Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren
Binnengekomen
reacties van lotgenoten (30)
in september en oktober 2007
REACTIES binnengekomen in oktober 2007:
29-10-2007
Hallo Monique,
Met beelden uit het verleden op mijn netvlies, lees ik het verhaal
"Hand in eigen boezem?"
Er komt veel terug van mezelf. Mijn karakter: altijd voor een ander klaarstaan; mijn huwelijk met Benno: liefde, begrip en wegcijferen, maar vooral rekening houdend met De Familie; en tot slot mijn huwelijk met Adri waarin ik vooral mezelf herken en daardoor de liefde nóg beter leer kennen. Nu is er ruimte voor mijn karaktertrek, namelijk klaarstaan voor anderen, en dit kan ik delen met Adri, waardoor ik me heel erg gelukkig voel.
Het moeten voldoen
aan een verwachting heeft in mijn huwelijk met Benno een grote
druk op mij gelegd. Nu hij er niet meer is, merk ik de verwijdering
van mij en zijn familie. Ik ben nu een kennis geworden. Zij zullen
hun broer erg missen, maar op een andere manier dan ik. Ze tonen
zich blij met een mooie foto van hun broer, maar ik voel de afstand.
Ik ben geen nabije deelgenoot meer van hun leven.
En om de hand in eigen boezem te steken... Ja, ik denk dat het
voor een groot deel aan mezelf ligt. Vroeger had ik genoeg aan
de wetenschap dat we familie waren. Nu heb ik openheid en betrokkenheid
nodig en vooral vriendschap. Oppervlakkigheid hoeft niet meer.
Door heel betrokken te zijn geweest bij de dood van hem die ik
liefhad, en door hier heel veel over te praten, ben ik veranderd.
Daardoor neem ik afstand.
Ik laat ze achter met de wetenschap dat de treinreis van ons leven
misschien nog weer eens een halte heeft waar we elkaar treffen
of verder samen reizen. En als mijn trein dan stopt en ze stappen
in mijn coupé, dan kunnen we er voor elkaar zijn, ongeacht
of ze in een moeilijke periode van mijn leven er niet waren.
Monique, dankjewel voor je openheid.
Liefs,
Gerdi Leussink, vrouw, geboren 20 september 1945; partner Benno (53) overleden aan longfibroses op 18 januari 2000; volwassen zoon en dochter; e-mailadres: gerdileussink@zonnet.nl
26-10-2007
Ik ben heel
blij dat ik de Draaikolk gevonden heb.
Mijn dierbare echtgenote is na een strijd van 6 lange jaren helaas
overleden. Zij was een zeer sterke vrouw. Al haar hoop was gericht
op zo vele chemokuren. Telkens weer werd ze zwaar ziek en voelde
zij zich ellendig. Ze kon niet meer eten en nog zoveel meer, maar
zij hield vol. Hospitaal in, hospitaal uit. Weken, maanden. Toch
hield zij vol en zij hoopte steeds op genezing. Ze had het zeer
moeilijk met haar leeftijd. Zij was pas 57 jaar en wilde nog zoveel
doen. Wilde op haar pasgeboren kleinkind passen, wilde nog zoveel
schilderen.
Maar helaas, een week geleden is zij gestorven op de palliatieve afdeling van het hospitaal. Eerst wilde ze naar huis, daarna zei ze: "ik blijf hier, dat is gemakkelijk voor u". Zelfs in haar laatste dagen dacht zij alleen maar aan mij en niet aan zichzelf. Dit doet mij toch zo'n pijn en verdriet. Had ik toch maar meer voor haar kunnen doen. We waren 40 jaar tesamen.
Haar lach, haar
babbelen, tesamen eten, wandelen, fietsen. Alles is weg, enkel
nog die leegte. De mensen zeggen 'de tijd doet vergeten', maar
ik wil niet vergeten.
Dank u dat ik mijn verhaal kwijt mocht op de Draaikolk.
Jean Geurts; e-mailadres: jean.geurts@euphonynet.be
26-10-2007
Lieve Monique en allemaal,
Mijn vakantie is voorbij. Ik zit nu weer even te kijken naar alle mails en lees met veel genoegen de reacties van onze lotgenoten.
Ik ben alleen in een groep gestapt en ben met ze afgereisd naar Turkije met voor elke dag een verrassing in mijn koffer in de vorm van post van mijn lieve dochter Monique. Wat heerlijk om elke dag een brief open te mogen maken en van alles en nog wat te vinden: foto's van ons allen, lieve briefjes, een centje voor een wijntje en tot grote verbazing deze onderstaande lange brief. Ik weet niet of die ooit is geschreven, maar deze 'bergtocht' heb ik afgelegd tot aan de hut, waar ik genoot. En daar kwam ik er achter, ondanks dat Henk 16 maanden geleden is overleden, dat ik die bergtocht zelf kon maken. Dapper wandelde ik mee met in mijn achterhoofd deze volgende brief die ik stuur voor de mensen die 'de bergtocht' niet kennen.
Het rouwen is een tocht, een loodzware voettocht, vanuit een heel diep ravijn naar boven, naar de top van de berg. Ik heb er niet voor gekozen om die tocht te maken, jij ook niet. We zijn - huppekee - ongevraagd en wreed het ravijn ingestort.
Een beetje voordeel hebben we wel. We hebben even tijd gehad om onze rugzakken in te pakken. Er zijn er die zonder enige bagage de tocht moeten maken. Met hen heb ik te doen, ik tel dan de zegeningen van mijn bepakking. Onze geliefden hebben ons immers tijdens hun ziekbed geholpen om in te pakken. We zijn niet helemaal op onszelf aangewezen, we hebben de tijd gehad om de tocht voor te bereiden. Onze geliefden hebben ons echter geen landkaart mee kunnen geven. Zij wisten de weg naar boven immers ook niet.We kunnen wel onderweg gebruik maken van schuilhutten die zij voor ons hebben ingericht: een hutje van liefde, een hutje met vakantieherinneringen, een hut met mooie muziek en zo zijn er veel rustpunten op onze tocht.
We maken niet altijd gebruik van die rustpunten. We willen naar boven. We rennen, we lopen, we struikelen de hutten soms ongezien voorbij. Ook al zijn we uitgeput, we willen ons doel snel bereiken, we hebben geen rust in ons lijf en in ons hart.
Tijdens onze tocht maken we soms gebruik van gidsen, dat zijn vaak lotgenoten die stukjes weg weten, die ons wijzen waar we links of rechts kunnen gaan. Een groot deel lopen we echter moederziel alleen. We klimmen, we klauteren, we vallen, we bezeren ons en gaan weer verder. Na iedere bocht zien we een nieuw landschap. Soms staan we daar bij stil, soms zelfs wekenlang en het gebeurt ook dat de nieuwe omgeving die we zien zo bedreigend is, dat we doorrennen, struikelend of niet. Daar willen we niet zijn. Weg, weg, verder. Omlaag, omhoog, het maakt ons niet uit. Het is alsof we opgejaagd worden.
En na een bergtocht van één jaar is de rugzak leeg aan het raken. De proviand is op, de boeken die we meenamen gelezen, de medicijnen zijn op, de verbandmiddelen zijn verbruikt. Leeg is de rugzak, alles is op...
We hebben de meeste rusthutten gepasseerd. De gidsen, de lotgenoten, lopen niet meer met ons mee. Ze zijn lager of hoger op de berg. We kunnen ze soms horen, maar we zien ze niet. We zijn alleen.
We verwonderen ons niet meer over de nieuwe landschappen. We hebben, denken we, alles gezien. Nu komt het aan op de laatste kilometers. Die moeten we - heel alleen - extra ploeterend en zwoegend afleggen. Dat is haast niet op te brengen, we hebben al zoveel energie gebruikt.Het tweede klimjaar is zwaar, loodzwaar. We vragen ons halverwege de tocht ook af wat we in hemelsnaam willen bereiken. Wat is er op die bergtop te zien, te beleven, te voelen? Willen we daar wel zijn? Onbeschermd en kwetsbaar, daar zo hoog op die berg? Was het niet veiliger en beschut in het dal, in het ravijn? Daar hadden we de inhoud van onze rugzak nog en vooral reservekleding. We zijn langzamerhand naakt geworden en het is koud op de berghellingen. De beschutting van het dal is weg gevallen.
Na dat tweede jaar komt de top af en toe in zicht. Sommige bochten geven daar al een kijkje op en we voelen de warmte van de zon. We komen hoger en hoger. We zijn getraind, we vallen niet meer zo vaak en als we vallen weten we hoe we de bergpunten moeten vermijden en daarom verwonden we onszelf niet meer zo hard.
We maken gebruik van het eten en drinken, van de bagage die op onze weg komt. We zoeken er niet meer naar. We ontdekken dat er voorraad genoeg is voor iedere reiziger die deze weg gaat.In het derde jaar waarderen we de schuilhutten meer en meer. Ze zijn leeg en kaal, maar we kunnen ze zelf inkleden met spullen uit het landschap om ons heen, daar zijn we handig in geworden.
We ervaren in de lege hutten ongezien gezelschap. We kunnen er onze geliefden ontmoeten, met hen praten en hen vragen hoe we de tocht verder zullen gaan. Aan het eind van het derde jaar zullen we gelouterd en in een optimale conditie de bergtop bereiken. Dan hebben we onze rouwtocht volbracht.
Ik weet, net als jij, nog steeds niet wat ik daarboven mag verwachten. Ik hoop dat ik dan dicht bij de hemel zal zijn, dat ik daarboven één met de kosmos kan zijn en de rust kan vinden om daar spiritueel en in liefde met mezelf en met mijn geliefde te leven.
Hou vertrouwen in jezelf en in de tocht die je gaat. Ik ga graag eens een stukje met je mee. Ik wil wat van mijn bagage met je delen en je af en toe een stukje dragen. Ik weet de weg ook niet helemaal zeker, maar ik ben wel een eind op sjouw, maar samen komen we er wel, echt waar. Alles komt daarboven uiteindelijk goed!
Alleen zittend op de kamer, ver van huis, gaf deze brief me een goed en vrij gevoel. Om eens te lachen en te voelen dat ik bij deze vreemde mensen mocht gaan zitten, om mee te genieten van de zee en van de zon die zo mooi rood kleurde en plotseling achter de berg verdween. En ik mijmerde zachtjes: "lieve Henk, zie je dat ik geniet!"
Wil van den Burg-ten Hoven, vrouw, geboren 13 december 1940; partner Henk (66) overleden op 30 april 2006 aan mesothelioom (asbestkanker); twee volwassen, uitwonende kinderen, uitwonend; e-mailadres: odw71zwl@hetnet.nl
22-10-2007
Beste Monique,
Ik lees sinds enkele dagen mee op deze site en las net jouw stukje
van 16 april 2007 "Verder
willen leven zonder hem of haar". Ik vind het prachtig geschreven.
Ik weet nog niet goed wat ik wil en ga doen, me aanmelden of niet
en bij welke rubriek.
Mijn Joop is 30 augustus jl. overleden. Ik merk wel dat ik heel
veel herkenning vind bij de verhalen die ik tot nu toe heb gelezen.
Dus vandaag of morgen neem ik wel de stap om me op de een of andere
manier aan te sluiten. Alles wat ik lees geeft óf stof
tot nadenken óf steun en herkenning die ik nergens anders
vind.
Wat een geweldig initiatief om dit zo op te zetten. Het lezen
van de verhalen en gedichten geeft me nu al steun.
Met vriendelijke groet en veel liefs.
Loes Geuvers;
e-mailadres: algeuvers@planet.nl
21-10-2007
Beste Monique,
Het is moeilijk voor mij om mijn verhaal te schrijven. Dit is
ook voor mij de tweede keer dat ik een partner, waar ik vreselijk
van hou, heb verloren. Ik zie nu alles dubbel door mijn tranen...
Het jaar 2000
zou het jaar worden voor ons. Het millennium. Wij, mijn man Ruud
en ik, zouden ons 25-jarig huwelijk groots vieren met onze gehele
familie. We hadden op een vakantiepark al meerdere huisjes gehuurd.
Ruud werd ziek in maart 2000: longkanker. In mei 2000 werden wij
getroffen door de vuurwerkramp in Enschede. Wij hadden veel materiële
schade aan onze woning en mochten/konden niet terug in ons huis.
In deze maand werd Ruud opgenomen in het ziekenhuis voor de operatie.
Het verliep moeizaam, hij werd in slaap gehouden gedurende vijf
tot zes weken. Omdat de bestraling ook moest worden uitgesteld,
bleek achteraf dat hij uitzaaiingen had en dat hij zou komen te
sterven. Op 21 juli stierf hij.
Mijn hele wereld stortte in. Hoe moest ik nu verder?
Met een vriendin (die ook haar man verloren had) ben ik naar twee
bijeenkomsten gegaan voor rouwverwerking. Ik heb hier door de
gesprekken met "lotgenoten" geleerd dat iedereen zijn
eigen verdriet beleeft, maar dat er toch overeenkomsten zijn.
Hierdoor had ik minder het gevoel dat er iets raars met mij aan
de hand was door de emoties, gevoelens, boosheid etc.
Eind 2000 heb
ik mij aangemeld bij De Draaikolk. Het e-mailverkeer met anderen
heeft mij gesterkt om door te gaan. Met een man, Willem Egberts,
had ik in deze periode ook e-mail contact en dit groeide uit tot
een diepe en hechte relatie. We zijn samen gaan wonen. We leefden
niet met ons tweeën, neen, wij gingen verder met ons vieren.
Ada en Ruud waren volop in ons leven aanwezig. We wilden ze ook
niet vergeten. We zochten rust, ruimte en tijd om leuke dingen
te gaan doen. We zijn verhuisd naar Duitsland (net over de grens)
om de rust en de ruimte te krijgen. Willem startte een eigen zaak
in Nederland en begin van dit jaar boekte hij succes.
Maar op 16 juli 2007 werd Willem getroffen door een hartinfarct,
terwijl hij enthousiast een brand stond te fotograferen. Dit fascineerde
hem altijd als een oud vrijwillige brandweerman. Ik was thuis,
was niet bij hem toen hij overleed.
En nu...? Ik hou zoveel van hem. Hij was mijn steun en toeverlaat,
mijn maatje, waar ik alles aan kwijt kon. We konden samen huilen
en lachen, deden veel dingen samen en genoten zoveel mogelijk
van uitstapjes, vakanties, vriendenbezoekjes.
Hoe moet ik verder? Ik durf op dit moment geen e-mail contact
op te nemen met andere lotgenoten, omdat ik bang ben dat zij weer
een stapje terug gaan maken in hun verwerking. Ik weet hoe dat
gaat, alles komt dan weer boven en willen zij dat wel?
Ik moet stoppen, het wordt teveel.
Graag zie ik je reactie met eventueel een tip...
Herma Pellink, vrouw, geboren 19 januari 1953; partner Willem (56) overleed 16 juli 2007 aan een hartinfarct; geen kinderen; e-mailadres: plataan@t-online.de
20-10-2007
Dag Monique,
Wat me het meest treft in alle lotgenotenverhalen die ik in de afgelopen uren op jullie site gelezen heb is dat jij, voor de tweede keer je liefste verloren aan de dood, toch in staat bent om de Draaikolk en de daaruit voortgevloeide datingsite in de lucht te houden. Dát noem ik nog eens 'dapper leven'. Niet alleen de geesteskinderen van Bert en jou voortzetten, maar daarmee ook jezelf beroepsmatig en als betrokkene doorlopend te blijven confronteren met rouw in allerlei hoedanigheden. En niet alleen van jezelf, ook van anderen. Jij moet wel een bijzondere en bijzonder sterke vrouw zijn. Ik neem mijn petje voor je af.
'Dapper leven'
is ook wat al die andere schrijvers op jullie site doen. Nog maar
pas de partner verloren of juist al langer geleden, alles wat
ik van mijn lotgenoten las getuigt van een extra dimensie in ons
dagelijks bestaan die de niet-rouwenden om ons heen gelukkig niet
kennen. Wij lotgenoten weten allemaal dat je als weduwe of weduwnaar
nét een tandje harder moet lopen dan de mensen die nog
tot 'de wereld van de stellen' behoren. Nét iets meer moet
nadenken en bewust met je tijd en energie moet omgaan om je leven
voor elkaar te krijgen of te houden, als ware er geen ramp voorgevallen
in je bestaan. Dóór te leven 'alsof er niks gebeurd
is.
Wij allemaal weten dat nét dat tandje harder inzetten op
de 'normale gang van zaken' - die rest na de begrafenis of crematie
van de liefste - eigenlijk een te grote opdracht aan onszelf is.
Want het gaat nooit meer normaal worden. Nooit meer zoals het
was. Met het sterven van onze liefsten is een tijdperk in ons
bestaan afgesloten en dat laat ons hoe dan ook, meer of minder,
verloren achter.
Toch lees ik op jullie site terug dat wij lotgenoten allemaal- en allemaal op verschillende manieren - de benen er weer onder trachten te krijgen. Allemaal in stand 'tandje harder' verzeilen, omdat het wegvallen van een heel mens aan je zijde, zijn of haar inbreng in sociale en emotionele zin en ook in financiële zin, uiteraard extra inspanning van ons vergt ter compensatie van alle verliezen die we op alle deelgebieden van onze relatie hebben geleden. En ik heb het gevoel dat juist dáár ook de spagaat zit waar we als weduwe of weduwnaar in belanden ten opzichte van de wereld van de stellen. Zij nog vanuit hun zekerheid en veiligheid en volkomen onbewust van de kaalslag die de dood van de partner teweeg brengt, op weg naar jou Jij, die niet altijd zin heeft, niet altijd zichzelf wil horen praten over datzelfde thema waar de ander niks mee heeft. Zoveel moeite moet doen om de kop boven water te houden: de kinderen op tijd naar school te krijgen, de was gestreken, de prak gekookt, de vuilcontainer tijdig aan de weg, de rekeningen betaald, het werk verricht en dat allemaal zonder je andere helft De grijze deken van rouw over je leven is er niet eentje waarvan je een puntje over de schouders van je omgeving kan slaan. Ze willen er verre van blijven, en terecht. Maar juist het niet vanzelfsprekend kunnen delen van die grijze deken maakt je extra eenzaam. En daarmee wordt de verwijdering van dierbare anderen in je leven al snel een feit. Ik denk dat het bijna een natuurlijk proces is. Niet op de persoon gespeeld. Niet om jou, dat je losgelaten wordt of geen aansluiting meer vindt. Enkel omdat het te erg is, te groot voor jezelf en voor de ander om je nog te kunnen volgen
De hand in eigen
boezem steken? Wellicht is dat nodig om dierbare contacten te
behouden. Tenslotte is de weg naar elkaar door de dood van de
partner opeens een weg met obstakels geworden, die jijzelf vaak
het ergste voelt. Openheid, vertellen hoe je in je leven staat,
wat de grijze rouwdeken met je doet, hoe ver je daardoor verwijderd
raakt van het voorheen normale leven
dat is wel een sleutel.
En ja, het is natuurlijk waar dat daarmee weer een extra tandje
inzet van ons wordt gevraagd en dat dat onterecht is. We hebben
de handen immers al vol aan het gemankeerde leven zo compleet
mogelijk te laten zijn.
Toch voel ik juist in al het onbegrip om mij heen (gelukkig niemand
verder kwijtgeraakt, behalve mijn man aan de dood) ook bevestiging
en troost dat het echt zo erg is als het voelt: volkomen losgeraakt
ben ik van mij, door zijn dood een andere vrouw geworden.
Gé Stuiver;
e-mailadres: g.stuiver@wanadoo.nl
14-10-2007
Mijn naam is Debbie Hartsteen-Walinga, ik ben 54 jaar. Heerco, mijn man, is 53 jaar geworden. Hij is overleden aan een doorgebroken zwakke plek in de aorta.
In 2007 veranderde
mijn hele leven. Het beloofde een mooi jaar te worden. Na vijfendertig
jaar te hebben samengewoond, hadden mijn partner en ik besloten
om dan eindelijk te trouwen. Het was er nooit van gekomen. Om
praktische redenen en omdat we wisten dat we zo, zonder boterbriefje,
toch wel van elkaar hielden.
Op 4 juli 2007 was de grote dag. Het was een onvergetelijke dag.
Omdat mijn man voor zijn werk niet direct op huwelijksreis kon
gaan, hadden we afgesproken dat we in september nog even weg zouden
gaan. De vakantieboeken lagen al klaar om een reis uit te kiezen.
Het is er niet van gekomen
Vrijdag 3 augustus
2007. Zoals we al jaren deden, 's middags naar de markt. Boodschappen
doen en op de markt een puntzak met Vlaamse friet eten. Daarna
in de stad ergens koffie drinken met natuurlijk iets lekkers erbij.
Meestal een lekkere appelbol. Ja, dit was altijd een afsluiting
van een week hard werken en het begin van het weekend. Dit was,
zoals mijn man altijd gekscherend zei, "het hoogtepunt van
de week".
's Avonds tegen elf uur voelde hij zich niet erg lekker. Hij had
wat pijn aan de linker kant van zijn borst. De volgende morgen
stond hij op met nog steeds diezelfde pijn. Mijn man moet u weten
heeft als hobby de hondensport. Hij is binnen deze tak van sport
heel erg bekend in binnen- en buitenland.
Op die dag, 4 augustus, was er in Leeuwarden een groot evenement
voor de Duitse herdershond en omdat wij op fietsafstand (5 minuten)
van het evenemententerrein wonen, wilde hij toch even kijken.
Echter, een half uur later belde hij mij op dat hij niet lekker
was en naar huis ging. In zijn stem hoorde ik dat het niet goed
zat. Langzaam fietsend voorovergebogen, zonder energie zag ik
hem aankomen. Hij leek op dat moment een heel oud mannetje (hij
was pas 53 jaar).
Vanaf dat moment
is alles heel snel gegaan. In overleg met de dokterswacht kreeg
hij een pijnstiller voorgeschreven en moest hij maar lekker naar
bed gaan. De pijn leek minder te worden. Alleen mijn man werd
steeds onrustiger. Hij kon op een gegeven moment niet meer zitten,
staan of liggen. Hij kreeg ook pijn in zijn rug, zijn buik en
in zijn hoofd. Het was inmiddels ongeveer half acht 's avonds.
Hij kwam helemaal radeloos beneden. Hij wist niet meer wat er
met hem aan de hand was. Ik raakte op een gegeven moment ook in
paniek, maar weer de dokterswacht gebeld. Weer mijn verhaal gedaan.
Hoe mijn man zich voelde en dat het nu toch wel erg werd. De dokter
had op dat moment geen tijd. We moesten maar over een uur op het
spreekuur komen.
Met dat ik de telefoon neerleg valt Heerco over mij heen. Ik heb
hem op de bank naast mij laten zitten en heb een glaasje water
voor hem gehaald. Ik zou hem zijn kleren aan laten trekken en
met hem naar het ziekenhuis gaan. Maar op dat moment valt hij
weer in mijn armen en ik merk dat hij niet helemaal aanspreekbaar
is. Ik kan nog net bij de telefoon een bel 112. De ambulance is
er heel snel en ze proberen hem te helpen. Hij heeft zo gevochten.
Hij riep maar steeds "Deb, Deb, ik ga dood, ik ga dood".
Een half uur later is mijn lief overleden. Ze hebben nog geprobeerd
hem te reanimeren. Naar later bleek was dat helemaal zinloos geweest.
Mijn Heerco is overleden aan een zwakke plek in de aorta die doorgebroken
is.
Vanaf dat moment is voor mij alles veranderd. Ik weet soms niet hoe ik zonder hem verder moet en ik weet soms niet wat ik voel. Ik voel me vaak heel eenzaam. Het enige wat voor mij vaststaat is, dat ik hem heel erg mis.
Debbie Hartsteen;
e-mailadres: d.hartsteen@chello.nl
13-10-2007
Lieve Monique,
Met verdrietige gevoelens zit ik achter mijn computer. Ik ben net terug van een midweekje Texel met onze beste vrienden. Hoe anders was de vorige midweek die we nog met z'n vieren gedaan hebben op de Veluwe, de week voor Bas ziek werd. Er waren geen tekenen dat hij iets mankeerde. We hadden heel veel plezier, veel gewandeld en gekletst, lekker uit eten, kortom: een geweldige tijd gehad. Toen we terugkwamen werd Bas niet lekker en binnen drie dagen lag hij in het ziekenhuis om nooit meer thuis te komen. Binnen acht weken is hij overleden.
Als troost en herinnering aan de vorige keer hebben onze vrienden mij een midweek cadeau gedaan. Ze bedoelden het zo goed, de lieverds, maar wat heb ik Bas gemist. Haast nog meer dan thuis. Wat had hij graag alle leuke dingen mee gedaan: varen, fietsen, de duinen in, lekker visje eten en zo kan ik nog wel honderd dingen opnoemen. Bij sommige dingen heb ik gewoon zitten huilen van ellende.
Thuisgekomen,
valt alle verdriet weer als een zwaar rotsblok bovenop me. Ik
heb het gevoel of ik weer terug-bij-af ben.
Ik was al met de caravan op stap geweest met de kinderen, dus
ik was al weggeweest, maar dit is toch heel wat anders. Onze vrienden
zijn al zesenveertig jaar onze vrienden en nu moeten we noodgedwongen
met z'n drieën verder. We missen hem zo, Monique. Zal dat
gevoel ooit minder worden?
"Volgend jaar doen we het weer", zeiden ze bij
het afscheid. Misschien voel ik me dan anders, maar ik zal hem
altijd blijven missen als we weer met z'n drietjes op stap zijn.
Altijd dat ene lege plekje
Denk niet dat
ik niet genoten heb. Ik had sterk het gevoel dat hij erbij was.
Hij heeft immers altijd gezegd "als een van ons er niet
meer is, moet de ander voor twee genieten" en dat heb
ik écht geprobeerd, maar oh wat is dat moeilijk.
Dit was de eerste keer met vrienden. Het is anders met je eigen
kinderen, maar voor alles komt een eerste keer. Deze keer heb
ik gehad. Ik denk dat het een tweede keer iets makkelijker is,
maar voorlopig nog niet.
Monique, ik ben blij dat ik dit van me af heb geschreven, ook dát lucht op.
Lieve groeten,
Anneke Jansen;
e-mailadres: bas.en.anneke@wanadoo.nl
05-10-2007
Beste Monique,
Andermaal heb je een thema aangesneden dat tot reflectie aanzet. De uitdrukking 'hand in eigen boezem' heeft in mijn beleving wel een licht negatieve connotatie. Iets anders geformuleerd zou ik het zo willen zien: de mens kan zelf zin, vorm en inhoud geven aan zijn bestaan en draagt daar ook verantwoordelijkheid voor. De mogelijkheden om dat te doen zijn menigmaal groter dan je onder omstandigheden kunt of wilt denken. In een periode van rouw ben je - heel begrijpelijk - letterlijk een zwartkijker. Daarna staat de zon misschien weer hoog aan de hemel.
Na de dood van mijn vrouw, ruim tweeënhalf jaar geleden, heb ik me regelmatig afgevraagd wat is mij 'gewoon' overkomen en waar ben ik zelf de oorzaak van? Het is duidelijk dat als je alle eieren in één mandje doet, dat je dan niet verder komt. Niet alles overkomt je en niet van alles ben je zelf de oorzaak of schuld.
Het is inderdaad
onthutsend om te ontdekken hoezeer je met iemand vergroeid geraakt
kunt zijn. Je weet nauwelijks meer wat van jezelf was, wat van
de partner en wat van samen. Pas als die partner weggevallen is,
realiseer je je hoe bijzonder die twee-eenheid was.
De draaikolk van emoties wordt nog heftiger als je ontdekt dat
je in hoog tempo opnieuw met iemand anders verknoopt kunt raken
zonder jezelf te verliezen of te verloochenen.
Ik ben voor mezelf tot de conclusie gekomen dat veel vriendschappen uiteindelijk toch situationeel bepaald zijn. Waarschijnlijk meer dan ik dacht of hoopte. Verandert het decor of de context, dan worden juist die relaties kwetsbaar. 'In tijden van nood leert men zijn vrienden kennen' is een veelgehoorde uitspraak, ook hier op de Draaikolk. Daar zitten dus mee- en tegenvallers bij.
Ja, ik heb gemerkt
dat bepaalde mensen wegbleven toen de kanker in het lijf van mijn
vrouw wel erg zichtbaar werd. Lag dat aan haar, aan mij, aan ons?
Op dat moment hadden we wel andere vragen te beantwoorden. We
hadden de drempel bewust laag gehouden, dus lag dat maar even
niet aan ons.
Ja, ik heb ook gemerkt dat bepaalde mensen wel extra aandacht
gaven aan de patiënt, maar dat in mindering brachten bij
de partner van die patiënt. Daar kon ik op gezette tijden
behoorlijk narrig van worden. Assertiviteit bood soms wel enige
soelaas.
Ja, ik heb tijdens de intensieve verzorging van mijn vrouw bepaalde
mensen een beetje verwaarloosd. Maar was dat mijn keuze?
Ja, ik heb ook gemerkt dat sommige mensen niet wisten hoe ze zich
een houding moesten geven toen ik eenmaal een jonge weduwnaar
was geworden en uiteindelijk het contact lieten verwateren. Dan
is het moeilijk om vast te stellen wie welke hand in welke boezem
moet steken. Ik vond mijn nieuwe 'rol' soms ook moeilijk. Dat
heb ik later maar geplaatst in de categorie 'collateral damage'.
Schade die het indirecte gevolg is van een bominslag elders. Misschien
had ik het wel kunnen voorkomen, maar dat zou mij veel energie
en moeite hebben gekost die ik op dat moment op een andere plaats
beter kon gebruiken.
Ja, ik heb ook geconstateerd dat er mensen waren die met mijn
nieuwe partner geen raad wisten (terwijl ze daar werkelijk niet
de minste aanleiding voor geeft). Voor hen ben ik zeker niet bereid
om mijn hand in eigen boezem te steken. Die zijn het gewoon niet
waard.
Rouwen wordt meestal gezien als een state-of-mind die te maken heeft met het verlies van een familielid en/of geliefde. Dat is de eendimensionale benadering. Er zijn minstens twee belangrijke facetten van het rouwproces die gewoonlijk onderbelicht blijven: teleurstelling in het begrip, de houding en het gedrag van (een deel van) de sociale omgeving en de confrontatie met je eigen zwaktes en gebreken, want je kunt achteraf wel vaststellen dat je de hand in eigen boezem had moeten steken, maar je hebt het toen niet gedaan of het leverde niets op. Niet alleen ben je buitengewoon onmachtig tegenover de naderende of plotselinge dood, ook de mogelijkheden om de omgeving een beetje naar je hand te zetten blijken uiteindelijk erg beperkt. Het zijn energievreters eerste klas, die alles met complexe sociale interacties te maken hebben en die komen op een moment dat je eigen energieniveau laag is en je optreden is onder die omstandigheden misschien niet zo doortastend en effectief als je gewend was.
Ik heb me maar vastgehouden aan de mensen waar ik wel wat aan had, die het een beetje snapten en met me mee konden voelen. Niet alleen heb ik al vrij snel na het overlijden van Désirée een schat van een vrouw leren kennen, zij bracht ook weer vrienden en vriendinnen mee die aan mijn leven iets toevoegen. Basale pech, intens verdriet en dito geluk zijn elkaar in duizelingwekkend tempo opgevolgd. Voor een groot deel is dat stom toeval geweest, voor het resterende deel was het een vrije keuze, namelijk de keuze om de draad weer op te pakken, om in te zien dat het leven doorgaat en dat je daar zelf verantwoordelijkheid voor kunt nemen, de keuze ook om te willen geloven dat een klavertje vier op een goede dag weer op je pad kan komen. Die moet je dan wel zien staan en zeker niet vertrappen.
Mijn leven lang
zal de vraag me achtervolgen wat heeft deze catastrofe met mij
gedaan en wat heb ik er van geleerd? Het antwoord op die vraag
zal het verdriet niet doen vergeten, maar heeft het wel tot draagbare
proporties teruggebracht.
De hand in eigen boezem dus, niet zo zeer als teken van schuld
en boete, maar vooral om er iets mee te doen in het leven dat
nog voor mij ligt. Maar eerlijk is eerlijk, de engeltjes moeten
je af en toe wel een handje willen helpen
Pieter Lanser, partner (46) overleden op 14 februari 2005, hertrouwd;
emailadres: p.lanser@wxs.nl
05-10-2007
Hallo Monique,
Ik ben alweer bijna een jaar alleen. In die periode heb ik met heel veel verschillende gevoelens geworsteld. Ik praat daar wel makkelijk met anderen over, maar vond nergens zo'n herkenning als in de verhalen in de Draaikolk. Steeds als ik dacht dat wat ik voelde niet 'normaal' was, bezocht ik de site en de bijdragen van lotgenoten gaven me dan weer rust. Het voelt als een soort thuiskomen. Dank aan allen die hun verhaal hebben willen delen door het aan jou op te sturen.
Je artikel spreekt
me erg aan. Ik zit nu in een fase dat ik eigenlijk zelf minder
behoefte heb aan vooral al die telefoontjes. Ik heb wel eens het
idee dat sommigen periodiek in hun agenda zetten dat ze mij moeten
bellen. Waarschijnlijk goed bedoeld vanuit de gedachte dat velen
het na verloop van tijd af laten weten en dat zij daar absoluut
niet bij willen horen. Het komt voor dat ik een hele avond aan
de telefoon zit. Afgelopen zondagavond heb ik voor het eerst de
telefoon niet opgenomen, omdat ik er de energie gewoon niet voor
had. Ik wist wie het was en ook dat het geen kort gesprek zou
worden. Ik voel me er vreselijk schuldig over. Ik moet blij zijn
dat er iemand aan me denkt. Ik merk ook dat ik vooral over Peter
wil praten maar niet steeds weer met hetzelfde verhaal wil komen
en dan maar over andere zaken begin. Soms met het gevolg dat ik
weinig aan een dergelijk gesprek heb.
Ik weet gewoon niet hoe ik hier mee om moet gaan. Ik heb tot nu
toe steeds moeite gedaan om deze contacten te onderhouden en als
ze verwateren moet ik zeker mijn hand in eigen boezem steken.
Ik ben ook bang dat ik die contacten nooit meer terug krijg als
ik het weer wel zou willen. Is dat erg egoïstisch?
Daar tegenover
zijn er ook zeker mensen, vooral familie, waar ik erg in teleurgesteld
ben. Ik denk dat dit vooral komt omdat men niet weet hoe te reageren.
Voordat ik zelf werd geconfronteerd met het plotselinge overlijden
van mijn man was ik zelf ook niet zo attent. Ik heb wel gemerkt
dat je, als je met bepaalde mensen graag contact wil houden, dat
je daar zelf het initiatief voor moet nemen en dat doe ik soms
ook. En ik denk dat het ook zeker zo is dat ik veranderd ben het
afgelopen jaar.
Ik ben als 18 jarige met mijn man getrouwd en ben nooit alleen
geweest. Nu word ik heel erg op mezelf teruggeworpen, maar wie
ben ik eigenlijk? Wat jij schrijft over het vergroeid raken met
je partner, dat gold zeker voor mij, al ben ik me er nu pas van
bewust dat dit zo is. Ik had eigenlijk nog geen eigen ideeën,
opvattingen en gewoonten toen we trouwden en heb die van hem gewoon
overgenomen. Later kreeg ik wel een eigen mening, maar bij alles
wat ik deed hield ik, soms onbewust, rekening met hem. Ik ben
al die 35 jaar dat we samen waren vooral bezig geweest met mezelf
te bewijzen richting hem. Ook dit besef ik nu pas. Ik dacht dat
ik een onafhankelijke vrouw was met een eigen mening, maar was
in mijn gedrag erg afhankelijk van hem.
Nu moet ik op zoek naar een eigen identiteit. Misschien dat anderen
mij niet meer helemaal kunnen volgen in mijn zoektocht naar een
nieuw leven alleen. Ik weet niet wat ik daar aan zou moeten doen.
Ik denk wel eens dat ik liever nieuwe mensen wil ontmoeten dan
energie te steken in het onderhouden van contacten waar ik weinig
aan heb. Dit klinkt ook weer super egoïstisch. Ik heb dit
ook nog nooit tegen iemand durven zeggen, maar hier durf ik dat
wel. Ik ben heel benieuwd of er nog iemand is die dit herkent.
Tenslotte wil ik ook nog even reageren op je laatste alinea waarin je zegt dat je de afwezigheid van je partner erg voelt in gezelschap van anderen. Dat is heel erg waar. Ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld als vorig jaar op eerste kerstdag toen we met de hele familie bij elkaar waren. Iedereen dacht dat het me goed zou doen, maar bij al die 'stelletjes' mistte ik mijn helft verschrikkelijk. Ik wilde het liefst naar huis om met een stel kussens op de bank tegen me aan te huilen en aan Peter te denken. Ik heb dat niet gedaan. Zoals ik zoveel dingen het afgelopen jaar voor de eerste keer moest doormaken zonder hem. En ik moest daar van mezelf aan mee doen. Maar bij elke familiehappening daarna bleef ik dat gevoel houden. Dit jaar zou ik eigenlijk met Kerst het liefst onderduiken, maar zulk gedrag zou zeker niet bevorderlijk zijn voor het onderhouden van contacten
Je ziet wel wat je stukje allemaal bij me losmaakt.
Groeten van
Lies Hoogenhuyzen; e-mailadres: lies@hoogenhuijzen.demon.nl
03-10-2007
Dag Monique,
Graag wil ik reageren op jouw stukje "Hand in eigen boezem?"
Toen Nelline op 16 februari dit jaar plotseling overleed, was
er verbijstering bij een ieder die haar gekend heeft. En de reacties
waren er ook naar: medeleven, troostende woorden, gezegden als
"we zullen er altijd voor je zijn". Ik heb het
allemaal maar over me heen laten komen en ik wist toen al dat
veel reacties, weliswaar goed gemeend en uit het hart gesproken,
niet lang stand zouden houden.
Niemand is uit mijn kennissenkring verdwenen, niemand ontloopt
me. Ik heb me dan ook nooit afgesloten en ben ook geen gesprekken
uit de weg gegaan, maar ik merkte al gauw dat de gesprekken vooral
over de dagelijkse dingen moesten gaan.
Ik weet zeker dat Nelline door velen gemist wordt en aan haar
denken zoals ze was, maar er over praten is een ander verhaal.
Moeten we nu de hand in eigen boezem steken?
Ik probeer me vaak voor te stellen: als ik die ander zou zijn
en ik had niet die ervaring die ik nu heb. Hoe zou ík reageren,
hoe zou ik het gesprek aangaan? Ik denk dat ik daar net zoveel
moeite mee zou hebben. Het is naar mijn mening onmogelijk, zelfs
voor familieleden en goede kennissen, dat iemand zich kan indenken
wat het is je meest dierbare te verliezen.
Begin juni heb
ik de Draaikolk ontdekt en ik vond heel veel herkenning. Het heeft
mij waardevolle kontakten opgeleverd en zo kan er weer een nieuwe
vriendenkring ontstaan. Dat gaat niet vanzelf. Je moet je er voor
openstellen en er veel energie insteken.
Monique, ik en veel lotgenoten zijn je erg dankbaar dat je het
werk van Bert hebt willen en kunnen voortzetten en dat je nu alweer
aan de tiende jaargang bent begonnen. Het onderhouden van de site,
de vele stukjes van jezelf en de vaak indringende stukjes van
lotgenoten, het is allemaal veel en intensief werk. Maar het moet
ook veel voldoening geven als je weet hoeveel lotgenoten je ermee
helpt en hoe je hen zo de mogelijkheid geeft uit hun isolement
te komen.
Monique bedankt!
Vriendelijke groet,
Arend Simons; e-mailadres: asimons@12move.nl
03-10-2007
Hallo Monique,
Hier een reactie op jouw stukje van 1 oktober. Je leven is inderdaad
helemaal veranderd. Zelf verander je mee en dat is een logisch
gevolg, vind ik, van hetgeen je hebt meegemaakt.
Ik wilde graag
iets zeggen over het veranderen van je vriendenkring. Zelf heb
ik gemerkt dat ze je (helaas) heel snel laten vallen. De woorden
die ze zeggen van "we laten je nooit in de steek en zullen
er altijd voor je zijn". Het woordje "zijn"
is een van de meest loze woorden en wordt alleen maar gezegd om
toch iets te zeggen, omdat het zo hoort.
Nu ben ik er ook achter dat ze alleen maar naar ons kwamen om
Dicks hulp te vragen en ik er eigenlijk maar "bij hing",
omdat ik toevallig zijn vrouw was. Je leert in deze situatie gelukkig
wel je échte vrienden kennen, mensen waar je altijd op
terug kunt vallen en dat is véél meer waard.
Ook in mijn geval moet ik het niet meer hebben van mijn schoonfamilie
want ook die is afgehaakt ondanks pogingen van mijn kant. Jammer
maar helaas, denk ik dan maar, terwijl ik toch dertig jaar van
de familie deel heb uitgemaakt, maar ook dat is weer een stukje
afscheid. Dit boek is dicht.
Ik heb heel
vaak de hand in eigen boezem gestoken, maar eens houdt het op
als er toch geen respons meer komt en dat geldt voor familie én
voor vrienden. Je bouwt intussen gelukkig wel een nieuwe vriendenkring
op. Iets wat ik heel erg belangrijk vind.
Ik heb een gedichtje geschreven over "vrienden" wat
ik jou en de medelotgenoten graag wil laten lezen.
Lieve groet,
Lida Groeneveld:
e-mailadres: lida55@home.nl02-10-2007
02-10-2007
Vanmorgen las
ik de nieuwe bijdrage van Monique: ''Hand in eigen boezem?''.
Dat zet mij weer eens aan het denken.
Na Harry's heengaan heb ik oude vrienden behouden en nieuwe vrienden
leren kennen, maar ook zijn er mensen uit mijn leven verdwenen.
Dat zijn bijvoorbeeld kennissen die in die moeilijke periode veel
medeleven hebben getoond, maar later is dat contact weer afgezwakt.
Maar dat begrijp ik wel, hun leven gaat ook gewoon weer door.
Soms lag het ook wel aan mij, hoor. Dan liet ik het verwateren.
Wat ik wél heel erg heb gevonden, en nog steeds doet het
af en toe wat zeer, dat is dat ik het contact met Harry's broers
niet meer heb. Zoals ik al eens schreef heeft Harry nog vier broers,
twee schoonzussen en een neefje en nichtje. Toen alles nog oké
was en Harry nog gewoon gezond overliepen wij elkaar niet, maar
wel vierden wij bijvoorbeeld elke kerst samen en we kwamen ook
bij elkaar op verjaardagen.
Na het heengaan van Harry heb ik een aantal keren naar de broers
gebeld, maar nooit hebben ze míj een keer gebeld. Met eentje
heb ik nog een keer afgesproken en ik ben nog naar een verjaardag
gegaan. Maar verder niks van hun kant uit.
Toen, de eerste de beste kerst, kreeg ik een telefoontje dat de
broers het dit keer onder elkaar wilden vieren oftewel zonder
mij erbij
Ik begreep er niets van en het deed me behoorlijk
pijn. Mijn schoonmoeder, waar ik trouwens wel nog goed contact
mee had, snapte het ook niet zo maar ze koos voor de jongens,
ook al was ze het er niet mee eens, wat ik wel begrijp, hoor,
vanuit haar kant bekeken.
Na die kerst
heb ik nooit meer iets van ze gehoord: geen belletje, geen kaartje.
Totdat mijn schoonmoeder in het ziekenhuis belandde en het slecht
met haar ging. Ineens werd ik weer overal bij betrokken. Helaas
is ze in november 2003 overleden en hebben we een mooi afscheid
gehad. Drie weken later overleed, geheel onverwacht, mijn lieve
vader. Op zijn afscheid zijn alle broers geweest. Daarna heb ik,
tot nu aan toe, nooit meer wat van ze vernomen.
Ik heb er inmiddels ook niet echt behoefte meer aan, maar als
ik eraan terugdenk voel ik nog wat pijn. Het voelt ook zo raar.
Ik heb niemand meer om mij heen van Harry's kant, om het zo maar
te zeggen.
Harry had nog een goede vriend, een oudere man van 80, maar zeer
jong van geest en uiterlijk en in zijn doen en laten. Een echte
levensgenieter. Met hem ben ik bevriend gebleven tot aan zijn
overlijden op 84 jarige leeftijd.
Wat betreft de hand in eigen boezem steken, is dat hier en daar
bij mij ook wel aan de orde geweest, ja. Ik ben best wel wat veranderd
in mijn leven zonder Harry. Je moet het ineens zelf doen, zonder
steun en toeverlaat. Wat assertiever, wat minder verlegen en er
niet meer alleen altijd voor anderen zijn, maar ook af en toe
eens aan mezelf denken. Dan merk je dat sommigen niet meer zo
bij je passen en dan zwakt het contact af. Gelukkig heb ik ook
een paar hele lieve, nieuwe vrienden voor het leven en een paar
oude vrienden die er nog steeds zijn.
Mijn familie heeft mij trouwens altijd gesteund en met hen (mijn
moeder en haar man, de vrouw van mijn vader enz.) heb ik een band
die heel sterk is.
Er komen en gaan mensen in je leven. Dat is, vind en ervaar ik
persoonlijk, gewoon een onderdeel van het leven op zich. Maar
wat ze wel eens zeggen: "in slechte tijden leer je je echte
vrienden kennen", ja, dat heb ik ook ervaren.
Van iedereen die ik heb gekend of nog ken, leer ik en steek ik
wat van op. En de echte vrienden zijn het gouden randje van mijn
leven.
Warme groet,
Suzette Hartog-Been;
e-mailadres: suzettehb@planet.nl
P.S.: Voelt best prettig om weer eens even mij hart te luchten.
En daarom ben ik, en met mij velen, zo blij met de Draaikolk.
Dank.
02-10-2007
Dag Monique,
Voor wat betreft
het volmaken van de 10e jaargang van de Draaikolk: ik doe heel
graag met je mee!
Zoals het elke dag schrijven in mijn dagboek een vast onderdeel
is geworden van mijn leven zonder Wim - ik had tot op het moment
dat ik daarmee begon nog nooit één letter over mijn
dagelijkse doen en laten of over mijn gevoelens op papier gezet-
is de Draaikolk een hele belangrijke "partner" van me
geworden. Beide fungeren ze als praatpaal: voor het ventileren
van de belevenissen van alledag, maar juist ook voor het nadenken
over en reflecteren op belangrijke zaken die me, door de grote
veranderingen die zich in mijn leven hebben voorgedaan, bezighouden.
Het is een poging om alles van mijn leven met en na Wim vast te
houden. Dat wat er gebeurt en tot nu toe gebeurd is, nadat het
gezamenlijke leven fysiek ophield te bestaan, wordt zo een bron
van belevenissen en herinneringen, die ik voortaan altijd kan
raadplegen als ik dat wil.
Dankzij de Draaikolk heb ik mail- en lotgenotencontacten opgebouwd
met veel aardige mensen, die me met hun af en toe zeer persoonlijke
aandacht een hart onder de riem steken. Met een beetje goede wil
kun je dat "troost" noemen, een effect dat hopelijk
over en weer werkt. Ik probeer de bijdragen van de lotgenoten
op de site aandachtig te lezen en te reageren op dat wat me aanspreekt
en waar ik naar mijn idee iets zinnigs over heb te vertellen.
Vervolgens ben ik blij met elke mail die binnenkomt en nieuwsgierig
naar de inhoud ervan.
Je hoofdredactionele
stukje over de veranderingen die zich voordoen ten aanzien van
de contacten met anderen na het overlijden van je partner spreekt
me aan, doordat ik ook veel bezig ben met waar je over schrijft.
De teleurstellingen, die ik heel af en toe moet verwerken, geven
veel stof tot nadenken en ik merk dat het belangrijk is om me,
telkens als blijkt dat mijn verwachtingen te hoog gespannen zijn,
een spiegel voor te houden en mezelf in ieder geval twee vragen
te stellen: Hoe zou ik gereageerd hebben als ik die ander, die
me nu naar mijn gevoel zo onheus bejegent, geweest zou zijn? Wat
zou ik hebben gedaan?
Zijn er omstandigheden, van welke aard dan ook, die er voor zorgen
dat die ander handelt zoals ie handelt en die het gedrag misschien
wel vanzelfsprekend laten zijn en in ieder geval begrijpelijk?
Ik ben ervan
overtuigd dat je, door niet meteen te (ver)oordelen, jezelf ruimte
geeft om milder te worden, ook in algemene zin, als het gaat om
het gedrag van de (een) ander. Het behoedt je voor het nemen van
beslissingen of het doen van uitspraken waar je spijt van kunt
krijgen, omdat ze de relatie voorgoed kunnen beschadigen. Dat
is het laatste wat je wilt, althans als het gaat om mensen die
belangrijk voor je zijn.
Toch ontkom je daarnaast niet aan een uiteindelijk oordeel, eenvoudigweg
omdat je gevoel je dat ingeeft. Ik kan en wil dat niet negeren,
maar doe er vervolgens niet méér mee dan bijvoorbeeld
concluderen dat de betrokken persoon nu eenmaal anders is dan
ik, dat er kennelijk andere zaken zijn op dit moment die z'n aandacht
opeisen etc. Kortom: ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is
en een moreel oordeel past in deze niet. Bovendien neem ik me
altijd voor om het gesprek erover aan te gaan als het gebeurde
me dwars blijft zitten. Ik vind dat ik dat aan mezelf (en in sommige
gevallen ook aan Wim) verplicht ben.
Je mag van mensen,
van wie je denkt of zeker weet dat ze om je geven, verwachten
dat ze hun best doen om de relatie te onderhouden. Je mag zelfs
veronderstellen dat er enige vorm van empathie en attent-zijn
is bij de anderen. Toch ben jij, hoe verdrietig, onzeker en van
je fundament gestoten je ook bent door het verlies van je partner,
aan jezelf verplicht om jouw positieve inbreng te hebben in het
geheel.
Daarmee ontkom je er niet aan om inderdaad af en toe je hand in
eigen boezem te steken. Maar daar word je niet slechter van!
Monique, dank voor je inspanningen voor de Draaikolk!
Geke de Jonge, vrouw, geboren 20 januari 1950; partner Wim (69) overleed 5 september 2006 aan de gevolgen van hartfalen; samen geen kinderen; e-mailadres: gekedejonge@planet.nl
01-10-2007
Het verkopen
van onze motor. Dat was het meest ingrijpende van het afstand
doen van Dicks spullen. Motorliefhebbers weten wat ik bedoel met
deze zin.
Gisteren was er een jaarlijks terugkerend motorevenement. Ik was
er ook bij. Ik zat achterop bij mijn zwager. We delen dezelfde
hobby. Hij nodigt mij vaker uit om een leuke rit te maken. Door
deze ritjes verstoft mijn helm niet te veel en kan ik mijn motorkleren
af en toe weer aan.
Dick was geen man om lid te zijn van een motorclub. Hij vond het
altijd leuker om samen met mij te rijden. We hebben heel wat afgereden
tijdens onze vakanties en tussendoor. Met dit evenement ging hij
altijd graag mee. Zo ook onze zoon, dochter en zwager.
Gisteren zat ik weer bij mijn zwager achterop. Het rijden ging
erg leuk met de groep. Ik keek mijn ogen uit. Er zijn zoveel verschillende
soorten motoren. Het waren voornamelijk mannen. Vier vrouwen reden
zelf, waaronder mijn dochter. Natuurlijk hebben de mannen tijdens
de stops alleen motorverhalen. De één heeft een
nóg sterker verhaal dan de ander.
Tussen de verhalen door hoor ik K. en P. met elkaar praten. P.
vroeg advies aan K. over zijn dochtertje. Ze moest tandjes krijgen.
K. gaf advies over bijtringen
Ik hoorde nog veel meer babyverhalen.
Deze mannen leven niet alleen voor de motor, zo blijkt wel.
Als we naar huis rijden, wil ik in mijn enthousiasme het verhaal
zo graag met Dick delen, maar dat kan niet. Nee, het wordt nóg
pijnlijker voor me. Leuk dat ik bij mijn zwager achterop zit,
maar eigenlijk wil ik met m'n vuisten hard tegen deze rug aan
bonken. Het had Dicks rug moeten zijn! Allemachtig, wat doet dat
pijn. Ik moet mezelf ernstig toespreken en mezelf vertellen hoe
leuk deze dag was en dat ik toch maar bof dat ik dit kan doen.
Met de verkoop van de motor moest ik niet alleen afstand doen
van deze machine, maar ook van onze gezamenlijke hobby. Een heel
belangrijk stuk Dick moest ik loslaten.
Toen hij opgehaald werd, weigerde de motor te starten. Vreemd,
want kort daarvoor deed hij het nog. Kwam er van boven een protestvinger
die hem nog even tegen wilde houden?
Ria Peters; e-mailadres: jilmo@planet.nl
REACTIES binnengekomen in september 2007:
30-09-2007
Lieve Monique,
Het is nu bijna zeven jaar geleden dat mijn lieve Jaap is overleden.
Wij hebben hem in zijn mooiste kleren begraven. Hij hield namelijk
nogal van mooie spullen. Eerst kon ik er niet toe komen om zijn
kleding op te ruimen en toen ik dat na verloop van tijd wel wilde
doen in overleg met mijn dochter, zei ze: "mamma, je kunt
pappa toch niet zomaar wegdoen". Dus toen werd het opruimen
van zijn kleding toch maar uitgesteld.
Na verloop van tijd heb ik toch het een en ander weggegeven. Zijn
wandelschoenen aan zijn wandelvriend (ze hebben dezelfde schoenmaat,
maar de vriend draagt ze niet. Hij heeft ze op zijn werkkamer
staan als herinnering.). Een trui van hem aan zijn zus, die graag
iets tastbaars wilde hebben. Mijn kleinzoon heeft zijn zegelring
gekregen, die zijn moeder voor hem bewaard tot hij 18 is.
Later heb ik via mijn broer nog wat kleding weggedaan, maar zijn
lievelingscolbert en een paar truien zijn er nog steeds. Ik heb
ze in zijn koffer gedaan die ik toch nooit gebruik. Misschien
dat er straks nog wat kleinkinderen zijn die iets van opa willen
hebben. Dan kan ik ze toch iets geven.
Mijn eerste
kleindochter is geboren veertien dagen voordat mijn man onverwacht
is overleden aan een opeenstapeling van ontstekingen die zijn
lichaam niet aankon, omdat hij leukemie had. Zij en haar jongere
zusje moeten soms huilen omdat ze opa zo missen. Wel bijzonder,
omdat ze hem niet echt gekend hebben, maar alleen maar verhalen
over hem gehoord hebben. We praten gelukkig nog steeds over hem
en halen hem nogal eens aan omdat hij zo'n geweldig gevoel voor
humor had. Dat is iets wat ik nog steeds erg mis.
De pijn om het verlies is soms nog heel heftig, maar op andere
momenten kan ik er toch vrede mee hebben dat hij er niet meer
is. Hij zou anders vele chemokuren en uiteindelijk een beenmergtransplantatie
hebben moeten ondergaan en dat zou, gezien hetgeen hem nu is overkomen,
niet goed zijn afgelopen. Zijn gezondheid was al te slecht.
Ik heb hier
inmiddels alweer een potje zitten janken, want dat kan ik nog
steeds erg goed. Het heeft niet alleen te maken met het verhaal
hierboven, maar ik zit even slecht in mijn vel: gisteren heeft
iemand mij aangereden terwijl ik voor een verkeerslicht stond
te wachten. De hufter is doorgereden!
Nou, genoeg gepiept. Ik ga iets leuks doen. Ik kruip achter mijn
naaimachine en ga een mooie top voor mijn quilt maken. Creatief
bezig zijn maakt mij blij en dat moet ik dus vooral blijven doen.
Monique, het
ga je goed, voor zover mogelijk. En bedankt voor de ruimte die
je ons geeft om ons verhaal te doen.
Misschien ga ik de 14de ook wel naar Vorden. Het is toch geen
bezwaar dat ik al wat langer weduwe (wat een rotwoord, hè)
ben?
Groeten,
Ria van de Braak; e-mailadres: rv3l@hetnet.nl
26-09-2007
Voor mij voelt het leven nog steeds raar. Tijdelijkheid en eeuwigheid liggen bij mij door elkaar.
Het is nu ruim
een jaar geleden dat er grote veranderingen in mijn leven hebben
plaatsgevonden. Maar door wat er na die tijd allemaal gebeurd
is en door wat ik heb meegemaakt, is dat jaar opgerekt naar een
eeuwigheid. Het vorige leven is daardoor heel ver weg, behalve
de felle pijn die mij nog wel eens uit balans brengt.
Soms scherven aantreffen en opruimen zonder dat je je vingers
snijdt. Of confrontaties met minder bekende personen die mijn
vrouw wel gekend hebben door studie en sport: "Hoe gaat het
met haar? Ik heb haar een poos niet meer gezien." Nee, dat
klopt
Een "omgekeerd"
vakantiegevoel. Je komt in een totaal andere cultuur. Na een paar
dagen heb je het gevoel en idee dat je al heel lang weg bent.
Alle indrukken van nieuwe belevenissen. Psychisch is dat ook zo,
maar volgens de kalender niet.
Maar wat is waar?
Toch komt er
een moment dat je weer naar huis terugverlangt, naar het 'gewone'
gebeuren. Dat is er niet meer. Je moet verder gaan.
Lodewijk Lagemaat; e-mailadres: ln.lagemaat@solcon.nl
25-09-2007
Dag allemaal,
Op vakantie gaan of niet, kleding wegdoen vroeg, laat of niet. Iedereen doet het op zijn eigen manier. Dat vind ik heel mooi om te lezen. Dat geeft zoveel ruimte, iedereen mag het op zijn eigen manier doen.
Zelf heb ik
vrij snel een aantal mooie dingen aan mijn zoon gegeven. Hij kreeg
voorheen ook wel kleding van Roel en dat voelt heel erg goed.
Ik vind het heerlijk hem in Roels mooie korte jas te zien lopen,
in een trui of met een van zijn mooie overhemden. Zo vertrouwd,
zo helemaal o.k.
Verder heb ik bewust al veel naar Roemenië gedaan en een
paar dingen gehouden en zelfs nog een jack aan de kapstok laten
hangen. Ook helemaal goed. Ik geniet op koude dagen in zijn warme
fleece trui of jack, al ben ik net Klein Duimpje met te grote
laarzen. Voelt ook goed. Ook in de stal hangen nog fleece jacks
en staan nog zijn laarzen. Daar schiet ik regelmatig even in als
het opeens kil wordt terwijl ik buiten aan het werk ben. Ze ruiken
naar paard, zoals Roel ook vaak naar paard rook. Lekker vertrouwd.
Na Roels overlijden
in februari 2006 stortte mijn wereld in. De bodem viel uit mijn
bestaan. Maar doordat ik al een paar keer eerder behoorlijke verliezen
had geleden, "wist" ik dat ik uit elk dieptepunt steeds
weer sterker te voorschijn was gekomen. Voelen kon ik het absoluut
niet, maar de herinnering aan die vroegere ervaringen hielpen
mij wel van dag tot dag te leven. Diep van binnen was er ook een
bepaalde nieuwsgierigheid naar wat het leven mij, na deze totale
ineenstorting, zou gaan brengen. Niks "moois" hoor,
want tegelijkertijd kon ik er mij niks bij voorstellen en de paniek
was regelmatig zo groot.
Zoals ik het gevoel had dat mijn lijf te klein was voor zo' n
grote liefde toen ik Roel leerde kennen, zo was mijn lijf nu te
klein voor zo'n groot verdriet. Soms wist ik letterlijk niet waar
ik het moest zoeken. Lange wandelingen, werken in de tuin, dat
hielp soms het te dragen.
Sinds begin 2007 gaat het langzaamaan beter. En sinds de zomer
met sprongen (drie vooruit, één achteruit, dat wel
natuurlijk). Ik merk om te beginnen, dat ik mijn angsten kwijt
ben. Want het ergste is mij al overkomen, wat kan mij nu nog gebeuren?
Dat geeft veel ruimte en (daardoor?) mijn energie komt terug.
Ik heb weer zin in dingen, er borrelen weer allerlei plannen en
ideeën in mij op. Ik doe nieuwe dingen en met veel plezier.
Soms voel ik me net een puber, lekker gekke dingen doen, een beetje
uit mijn dak gaan en vaak deel ik dat plezier weer met Roel.
Eigenlijk voel
ik mij zelfs anders, sterker, beter dan vóór Roels
dood. Gek om te schrijven, maar ja, het is wel zo. Ik voel dat
hij mij door zijn dood ergens doorheen heeft laten gaan, waar
ik anders nooit aan toe zou zijn gekomen. Met deze kracht moet
ik nog iets doen, mag ik nog iets doen. Wat weet ik niet, maar
Roel heeft daar een vermoeden van gehad en ook met mij over gesproken.
Voorlopig ga ik dus genieten want ook van het werk neem ik op
1 november afscheid. Na lang wikken en wegen, dat wel, maar nu
met tevredenheid, blijdschap en verwachtingsvol. Een paar leuke
dingen heb ik al op stapel staan: mijn eerste zangles afgesproken
en inmiddels ook al gehad. Heel erg leuk en al meteen wat van
opgestoken.
En dat het soms ineens minder gaat, soms zelfs onherkenbaar minder...
Ik accepteer het. Het hoort er bij en het zou zelfs gek zijn als
dat er helemaal niet meer was. En ik weet: er helemaal doorheen
gaan, tot op de bodem voelen en beleven, alle gevoelens voelen,
alle gedachten toelaten, dan komt er weer een moment dat het leven
doorgaat.
Yvonne Kool;
e-mailadres: yvonnekool@orange.nl
23-09-2007
In een paar minuten heb ik mijn ervaring van drie weken geleden op papier gezet. Gewoon, om de ergste allereerste pijn van me af te schrijven. Ik moet wennen aan wat me is overkomen en het inrichten van een ander, voor mij nieuw leven zonder mijn partner.
Donderdagavond
30 augustus. De eerste clubavond voor de start van het voetbalseizoen.
De selecties krijgen een broodmaaltijd en de sfeer is ontspannen,
zelfs mooi en gezellig. Mijn taak zit erop. Mijn man heeft nog
een korte bespreking en met een knipoog naar me en de mededeling
"neem alvast een wijntje. Je ziet het. Het komt allemaal
goed" gaat hij de vergaderkamer in. Ik neem een slokje
van mijn wijn en sta geanimeerd te praten met wat trainers. Nog
steeds een ontspannen sfeer. Alleen
ik ben zo gespannen en
ongerust.
Dan komen de voorzitter en penningmeester naar me toe. "Jenny,
Fred is niet goed geworden. Kom eens mee." Ik schrik,
ga mee, kom binnen en zie het meteen. Maar
dat is mijn Fred
al niet meer. Fred is overleden!
Doordat hij 4 september jarig zou zijn en mijn broertje de 5e trouwt kan de uitvaart pas na een week op 6 september geschieden. Lange dagen die wij, de jongens en meisjes en ik, tezamen met zoveel familie, vrienden, sporters en mensen met een warm hart doorbrengen. De afscheidsdienst was indrukwekkend, emotioneel, mooi, warm, noem maar op.
En nu is het een week verder en moeten we allemaal verder. De zakelijke en financiële werkelijkheid is nog harder dan ik dacht. Tijd om te rouwen daarvoor is er niet. Inmiddels heb ik al een sollicitatiegesprek achter de rug en maandag weet ik of ik een baan heb. Ik hoop dat ik het huis kan houden, de herinnering kan koesteren, de warmte nog lang mag voelen, maar ik ben bang, zo bang.
Gelukkig hebben
we genoten samen. Een fantastische vakantie gehad en elkaar bedankt
voor al het moois. Zomaar op een zomeravond, zonder dat we wisten
dat het einde zo nabij zou zijn.
Ik kan alleen maar tegen iedereen zeggen: houdt van elkaar, zeg
het en geniet van al die mooie momenten, want het kan in één
minuut over zijn. Dat heb ik moeten ervaren.
Jenny Wolsheimer;
e-mailadres: fredenjenny@orange.nl
22-09-2007
Terugrijdend
van het winkelcentrum reed ik mijn straat in. Ik zag opeens de
rij bomen langs de kant van de weg. Ze maken al een herfstachtige
indruk. De bladeren zijn niet meer alleen maar groen.
Ik werd me er opeens van bewust dat ik vorig jaar om deze tijd
geen enkele belangstelling had voor dit fenomeen. De herfst was
begonnen zonder mij, zoals alles doorging zonder mij. Wim was
een paar weken dood.
Nu, ruim een jaar later, is de buitenwereld er weer voor me en
besef ik dat ik moet geloven aan de realiteit van het moeten doorgaan
zonder Wim. Als ik er niet van uit zou gaan dat ik dat kan, was
alle hoop verloren en zou mijn leven stilgezet kunnen worden.
De eerste die dat zou beamen is Wim en wat had hij een vertrouwen
in me! Ik zou het gaan redden alleen. Hij was ervan overtuigd.
Er zit een hele
duidelijke door mezelf aangebrachte cesuur voor wat betreft praktische
zaken tussen mijn leven met Wim van vroeger en mijn leven nu.
Ik heb die scheiding nodig om verder te kunnen.
Voor de voortzetting van de administratie heb ik nieuwe mappen
aangeschaft (aan administreren op de computer, zoals Wim deed,
begin ik al helemaal niet), ik kook met behulp van door mij na
Wims dood gekochte kookboeken, omdat ik geen recepten van Wim
kan maken zonder te huilen en mijn mappen met allerlei werkbladen,
tekeningen etc. voor school blijven voortaan ongebruikt in de
kast staan, omdat Wim me van bijna elke bladzij tegemoet komt.
Ik heb de illusie
dat ik ook een emotionele scheiding heb aangebracht. Hij is van
mij weggegaan, ik ga op mijn beurt weg van hem. Het is haast een
daad voortkomend uit een soort onschuldige rancune; onschuldig,
omdat het Wim niet meer kan schaden.
Dankzij een vertrekpunt bestaande uit de herinneringen aan ons
leven samen, voel ik mij daartoe in staat.
Het door ons beiden ingerichte huis, met meer inbreng van Wim
dan van mij, het gevolg van zijn creativiteit en handigheid, is
een onderdeel van dit vroegere leven en tegelijkertijd mijn toevluchtsoord
van nu. Als ik thuis ben, ben ik bij Wim en zo lijkt het een met
het ander in tegenspraak: ik wil niet anders dan een eigen leven
(en dat niet alleen uit praktische noodzaak!), maar leef verder
op de nagedachtenis en de herinnering aan hem.
Langzamerhand
word ik me pijnlijk bewust van de afstand die er ondertussen,
ondanks (en dankzij?) mezelf tussen Wim en mij is gegroeid. De
ambivalentie in mijn gevoelens, waarmee dat besef van verwijdering
gepaard gaat, accepteer ik als iets wat er kennelijk bij hoort.
Zelf ben ik nog niet voldoende opgebouwd om het gevoel van leegte,
dat het gevolg is van die afstand, te kunnen compenseren door
mijn eigen persoonlijkheid. Ik heb mezelf nog niet voldoende teruggevonden.
Wim is een levende afwezigheid. Hij is er elke dag steeds meer
níet meer en dat voelt koud en kil.
Het volgende
las ik in "De dochters van de schilder" van Anna-Karin
Palm over een overledene:
'Hij zal een liefdevolle herinnering worden en het verdriet zal
vervagen en versmelten met de nieuwe dagen.'
En zo zal het gaan.
Geke de Jonge, vrouw, geboren 20 januari 1950; partner Wim (69) overleed 5 september 2006 aan de gevolgen van hartfalen; samen geen kinderen; e-mailadres: gekedejonge@planet.nl
21-09-2007
Lieve mensen,
Sinds een jaar
is mijn man overleden. Ik weet nog niet hoe ik mijn leven weer
op moet pakken.
Ik was 33 jaar getrouwd. Door een noodlottig ongeval is mijn wereld
ingestort.
Graag zou ik met lotgenoten willen praten.
Dicky Molenaar; e-mailadres: arie.molenaar@wanadoo.nl
19-09-2007
Hoi Monique,
Graag wil ik reageren op je verhaal over het afstand doen van
zijn of haar kleding.
Toen Berthy
- nu bijna vier jaar geleden - overleed, had ze een aanzienlijke
collectie kleren en haar kledingkast puilde uit. Vlak na haar
dood kon ik helemaal geen afstand doen van haar kleding, de herinnering
was te groot. Hoe vaak was ze gaan shoppen en kwam toen weer met
nieuwe kleren thuis. Daar leefde ze voor, vooral als het een koopje
was.
Ongeveer vier maanden na haar dood kwamen mijn moeder en schoonmoeder
met het voorstel om haar kleding weg te doen. Aanvankelijk verzette
ik me daartegen, maar ik begon me toch te realiseren dat ik niet
alles maar kon blijven bewaren.
Toen begonnen ze met het leegmaken van de kast. Ik moest met lede
ogen toezien dat er kledingstukken tevoorschijn kwamen die ze
pas nog had gekocht en nog niet gedragen waren; de prijskaartjes
hingen er nog aan.
Haar kleren
zijn niet weggegooid, maar ook naar Polen gegaan, net als Berts
kleding. De gedachte dat daar mensen heel blij zijn met haar kleren
geeft me toch een gerust gevoel. En ik zou het niet hebben aangekund
als er mensen hier in de buurt in haar kleren rond zouden lopen
en ik dit dan zou zien. Dat zou te pijnlijk voor me zijn geweest.
Groetjes,
Ton Bonné, man, geboren 10 augustus 1955; partner Berthy geheel onverwacht overleden op 28 oktober 2003 aan de gevolgen van een longembolie; een zoon; e-mailadres: ton.bonne@planet.nl
17-09-2007
Voor het eerst
sinds lange tijd weer even op de Draaikolk. Ik geloof niet dat
ik nog ingeschreven ben, maar ik las jouw verhaal, Monique (Hoofdredactioneel
september 2007, red.)
.
Augustus was het alweer vier jaar geleden dat mijn vriendin bij
een tragisch ongeval op de fiets is overleden. Na ongeveer twee
jaar hebben we haar kleren opgeruimd, althans, niet alles want
ik wilde iets in de kast houden. Het zijn de kleren die ze graag
droeg en waarin ik haar graag zag. Nog altijd kan ik er geen afstand
van doen. We hadden beiden onze eigen kamer met computer enz.
en zij haar eigen spullen nog van vroeger en een bureau waaraan
ze zat te werken.
Ik loop nu vaak in die kamer zonder er bij na te denken en soms
natuurlijk om eens rond te kijken. Alles ligt er nog zoals we
samen vertrokken die middag, maar inmiddels zijn er wel wat kleine
details veranderd. Maar het blijft nog altijd haar kamer. Er wordt
dan wel gezegd "ruim het eens op" (niet op die
toon), maar het blijft moeilijk om dat te doen. Misschien omdat
het tastbaar is en je wilt het vasthouden omdat het nog iets is
wat ruikt naar haar en hoe ze aanwezig was.
Er zei eens iemand tegen mij "je moet er de tijd voor
nemen" en dat doe ik dan maar, al zal dat nog even duren.
Ik wil er niet aan denken en ik ben bang dat ik dan niets meer
heb, alleen de goeie herinneringen.
Groet,
Peter van Gent; e-mailadres: pvgent@orange.nl
13-09-2007
Het is bij mij
nog niet zo lang geleden dat ik de kleding van Sip heb weggegeven.
Het was enkele maanden na zijn dood dat ik de eerste helft aan
het asielcentrum heb gegeven. Van veel dingen kon ik geen afstand
doen, maar omdat het zo was dat ik alle winterkleding in dozen
moest doen, omdat de ruimte die ik had te klein was, zag ik toch
in dat het alleen maar uitstel was.
Nu heb ik er een goed gevoel over, maar wat heb ik het moeilijk gevonden. Alleen zijn geitenwollen sokken heb ik bewaard. Mijn voeten blijven warmer en hij is nog een beetje bij me...
Groetjes van
Nel Gorter;
e-mailadres: nel.gorter@hetnet.nl
11-09-2007
Dag Monique,
Iedereen wiens partner overlijdt krijgt ermee te maken: wat doe
ik met zijn of haar spullen, kleding in de eerste plaats?
De eerste gedachte die door mijn hoofd schoot was: de meeste kleding
heeft uiteindelijk alleen maar waarde voor degene die haar past:
letterlijk in de maten, maar ook in de stijl, stof en kleurstelling.
Vind ik het al vervelend om iemand op straat te zien lopen in
precies eenzelfde jas als ik heb, als die kleding me dan ook nog
moet herinneren aan mijn overleden geliefde dan doet dat extra
pijn.
Veel van wat
in de kledingkast lag of hing bleek voornamelijk functioneel.
Voor een paar mooie dingen gold dat niet. We hebben eens een halve
middag in de stad om een prachtige mohair trui heen gedraaid.
Zoveel twijfelzucht stond eigenlijk haaks op onze besluitvaardigheid.
Vlak voor sluitingstijd besloten we om hem toch te kopen. Ik heb
de trui bij wijze van gebaar aan een goede vriendin meegegeven
en me daarbij niet willen afvragen wat zij er mee zou gaan doen.
Omgekeerd kochten we ooit in een flits, maar in volle overtuiging,
een dure, prachtige, warme en ook degelijke winterjas. Een echte
'eye catcher'. Irrationeel, maar het kon. Ook die is naar een
vriendin gegaan.
Een paar dingen heb ik gehouden: een shawl, een jas, een zeiltrui.
Stukken die vooral een goede herinnering ophalen.
Het grootste deel van de kleding is al vrij snel naar de inzameling
gegaan.
Ik heb wel behoefte aan herinnering, maar niet te veel aan herinnerd
worden. Mijn neus kan zich nog op elk moment van de dag herinneren
hoe Désirée rook, hoe mijn vader rook, hoe mijn
oma rook, mijn tante, etc. Daar heb ik geen kledingkasten voor
nodig. De beste herinnering is de geur van iets of van iemand.
Het verdelen van de fysieke nalatenschap werd enigszins gecompliceerd door mijn schoonouders die hun enige kind verloren hadden. Zij zaten er heel anders in. Parafernalia uit haar kindertijd deden mij niet zo veel. Zij waren de ouders, dus zij wilden die dingen 'terug' hebben. Ik kon daar makkelijk afstand van doen, ik was er niet aan gehecht, maar de gekozen bewoordingen deden me wel erg pijn.
De herinnering
aan Désirée zit voornamelijk in mijn hoofd. Daar
heeft ze een mooie plaats gekregen. Daar is ze van waarde voor
de rest van mijn leven. De herinnering is als een kledingstuk:
louter van waarde voor wie het past en het met waardigheid weet
te dragen.
Pieter Lanser, partner (46) overleden op 14 februari 2005, hertrouwd;
emailadres: p.lanser@wxs.nl
11-09-2007
Vandaag lees
ik weer eens even de laatste bijdragen op de Draaikolk. Wat een
ontroerende en regelmatig ook herkenbare verhalen.
In een bijdrage over kleding van je partner wegdoen of bewaren,
schrijft Marijke dat ze het liefst eigenlijk bepaalde spulletjes
van haar man in het graf had meegegeven.
En ineens dwalen daardoor mijn gedachten af naar het afscheid
van Harry.
Ik heb in zijn kist zijn zaklampje (wat hij altijd bij zich had),
zijn Swiss-pas (hij reisde daarmee elk jaar een weekje naar Zwitserland)
en nog een paar persoonlijke dingen bij hem gelegd. Ook een foto
van de poes die we toen hadden. Hij was echt gek op dat beestje.
Het voelde toen goed om dat te doen. Nu ik daaraan terugdenk,
voelt het nog steeds goed. Eigenlijk heeft toen niemand er iets
over gezegd of gevraagd. Ik denk dat men het zonder uitleg wel
begreep.
Wat de poes betreft, die is vorig jaar maart helaas ingeslapen
en ik heb de as van haar bij het graf van Harry uitgestrooid.
Dat was zijn wens. Misschien zijn er mensen die dat wat raar vinden,
maar ik vond dat ik me aan die wens moest houden en het deed me
goed.
Ik heb weer een nieuwe poes. Ze is 15 en een poepie. Ik heb bewust
een oudere uit het asiel genomen, omdat ik vond dat deze oudere
poezen ook nog recht hebben op een paar jaartjes geluk. We zijn
inmiddels de beste maatjes.
Lieve groet,
Suzette
Hartog-Been; e-mailadres: suzettehb@planet.nl
10-09-2007
Hallo Monique
Bijzonder, dat verhaal van je over het wegdoen van de kleren van
Bert. Natuurlijk wil je ze houden, maar dan blijft er geen ruimte
meer voor jezelf en voornamelijk emotioneel kost het veel "ruimte".
Fijn dat er weer andere mensen gelukkig mee zijn, maar dan wel
ver van huis.
De kleren van
Benno heb ik vrij snel "verdeeld". Mijn zoon heeft wat
gekozen en nu, na zeven jaren, wordt een van de colbertjes van
Benno weer aangetrokken door hem. Dat voelt heel goed, maar hij
had er lange tijd voor nodig. Gelukkig kon hij in het koude Finland
de loden jas van Benno goed gebruiken. En ik vind hem heel bijzonder
als ik hem daarin zie lopen.
Mijn zwager (Benno's broer) kon alles wel gebruiken, maar die
heb ik alleen wat pyjama's en een badjas meegegeven. Ik wilde
niet geconfronteerd worden met kleren van Benno door zijn broer
gedragen. Zo ging het bij mij.
Ik heb mijn bijdrage aan je sites voldaan met iets extra's want
ik wil zo graag dat je doorgaat met de Draaikolk. Het heeft ons
geholpen en daar kunnen we niet dankbaar genoeg voor zijn.
Dag lieve Monique. Heel veel geluk voor jou.
Knuffel van Gerdi Leussink; e-mailadres: gerdileussink@zonnet.nl
09-09-2007
Door te reageren op een verhaal van iemand op de Draaikolk kan daar iets goeds van komen.
Samen met iemand praten via de mail doet mensen goed. Je kunt allebei je gevoelens en je emoties delen. Dit is zo belangrijk in deze moeilijke fase van je leven. Er kunnen ook vriendschappen door ontstaan en ook dat is heel erg waardevol. Als je elkaar wat beter leert kennen door een persoonlijke ontmoeting kunnen er positieve dingen uit voortkomen, bijvoorbeeld om dingen samen te gaan ondernemen die je alleen niet meer wilt doen, zoals eens een wandeling maken of uit eten gaan of andere leuke dingen die het leven weer een beetje aangenaam maken. Ook kun je hierdoor mensen uit hun isolement halen en eens een zondag, wat voor de meeste van ons de akeligste dag van de week is, samen doorbrengen.
Met bovenstaand verhaaltje wil ik eigenlijk alleen maar zeggen: het is misschien best wel een drempel voor veel mensen om contact met een lotgenoot te zoeken, maar het is het, zeker in mijn geval, dubbel en dwars waard. Ik ben tenminste blij dat ik deze stap gezet heb. Het heeft me een goeie vriendschap opgeleverd.
Ik hoop dat
dit een aansporing is voor mensen die twijfelen om deze stap te
zetten.
Alleen is maar alleen, dus probeer nog iets van je leven te maken.
Het leven is het waard. Jíj bent het waard.
Lida Groeneveld; e-mailadres: lida55@home.nl
09-09-2007
Hallo Monique,
Herkenbaar is zeker jouw verhaal over het weggeven van zijn kleren
(Hoofdredactioneel
september 2007, red.)
.
Door omstandigheden ging ik zijn as naar Ghana brengen en nam zijn kleren mee want ook daar waren ze arm. Mijn moeder, die nog geen jaar daarvoor overleed, had ook nog zoveel kleren en ik vond dat een goede gedachte: de as van mijn man waar hij wilde en de kleding van hem en mama meenemen voor die armen.
Stom van mij
om er daar dan maar van af te willen en dus alles meteen maar
uit te delen. Tja, behalve de as en het verdriet zag ik in het
hele dorp ook nog eens niets anders dan mannen in de kleren van
mijn overleden echtgenoot en vrouwen in de kleren van mijn eveneens
overleden moeder. Zij voelden zich zeer rijk hiermee, maar wat
was ik ongelukkiger dan ik al kon zijn. Het was goed, maar wat
deed dat zeer...
Groetjes,
Marjan Eijgensteijn; e-mailadres: f2h2katten@hetnet.nl
09-09-2007
Lieve lotgenoten,
Om te beginnen vind ik lot"genoten" zo'n raar woord, omdat de reden van lotgenoot zijn altijd slaat op iets vreselijks dat je aan het meemaken bent. Maar ja, dit is het woord nu eenmaal.
Toen ooit onze
lieve poes bij de dierenarts moest "inslapen", voor
mij volslagen onverwacht (voor Jan niet), heb ik bij thuiskomst
de voorraad kattenvoer, kattenbak, etens- en drinkbakje meteen
in de vuilnisbak gestopt. Meer gebruiksspullen had het dier niet.
Jan had zoveel bezittingen waarvan ik nog steeds denk: lieverd,
je bent vergeten je schoenen mee te nemen, je nieuwe organizer,
je muziekboeken, je sleutels, je visitekaartjes, je vaders horloge
enz. Het liefste had ik hem dit meegegeven in het graf, omdat
hij dat allemaal toch bij zich moet hebben. En aangezien dat hier
niet gebruikelijk is, zoals in het oude Egypte, tja, dan moet
het bewaard worden voor als hij terug mocht komen. Rationeel denken
staat vaak lijnrecht tegenover je diepste gevoel. Maar ja, je
laat tegelijk ook je "gezonde" verstand spreken.
Ik heb aanvankelijk
korte metten gemaakt met de kleren die Jan droeg tijdens zijn
laatste weken. Meteen in vuilniszakken, niemand mocht het meer
in handen krijgen. Alleen zijn fleecejasje, waarin je hem kon
uittekenen, draag ik nu als ik het thuis koud heb. Het ruikt niet
meer naar Jan, hoe ik ook snuffel.
Een aangetrouwde neef van de volgende generatie is heel blij met
Jans schoenen, zijn zwarte leren jasje, zijn zwarte kostuum. Deze
neef is predikant en zegt dat hij beter preekt als hij Jans schoenen
aan heeft. Dat doet goed, ook al geloof ik het niet. Zwagers dragen
nu zijn fietskleding en hebben ook zijn fietsen. Ik moet altijd
slikken als ik ze zie, ze horen gewoon bij Jan.
In de laatste vakantieweek is de sportfiets, waarmee Jan zichzelf
een jaar voor zijn dood verwend had, gestolen van een camping.
Beroerd voor mijn zwager, maar ik vind het niet erg. 'Uit het
oog, uit het hart', denk ik stiekem. Ik hoef die prachtfiets niet
meer te zien met de "verkeerde" berijder.
Kleine persoonlijke
bezittingen, zoals paspoort, rijbewijs, zonnebrillen, leesbrilletjes,
zijn fietsshirt (waar ik op de tandem altijd tegenaan keek) zitten
in zijn leren versleten reiskoffertje. Nu denk ik aan goede bestemmingen
voor zijn prachtige piano en klavecimbel, zijn muziekboeken, zijn
complete verzameling Bommelboeken, alle boeken van Vestdijk. Soms
heb ik een energieke bui waarin ik spullen aanbied op Marktplaats.
Deze zaken zijn een belangrijk punt als je geen kinderen hebt.
Ik wil mijn nalatenschap goed geregeld hebben en ben daar toch
wel veel over aan het denken. Besluiten erover nemen is nog erg
moeilijk.
Marijke Verhaak
Marijke Zuidema-Verhaak, vrouw, geboren 7 juni 1943; partner Jan (60) overleden op 24 mei 2005 aan carcinoïd, geen kinderen; e-mailadres: zuiver@tiscali.nl
07-09-2007
Hallo Monique,
Even reageren
op jouw stuk over kleding wegdoen.
Zelf heb ik Dicks kleren na een jaar ook nog allemaal in de kasten.
Ook zijn schoenen staan nog in zijn eigen schoenenkast. Tegen
mij wordt ook gezegd: "moet je dat niet een keer opruimen
want je kijkt er steeds weer tegen aan". Maar voor mijn
gevoel lijkt het me erg moeilijk om dat zomaar weg te doen. Ik
heb nu nog het gevoel dat als ik thuiskom en de deur open doe
en zijn jas hangt aan de kapstok, dat hij er toch nog een beetje
is. Ik weet ook wel, zoals zovelen zeggen: "je steekt
je kop in het zand want hij komt niet meer terug, hoe graag je
dat ook zou willen".
Ik heb alles
met veel tranen in een kast gedaan en er een stoel voor gezet
zodat niemand erbij kan. Voor mezelf heb ik besloten, dat als
ik zover ben om het op te ruimen, dat ik een kennis bel om het
op te halen want die heeft weer kennissen in Polen die het weer
goed kunnen gebruiken. Zoals ik er nu nog over denk, hoeft het
nog niet want er staat immers geen tijd voor wanneer je zoiets
doet. Maar misschien denk ik daar met één of twee
maanden anders over. Ik zie wel wanneer de tijd er rijp voor is.
Groetjes en heel veel sterkte.
Riny van Tongeren, vrouw, geboren 4 september 1945; partner Dick (61) overleed op 7 juli 2006 door een hartstilstand; twee volwassen, uitwonende kinderen; e-mailadres: rinyvtongeren@home.nl
07-09-2007
Kleding wegdoen.
We hebben er allemaal mee te maken, want waarom zou je het bewaren?
Ik was er al vrij snel zeker van dat Geerts kleren weg moesten.
Als ik de kast opentrok en alles zag hangen, dan werd ik daar
niet goed van. Al drie dagen na de begrafenis liep ik hier door
het huis (natuurlijk met mijn ziel onder mijn arm, het gemis was
zo enorm en het zorgen voor was over) me af te vragen wat ik kon
doen en dat was dus de kleren van Geert bij elkaar pakken. Eerst
in zakken en toen dat klaar was vroeg ik me enorm af of ik hier
wel goed aan deed. Ik voelde me zo schuldig. Dus de zakken eerst
maar naar de logeerkamer om vervolgens aan iedereen de bevestiging
te vragen of ik hier goed aan deed. Natuurlijk kon niemand mij
adviseren. Ik moest het op míjn manier doen en daar hadden
ze natuurlijk ook gelijk aan.
Na drie weken
heb ik de zakken weggebracht, het voelde echt heel raar. Ik heb
niet alles weggedaan; een vest die Geert zo vaak droeg en een
trui die ik nog niet gewassen had heb ik gehouden. En die trui
zal ik ook nooit meer wassen!
Geerts jas, waar ik hem in heb leren kennen, hangt nog aan de
kapstok, zijn schoenen eronder. Ik heb daar vreemd genoeg niet
een raar of triest gevoel bij. Het is zo normaal dat het daar
is. Ik weet dat als ik er aan toe ben die schoenen weggaan, maar
die jas zal altijd een onderdeel van de kapstok blijven.
Geert is eerder
getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw is veertien jaar geleden plotseling
overleden. Ook van haar heb ik nog kleding en wel haar trouwjurk
en alles wat daar bij hoort. Het was nooit de vraag of dit weg
moest. Het was heel normaal dat het overal mee naar toe verhuisde.
Nu weet ik niet wat ik ermee moet. Tot op de dag van vandaag heb
ik me dat eigenlijk ook nog niet afgevraagd en ach, morgen zal
ik er wel niet meer aan denken, maar ik denk dat het gewoon hier
in huis blijft. Eens was iemand daar zielsgelukkig in. Net zoals
de trouwpakken van Geert. Ook die doe ik vast niet weg. Ik heb
er geen zicht op en dat maakt het misschien ook gemakkelijker
om ze te bewaren.
Anja de
Graaf; e-mailadres: geertdegraaf@versatel.nl
06-09-2007
Dag lieve Monique,
Zijn kleding
wegdoen, dat gaat niet zomaar bij mij. Telkens iets.
Ik ben begonnen met zijn schoenen en daarna heb ik het gevraagd
aan mensen die dichtbij Henk stonden en die iets van hem wilden
hebben. Een vriend was heel dankbaar een trui van Henk te kunnen
en mogen dragen. Daar was ik weer zo blij mee, dat iemand hem
zo lief had gehad en dat kon.
De bergschoenen wandelen aan de voeten van onze beste vriend.
Henk had op zijn laatste dag elk kind als afscheid een aandenken
geven en had voor de kleinzonen armbanden laten kopen om die te
geven. Ik kan jullie vertellen dat het emotioneel was. Een voor
een liet hij ons komen, ook al waren het zijn laatste uren. Zo
dapper. In onze handen legde hij zijn armbanden en ketting en
hij bedankte ons voor de goede zorgen. Nu zijn mijn kinderen er
blij mee, maar in het begin was het heel moeilijk.
Daar sta je dan met een kast vol kleren. Henk was graag zo mooi
en ik kon het niet uit de kast krijgen. Maar ik merk, nu ik zestien
maanden verder ben, dat ik steeds stap voor stap wat weg kan doen.
Zijn nog niet gedragen kleding hangt er nog en nu ben ik zover
dat ik zeg: "schuif een eindje op in de kast".
Als ik eerlijk ben, voelt het nog goed dat er iets van hem is.
Niemand kan zeggen hoe je het moet doen, maar ze hadden mij gezegd:
"Wil, op jouw tijd". En dat was een goede tip.
Henk had de kleding van zijn eerste vrouw een dag na de begrafenis
uit boosheid verbrand en wat hebben wij het daar vaak over gehad.
Daar had hij zo'n spijt van, maar hij heeft het niet kunnen verdragen
dat zij binnen acht weken was gestorven en begraven
En omdat
ik dat wist, dacht ik vaak: ik doe het zoals ik het wil.
Mijn kleinkind Mats greep zijn leren pet van de kapstok en zette
die op om niet meer af te doen. Die pet van zijn opa "Moestas"
moest mee naar zijn huis. Het hing hem over zijn oren en wij huilden
van verdriet, zo'n klein manneke die Opa's pet wou. De eerste
tijd als hij kwam, zette hij de pet op en als ik zei: "doe
de pet maar af, Mats" greep hij met zijn kleine handjes
de pet vast en zei: "nee Omi!"
Wij volwassenen snapten er niets van, maar we zijn blij dat wij
het zo hebben gelaten. Hij had een hechte band met opa. Nu hangt
hij aan een haakje op zijn kamer en is het goed voor hem. Het
was voor ons erg indrukwekkend om te zien hoe hij opkwam voor
zijn opa's spullen. Kinderen doen het op hun manier en daarom
volgde ik hem. Het is een hele opgave, maar mijn gevoel zegt:
Wil, het komt goed. Ook ík gaf truien mee naar Rusland.
Ik ben nog graag op zolder om even rond te kijken, om even te
voelen hoe fijn het samen was. De tijd komt stap voor stap en
ik vertrouw erop dat ik het goed doe.
Op 25 september
ga ik naar Turkije om daar afscheid te nemen van onze gezamenlijke
vakantie voordat hij ziek werd. Velen kunnen het niet begrijpen
dat mijn verlangen om dit te doen voor mij een vorm van verwerking
is. Ik weet dat ik de juiste beslissing neem en Henk zou zeggen,
net zoals ik op een briefje bij zijn kentekenbewijs vond: "mijn
liefste, ik ben trots op jou!"
Vanavond ga ik weer zingen bij ons koor.
Lieve mensen, doe allemaal zoals je het zelf voelt en blijf dicht
bij jezelf met je gevoel.
Lieve groetjes ,
Wil van den Burg-ten Hoven, vrouw, geboren 13 december 1940; partner Henk (66) overleden op 30 april 2006 aan mesothelioom (asbestkanker); twee volwassen, uitwonende kinderen, uitwonend; e-mailadres: odw71zwl@hetnet.nl
05-09-2007
Dag lieve Monique,
Wat leuk. Alweer
een nieuwe pagina geopend en met een heel herkenbaar motief.
Natuurlijk ging ik in eerste instantie alle kleding even nakijken.
Maar omdat Peter al in een verpleeghuis had gewoond gedurende
elf maanden was toch ook heel veel uit huis. Men wilde dat ik
de tien vuilniszakken met alle kleding (je moet wel 20 hemden,
ondergoed etc. hebben en 12 pantalons en dito shirt, vesten etc.)
mee zou nemen, evenals zijn stoel. Dat laatste, daar heb ik voor
moeten vechten om het mee te geven. En uiteindelijk wilde ik de
stoel onder geen beding weer mee terugnemen.
Hoe vreemd het ook klinkt, ik wilde niets meenemen. Ik was heel
boos over de slechte verzorging en meerdere dingen die mis waren
gegaan. "Stuur maar naar Polen", was mijn antwoord
en zo geschiedde. Dus Monique, ook in Polen zal men met de spullen
van Peter hopelijk gelukkig zijn. Toen ik naar mijn huidige woning
verhuisde heb ik ook al zijn boeken, LP's, opgenomen bandjes,
CD's e.d. aan de bazaar van de kerk gegeven. Het heeft al met
al een aardig bedrag opgebracht, dus weet ik zeker dat Peter hier
zijn goedkeuring aan had gegeven. Hij hield van zijn kerk en de
mensen daar.
Nu bezit ik alleen nog zijn lievelingsdassen (twee stuks), zijn
ring en horloge. Het is genoeg. Want ik weet niet hoe anderen
het kunnen. Ik zou kapot gaan aan de herinneringen als ik nóg
meer van hem in huis had en het dagelijks zou zien.
Hij woont in mijn hart met alle dierbare herinneringen. Dat is
ook mede reden geweest om te verhuizen. In het bekende huis blijven,
waar al ons lief en leed zich heeft afgespeeld. Neen, dat kon
ik niet. Ben benieuwd hoe anderen hiermee omgaan. Ik heb er steeds
meer vrede mee en vind juist in deze, andere woonomgeving, wat
rust. Ook al moet ik na twee jaar wonen in dit complex toch nog
altijd wennen.
Hoewel hij vóór zijn slechte periode van denken en weten had gezegd: "meisje, zoek een andere man als ik er niet meer ben, je moet niet alleen blijven" en ik er het laatste jaar inderdaad moeite voor doe, blijkt dat het niet meevalt een nieuw maatje te vinden. We zullen moeten afwachten wat het leven brengt.
Dit is dan mijn verhaal over kleding en andere zaken van je overleden lief.
Hartelijke groeten voor allemaal, kus voor Monique!
Bo Konings-Stolk, vrouw, geboren 10 januari 1931; partner Peter (1925) op 14 augustus 2004 overleden aan Alzheimer; e-mailadres: bo.stolk@hetnet.nl
04-09-2007
Ik heb veel verhalen gelezen over de moeite die lotgenoten hebben met vakantie. Over caravans, het gemis van de overleden partner, het lege gevoel, het rotte gevoel en de pijnlijke herinneringen.
Mijn vakantie startte 21 juli. Mijn zoon ging een weekje op kamp en ik was dus alleen thuis. Ik was veel van plan, maar daar kwam niet veel van terecht. Doordat ik alleen was en niets moest, ik had immers vrij, werd het een pittig weekje. Ik werd, zoals dat zo mooi heet, op mezelf teruggeworpen. De tranen heb ik laten komen, het verdriet was groot, maar ik dacht wel: het is wel goed om zo dicht bij jezelf te komen en de pijn en het verdriet eruit te laten komen.
Ik was heel
blij toen ik mijn zoon weer kon ophalen. Hij heeft een leuk kamp
gehad en kwam thuis met een schorre stem. Samen hadden we veel
zin in onze vakantie die anderhalve week later zou beginnen. We
zijn twee weken naar het mooie eiland Terschelling geweest samen
met een vriendin en haar twee kinderen (haar oudste zoon is een
vriend van mijn zoon). Ik had lang niet meer gekampeerd in ons
eigen kikkerlandje en had wel gezorgd voor een luxe huurtent met
bedden en ander gemak zoals een koelkast. Ik had me voorgenomen
er absoluut een leuke vakantie van te maken.
En ik ben blij te kunnen vertellen dat het ook een fijne en leuke
vakantie is geworden. Het weer werkte mee. We hebben een aantal
mooie stranddagen gehad, af en toe een beetje regen. En de wind
zorgt er vaak voor dat de bewolking verdwijnt.
De kleine camping was gezellig, de tent was prima en de kinderen
hebben zich ook prima vermaakt. Ik ben met mijn zoon en zijn vriend
een avondje naar Hessel' s café geweest en ik heb genoten
van zijn optreden. Veel ouwe nummers, heerlijk om naar te luisteren.
In een ander
opzicht was deze vakantie ook goed voor me. Kamperen, je bent
volop in de buitenlucht en dat maakt hongerig en geeft een gezonde
vermoeidheid in de avond. Ik had het gevoel dat alle vermoeidheid
naar buiten kwam. Mijn vriendin is een ochtendmens, maar ook ík
was uiterlijk tien uur op en dan goed ontbijten, later goed lunchen
en 's avonds goed avondeten. En wat ook een grote verandering
was in vergelijking met het afgelopen jaar: ik ging op een normale
tijd m'n slaapzak in en lag ook geen uren wakker!
Natuurlijk heb ik Jan gemist. Hij zit nog steeds in me en ik denk
iedere dag aan hem. Even heb ik me daardoor naar gevoeld, maar
ik weet ook dat hij het ons zo zou gunnen en dat hij gewild zou
hebben dat wij plezier zouden hebben.
En dat is gelukt. Het was een fijne vakantie.
Met groet aan alle Draaikolkers.
Marion Blansjaar, vrouw, geboren 19 juli 1956; partner Jan (63) overleed op 15 november 2006 aan darmkanker; een thuiswonende tienerzoon; e-mailadres: m.g.blanssjaar@planet.nl
02-09-2007
Lieve Monique,
Net las ik jouw bijdrage over het wegdoen van de kleding van je
partner. Ik kan me nog herinneren hoe dat toen, acht jaar geleden,
bij mij ging.
Ik heb redelijk
snel de kleding van Harry weggedaan. Het deed me te veel pijn
steeds weer zijn kleding in de kast te zien hangen. Ik heb wat
mooie vesten aan mijn stiefvader gegeven en de rest heb ik naar
de kledingbak gebracht. Ik heb ook wat bewaard: zijn trouwcolbert,
een bepaald vest, zijn jas en een paar truien. Van die kledingstukken
kon ik geen afstand doen en ik zal er ook nooit afstand van doen.
Dat geldt trouwens ook voor bepaalde andere spulletjes van hem,
zoals zijn horloge, leesbril, bowlingbal, sloffen en een petje.
Ik zou me, hoe zeg ik dat, kaal voelen als ik die dingen niet
meer zou hebben. Er zou dan fundamenteel iets ontbreken in mijn
leventje, althans, zo voelt dat.
Afgelopen jaar vond ik op zolder, in een hoekje verborgen, ineens
nog een shirt van hem en... tranen.
Ook heb ik bijvoorbeeld nog een klein envelopje waar hij, toen
hij ziek was, iets op heeft geschreven, namelijk dat er reserveknoopjes
van een bepaalde broek in zaten. Hij schreef trouwens steeds slechter
terwijl hij van nature een prachtig handschrift had. Het klinkt
wellicht raar, maar dat is iets wat ik ook nooit meer weg zal
doen. Verder heb ik ooit een keer een mooie liefdesbrief gehad
van hem. Deze staat ingelijst op de kast.
Persoonlijk hecht ik best wel aan bepaalde dingen die herinneren
aan dierbaren die er niet meer zijn. Het hoeft maar iets heel
kleins te zijn, hoor. Van mijn oma heb ik een klein beeldje van
stof wat ik altijd zo mooi vond als ik als kind bij haar logeerde.
Van de andere oma heb ik oorbelletjes die ze altijd droeg en haar
tas. Van opa een gedichtje dat hij ooit eens voor me schreef.
En van mijn vader een pen. Zulke dingetjes betekenen voor mij
nostalgie en hebben vooral emotionele waarde. Maar ook zonder
deze kleine herinneringen zitten deze lieve mensen natuurlijk
sowieso in mijn hart.
Nou, ik ga stoppen. Ik moet nog wat strijken want morgen ga ik
lekker een weekje weg naar een vakantiehuisje van mijn vader en
zijn vrouw. Het ligt in de bossen nabij Lelystad. Hoop daar even
te relaxen want ik zit momenteel iets minder goed in mijn velletje,
maar dat komt wel weer goed, hoor.
Groet aan jou Monique en aan alle lotgenoten.
Hou jullie taai
en sterkte hè!
Suzette
Hartog-Been; e-mailadres: suzettehb@planet.nl
02-09-2007
Hallo Monique en alle andere lotgenoten,
Kleding wegdoen
van je partner is eigenlijk het eerste waar je mee begint wanneer
het besef tot je doordringt dat hij of zij er niet meer is en
zijn kleren niet meer nodig heeft.
Ik heb heel lang gedacht dat Martien terug zou komen en dan had
hij toch kleren nodig? Maar ja, zijn schoenen en zijn jas bleven
daar maar ongebruikt en elke keer keek ik er naar. Pijnlijk, omdat
je wist dat er geen gebruik meer van gemaakt zou worden. Aan de
andere kant vertrouwd want zo was hij toch nog aanwezig
Ik heb Martiens
kleding eerst verhuisd naar een andere kast in een andere kamer
en daarna in zakken gedaan. Niet in één keer maar
geleidelijk. Het moeilijkst vond ik onze trouwkleding die er nog
altijd hing.
Maar toen mijn verhuizing zich aandiende, vond ik dat er een andere
bestemming voor gevonden moest worden. Ik bracht ze naar een tweedehandse
kledingwinkel. Wie weet is het verkocht. Dat weet ik niet en is
ook niet belangrijk. Die herinnering blijft toch in je hart en
de foto's en de DVD zijn er ook.
Ik heb nog lang met een trui van Martien geslapen. Zijn geur was zo nog bij me, ook al deed dat pijn. Kleren of niet, de herinnering blijft, wat hij ook droeg.
Veel sterkte voor diegenen die deze stap nog willen nemen, maar het nog niet kunnen.
Veel liefs,
Simone Schoen;
e-mailadres: sischo@zonnet.nl
01-09-2007
Hallo Monique,
Kleding wegdoen, wéér een stukje rouwverwerking.
Maar wat was
dat ook moeilijk. In elk kledingstuk wat ik vastpakte, zag ik
Dick staan. Ik heb er een heel weekend voor uitgetrokken want
ik wilde het op mijn gemak doen. En wat een energie en tranen
kostte dat. Dat hele weekend zat ik stuk.
Zijn lievelingstrui en overhemd heb ik bewaard en verder heb ik
alles in dozen gedaan. Ik heb ze naar een goed doel gedaan, maar
ik mocht ze alleen aanleveren in plastic zakken Dus wéér
ging alles door m'n handen en wéér was het huilen
en wéér zat ik stuk. Het was opnieuw een stukje
afscheid.
Van lotgenoten
hoor ik verschillende verhalen: de een doet al na een paar weken
de kleding weg, de ander na jaren. Iedereen moet dat natuurlijk
voor zichzelf weten, maar als je zover bent, neem er je tijd voor
en doe niks overhaast want ik denk dan dat je daar spijt van krijgt.
Lieve groet,
Lida Groeneveld; e-mailadres: lida55@home.nl
01-09-2007
Hallo Monique,
Ik las jouw stuk over het afstand doen van kleding (Hoofdredactioneel
september 2007, red.)
Wat
herkenbaar.
Martin, mijn man, is overleden op 29 november 2005. Hij was nog maar 50 jaar. Zo ongeveer februari 2006 heb ik zijn kleren uitgezocht. Ik heb gescheiden wat nog goed was en wat iemand nog kon dragen en wat voor een ander niet meer draagbaar was. Wat goed was in zakken gedaan en weer terug gezet in zijn kast. Dat uitzoeken was een emotioneel gebeuren. Zijn kleding was en is voor mij dichterbij dan bijvoorbeeld dingen uit de schuur.
Ik wilde niet
dat bekenden in zijn kleding gingen lopen en wilde ook niet dat
er door vreemden ingetrokken ging worden. Een bestemming in het
buitenland zou in zijn lijn zijn. Een kennis van mij heeft connecties
in Roemenië. Dat leek me goed. Zij zou de kleren bij mij
komen halen en zorgen dat ze een goede bestemming kregen. Toen
het puntje bij paaltje kwam en we een afspraak hadden gemaakt,
raakte ik helemaal in paniek. Het deed zo zeer... Dat verbaasde
me, want ik dacht dat ik met het uitzoeken al de emoties gehad
had. Dus niet.
Ik heb mezelf daarin serieus genomen en haar gebeld om te zeggen
dat ik er nog niet klaar voor ben. De kleren bleven in zijn kast.
Pas in het voorjaar van 2007 heb ik haar weer gebeld. Toen was
het goed.
Ik heb trouwens
niet alles weggedaan. Er hangen nog een paar kledingstukken in
mijn kast van hem. Daar komt niemand aan! Ook zijn jas hangt nog
aan de kapstok. In het voorjaar ruimde ik de kapstok op. Er hing
nog veel meer van hem. Toen alles er af was, voelde het niet goed.
Ik werd gewoon misselijk. Ik dacht: nou Els, dan hang je die ene
jas en zijn muts toch gewoon weer op. Laat de mensen die hier
komen maar denken. Uiteindelijk is het míjn huis, míjn
kapstok en Martins jas waar ik af en toe mijn hoofd nog even in
kan steken.
Laatst liep ik er langs en kwam de gedachte zomaar in mij op:
misschien wordt het tijd om zijn jas weg te doen. Hij hangt er
nog. Hij blijft er hangen zolang ik dat wil en nodig heb.
Hartelijke groet en heel veel sterkte.
Els Kamp; e-mailadres: elskamp-larooij@home.nl
01-09-2007
Dag mensen,
Eind september
2005 kregen Jan en ik te horen dat de cyste aan de kop van mijn
pancreas niet kwaadaardig was en is in goed overleg besloten niet
te opereren aangezien dit niet zonder gevaar was. Elke drie maanden
ging ik in de scan.
Deze keer echter geen goede uitslag: uitzaaiingen op de lever
wijzen in de richting van toch, achteraf gezien, een kwaadaardige
cyste aan de alvleesklier. Dit is niet operabel. Het dossier gaat
van Emmen naar de oncoloog in Hoogeveen. Het is nog niet bekend
wat een eventueel behandelplan zou kunnen inhouden.
Tja en wat nu? Vóórdat ik de slechte uitslag kreeg, had ik al een afspraak met de notaris gemaakt (ik zou immers een hartstilstand kunnen krijgen, een ongeluk). Er moest een testament worden opgemaakt: naar welke goede doelen ging ons geld van het huis? En wat gebeurt er met mijn hond Eileen van tweeënhalf jaar? En toen sloeg de bom in En toch ben ik rustig, hoewel ik een paar keer erg misselijk ben geweest tijdens de chemokuur en een keer was ik depressief.
Ondanks mijn eigen problemen ben ik toch de Draaikolk blijven lezen. Aan het eind van deze maand ben ik anderhalf jaar zonder mijn fijne vent. Zou ik van hem hebben verwacht dat hij me zou helpen als hij nog had geleefd? Hoe dan? Hij was toch geen arts? Dát verwachtte ik altijd van hem: help me dan toch, Jan. Met deze gedachtespinsels hou ik me af en toe bezig. Zo, even van mij afgeschreven.
Een warme groet van
Wil van de Belt-Huizing, vrouw, geboren 10 november 1940; partner Jan (67) overleed op 27 maart 2006 aan longkanker met uitzaaiingen naar hersenen en botten; geen kinderen; e-mailadres: wilvandebelt@planet.nl
Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren