik weet gelukkig dat ze mij kennen.
Gewend zijn aan mijn verstrooidheid als ik weer eens een paar
dagen te laat dat kaartje of die bloemen stuur. Maar toch.
Aan de andere kant zijn er de mensen die hun kaartjes per dozijnen
versturen. Per dozijnen ingekocht. Vlakke, emotieloze kaartjes
met "een Vrolijke Kerst" in gouden glitters. Zonder
een persoonlijk woord. Vrolijke Kerst. Die mensen begrijpen er
geen hout van. Dat zijn dezelfde mensen die mijn vrouw, toen ze
ernstig, ongeneeslijk ziek was, kaartjes stuurden met ,,van harte
beterschap". Harteloze kaartjes, óók zonder
een persoonlijk woord. Troosteloze wensen zonder hart.
De vrienden en kennissen die zo maar aan mijn deur stonden met
dat kleine kerstgeschenkje maken duizend keer goed wat die anderen
ons zo gedachtenloos kwetsend hebben aangedaan en nog dagelijks
aandoen. En dat is voor mij een stille troost.
Bert
Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren