Terug naar index Archief

Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen die hun partner hebben verloren


Alle teksten uit de edities februari en maart 2004


6 februari 2004

Het lijkt wel of ik alles opnieuw moet 'leren', vanuit een ander perspectief, door Erna Krommendijk

Op 31 oktober 2003 overleed 'mijn Hugo' op 45-jarige leeftijd aan de gevolgen an uitzaaiingen van longkanker. Nooit gerookt en altijd gezond geleefd, dus de oorzaak blijft duister. In maart 2003 begon het met een naar hoestje; begin mei volgde opname in het ziekenhuis vanwege vocht tussen de longvliezen; medio juni werd ons de diagnose verteld: het ging om uitzaaiingen van longkanker in het borstvlies. Behandeling was op dat moment niet zinvol, genezing niet mogelijk.


Als je met deze mededeling naar huis wordt gestuurd, weet je niet hoe je verder moet leven, maar we probeerden er het beste van te maken. Het lag niet in Hugo's karakter heel erg somber of verdrietig te worden. Wonderbaarlijk genoeg leek hij zijn lot te accepteren en we hoopten natuurlijk op nog een goede tijd samen. We leefden van dag tot dag. Het was een intense periode met weinig ups en heel veel downs.
Al snel zaten we weer bij de longarts te praten vanwege nieuwe klachten. Het ging allemaal heel snel. Het ene onderzoek was nog niet afgerond of er was al weer iets anders aan de hand. De kanker vrat snel om zich heen. Toen Hugo op 1 oktober per ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht was ik heel erg bang dat hij niet meer thuis zou komen. En op 31 oktober is hij na een heel zware maand in het ziekenhuis overleden. Door euthanasie.
Ik was vreselijk bang voor wat ik mee ging maken: het zo precies geplande moment van sterven, maar nadat hij zijn laatste adem had uitgeblazen, was het goed. Ik had er vrede mee. Hugo bleef een verdere aftakeling bespaard en kon nooit meer overheerst worden door de volgende vreselijke verrassing van de kanker. En de laatste dagen van zijn leven hebben we samen bewust beleefd.

Ik dacht dat rouw ongeveer synoniem staat aan verdriet hebben, dat is dus ook al niet zo

Het is nu 3,5 maand later. Aanvankelijk had ik echt geen idee wat me te wachten stond. Wat is dat, rouwen? Met mijn 38 jaar had ik er werkelijk nooit over gedacht hoe het zou zijn je geliefde te verliezen. Zoiets is ook nog nooit eerder dicht in mijn omgeving gebeurd. M'n huisarts had het over: 'reken op een jaar, dan heb je alle seizoenen weer een keer meegemaakt'. Tjé wat lang, dacht ik eerst nog. En ik weet inmiddels ook dat het niet zo werkt, dat het in het begin het ergst is en dan geleidelijk minder erg wordt. Soms zijn er dagen dat ik denk dat het alleen maar akeliger wordt. En het lijkt wel of ik alles opnieuw moet 'leren', vanuit een heel ander perspectief. Toch kan ik werken (nu 60% en enigszins aangepast), gaat eten prima en zorg ik er ook voor dat ik niet te veel alleen zit. 'Wat ben je dapper' en 'wat doe je het toch goed' hoor ik soms mensen zeggen. Maar ik voel me helemaal niet dapper en wat is 'goed' in dit geval? En het kost zo ontzettend veel energie.

Ook dacht ik dat rouw ongeveer synoniem staat aan verdriet hebben. Dat is dus ook al niet zo. Rouwen is heel veel: boos zijn op Hugo omdat hij veel te vroeg is doodgegaan, me schuldig voelen over bepaalde dingen, me heel gelukkig kunnen voelen over fijne dingen die we samen hebben meegemaakt, extreem veel bezig zijn met het verleden, heel erg verlangen naar dingen die er niet meer zijn, een grote leegte voelen en alles grauw zien, en ja, natuurlijk ook veel verdriet. Dit is tenminste wat ik zoal tegenkom en dat wisselt elkaar allemaal op een onvoorspelbare manier af.
Soms weet ik niet wat ik met iets aan moet. Zoals met m'n werk: ik wil wel werken, het geeft structuur, maar niet te grote verantwoordelijkheden, of werkzaamheden doen waar ik me veel voor moet opladen. Dat kost zoveel energie en kan zo confronterend zijn. Op m'n werk laten ze me maar een beetje aanmodderen: 'neem je tijd'. Klinkt fijn, maar ik heb nu toch zelf maar aangekaart dat ik het wil hebben over wat ik nu wel en niet wil doen.

Juist die dingen uit het verleden, waarvan ik dacht dat het een gesloten boek was, steken nu weer de kop op

Of de schuldgevoelens die ik af en toe heb over zaken uit het verre verleden. Onze relatie was er niet eentje die van het begin af aan altijd van een leien dakje ging. Ik heb Hugo ook pijn gedaan. De laatste jaren ging het heel erg goed. Maar juist die dingen uit het verleden, waarvan ik dacht dat het een gesloten boek was, steken nu weer de kop op. Na Hugo's overlijden. Wat kun je er dan nog mee? Het besef dat ik Hugo eigenlijk een heel groot deel van zijn leven niet heb meegemaakt (we waren 'slechts' bijna 13 jaar samen) en het gevoel dat ik hem minder 'door en door' kende dan ik wel eens dacht, verwart mij af en toe. Wie was die lieve, maffe, altijd weer verrassende man nu eigenlijk echt? Het is gewoon moeilijk mij erbij neer te leggen dat wat nog lang niet 'af' was en waar ik nog lang niet op uitgekeken was, zomaar is 'verdwenen'. Dat er alleen nog maar herinneringen zijn en dat daar niets meer bij komt.
En of het nu wel of niet goed is om me zo met dat verleden bezig te houden. Sommige mensen vragen of het wel zin heeft om nog meer over Hugo te willen weten, om foto's van zijn hele leven te verzamelen (hij had zelf helemaal geen foto's van 'voor mijn tijd'), om met oude bekenden van hem te praten die ik nooit eerder heb gesproken. Hugo verstond de kunst van het leven in het heden en hij wilde dat ik na zijn dood niet bij de pakken neer ga zitten, door ga met leven. Maar hoe doet een mens dat in zo'n situatie?
Soms voel ik mij ook blij en dankbaar: dat ik Hugo gekend heb, hoe we van elkaar konden houden, dat ik zoveel van hem heb mogen leren over het leven en de liefde, dat ik bij hem mocht zijn toen hij verder niemand meer wilde zien.

En waarom schrijf ik dit allemaal op? Ik heb veel mensen waar ik goed mee kan praten. Maar bijna niemand lijkt me echt te begrijpen. Niemand heeft zoiets zelf meegemaakt. Ik voel me dus heel erg op mezelf aangewezen. Dat hoor ik ook wel: je moet dit uiteindelijk zelf doen. Dat is ook zo. Maar misschien helpt het om contact te hebben met lotgenoten die er iets meer van begrijpen. Zelf heb ik al veel tranen gelaten bij het lezen van herkenbare stukjes in de Draaikolk, dus ik wil er nu zelf ook wel iets aan toevoegen.

Erna Krommendijk; e-mailadres: hopper@tref.nl


7 februari 2004

"Ik dacht dat het over was", door Wiebe de Wolf

Het is al weer bijna vijf jaar geleden. Op 24 augustus 1999 overleed Marian, mijn vriendin; sinds vier dagen ook mijn vrouw. Ze had baarmoederhalskanker. Ze was 35 jaar.

De ziekte was iets meer dan een jaar eerder geconstateerd. Bloedverlies, onder andere na het vrijen, een uitstrijkje laten maken en vervolgens een ernstig gesprek met de gynaecologe. Er was op dat moment weinig te zeggen over prognoses. Er werd een realistisch behandelplan opgesteld met bestraling en hyperthermie. Er waren redelijke vooruitzichten. We waren bang, maar je moet de dingen nemen zoals ze zijn.
De behandeling begon en die liep voorspoedig. Het was zwaar, maar het schoot op. Op een gegeven moment was het zelfs zo dat een uitstrijkje geen sporen meer aan het licht bracht. We gingen over tot de orde van de dag. Marian ging weer halve dagen werken en we konden weer gewoon ruzie maken en onze relatie op de weegschaal leggen. Het is zelfs even 'uit' geweest. Ik heb altijd al moeite gehad om me te verbinden en misschien ook door de stress en het te dicht op elkaar zitten had ik het even gehad.

Toen bij mij het kwartje gevallen was; het besef dat ik me niemand anders kon voorstellen waarmee ik liever mijn leven wilde delen, was het eigenlijk meteen te laat. Marian belde me met het nieuws dat na een nieuwe scan toch uitzaaiingen waren geconstateerd. Geen mogelijkheden meer op herstel en een prognose van een half jaar tot een jaar. Het was april 1999 en mijn wereld stortte in.

"In die vier maanden heb ik geleerd wat liefde is"

Vier maanden hebben we nog gehad en dat waren de mooiste van mijn leven. Marian had meteen besloten dat er voor haar geen ziekenhuis meer was. Ze wilde niet het laatste restje van haar leven besteden aan vervelende behandelingen die slechts iets konden rekken en niets zouden oplossen. Ze wilde nog naar Jordanië en Syrië met haar zus en naar de VS met haar broer en met mij naar Schotland en dat is ze gaan doen. Ik kan nog steeds geen woorden vinden voor de bewondering die ik voel voor de moed en het realisme waarmee ze de situatie heeft aanvaard en haar vastbeslotenheid om haar tijd goed te gebruiken.
In die vier maanden heb ik geleerd wat liefde is. Niet alleen van haar uit, maar ook heel sterk wat mezelf betreft. Ik heb ervaren wat het is om onvoorwaardelijk van iemand te houden. Ik ben ook nog nooit zo sterk geweest als toen.

Uiteindelijk zijn we ook nog getrouwd. Aanvankelijk hadden we dat bedacht omdat het om heel veel redenen handig leek, maar uiteindelijk klopte het helemaal. Ons huwelijk was de bezegeling van onze liefde. Tegelijkertijd zijn we de laatste weken vooral bezig geweest met de bruiloft, het feest; vrolijke dingen dus. Het was uiteindelijk ook een echt feest, op 20 augustus 1999, ondanks de dreiging van het nadere sterven.
Na de bruiloft was het op bij Marian. Ze ging ineens hard achteruit en vier dagen later is ze overleden, heel vredig in het bijzijn van goede vrienden en familie.

Toen was ze er niet meer.

"Ik voelde ook heel sterk dat ik met mijn leven door moest"

Wat in eerste instantie overheerste was een enorm tevreden gevoel over hoe het gegaan was. Het was het leven nemen zoals het is in optima forma. Ik voelde me dan ook verschrikkelijk sterk, had enorm veel energie en was ook enorm open naar andere mensen. Voelde ook heel sterk dat ik met mijn leven door moest (dat hadden we ook afgesproken). Daarbij had ik ook sterk de behoefte om door te bouwen op het bij mezelf ontdekte vermogen om lief te hebben. Dat ervoer ik niet als iets wat exclusief gereserveerd was voor Marian.
Toen ik enige tijd later een vrouw tegenkwam die ik erg leuk vond, was ik dan ook niet bang om dat verder te onderzoeken. Uiteindelijk ontstond hieruit dan ook een relatie. Ik geloof niet dat dit ooit, op wat voor manier dan ook, heeft geconflicteerd met de plek die Marian in mij inneemt.

Vechten tegen de depressie

Toch heb ik wel iets verkeerd gedaan. Anderhalf jaar geleden ben ik overspannen geraakt en tegelijkertijd als depressief gediagnosticeerd. Last van concentratiestoornissen, gekelderd zelfbeeld, neiging tot vreetbuien en ga zo maar door. Sindsdien is het vechten tegen de depressie. Een jaar lang medicijnen geslikt, waar ik ook niet vrolijk van werd en erg door afgestompt voelde en nu weer proberen me zonder antidepressiva op de been te houden. Mijn relatie is inmiddels ook op de klippen gelopen.

Ik mis Marian zo.
Ik weet niet precies wat het allemaal met elkaar te maken heeft, maar de laatste tijd is Marian weer zo prominent in mijn gedachten dat ik vrees dat er nog een enorm stuk ligt dat ik niet heb verwerkt. Gebeurtenissen, zoals het overlijden van een 35 jarige soap actrice aan kanker en de specifieke data (gisteren zou Marian 40 geworden zijn - wat had ik dat graag willen meemaken) helpen daar natuurlijk niet bij. Daarbij is het zo dat ikzelf het onderwerp min of meer tot taboe gemaakt heb. Ik wil immers met mijn leven verder. Vind het dan ook moeilijk om er nu met mensen over te praten, de ruimte in te nemen. Het is immers alweer bijna vijf jaar geleden. Toch merk ik dat het me goed zou doen om er af en toe iets over te kunnen uitwisselen, zoals het me goed doet dit op te schrijven.

Daarom, lieve mensen, wil ik jullie vragen of jullie me willen accepteren als een lotgenoot. Het is misschien een beetje laat, maar ik dacht dat het over was.

Middelburg, 2 februari 2004

Wiebe de Wolf; e-mailadres: wiebe@webwolf.nl


8 februari 2004

Ik snap soms ook niet dat ik niet de hele dag door verdrietig ben, door Sabine Janssen

Mijn naam is Sabine Janssen (44 jaar) en mijn man Hans (51 jaar) is op 31 december 2003 overleden aan slokdarmkanker met uitzaaiingen naar de lever. Wij kennen elkaar sinds april 1982 en in september 1985 zijn wij getrouwd. We hebben twee kinderen: een meisje van 15 en een jongen van 13. Ik had na de uitvaart het gevoel dat ik alleen was. Alleen met het gemis, de pijn, het verdriet. Mensen leefden door en voor mij stond de wereld helemaal stil. Ik ben op internet gaan zoeken naar een site met lotgenoten. Ik vond de Draaikolk en al vele avonden ben ik achter de computer gaan zitten om de verhalen te lezen van mensen die hetzelfde als mij hadden meegemaakt. Elke keer vind ik er troost in en voel me daardoor niet meer zo alleen.
Ik vond het heel moeilijk om wat te schrijven. Ik dacht, het is nog maar zo kort geleden.

Hans en ik hebben in juli 2003 gehoord dat hij slokdarmkanker had. Na een hele moeilijke eerste tijd van angst, spanning, onzekerheid, verdriet, omdat je niet weet hoe het verder zal gaan, bleek dat hij in ieder geval behandeld kon worden met chemotherapie en bestralingen, dit gedurende een periode van zes weken. We bleven ondanks alles steeds positief. Hij ging, zo moe als hij al was, de behandelingen in en probeerde ook het goede te halen uit de periode die daarop volgde, waarvan we hoopten dat het tot herstel zou leiden. In november heeft hij nog twee weken in het ziekenhuis gelegen, vanwege extreme benauwdheid. Ze (we) waren erg bang voor uitzaaiingen in de longen. Eind november hadden we een aantal positieve berichten gehad: bloedonderzoeken waren aldoor goed, de scan gaf goede resultaten en de longarts kon ook goede berichten geven. Hans zei alleen aldoor: "hoe kan dat Sabine, positief, terwijl ik me zo verschrikkelijk slecht voel."

In de uitslagen van de scan zat een typefout

Hij kon op een bepaald moment niets meer. Lag de hele dag op bed of zat in de stoel te slapen. Hij kon niet meer lopen (naar de tafel en naar het toilet ging nog net). Hij kon de krant niet meer lezen, niet meer een puzzel maken en geen tv meer kijken. Het ergste vond hij dat hij niet meer met mensen kon praten. Dat deed hij zo graag: hij kon met iedereen over van alles en nog wat praten. De dag na de longarts moesten we naar de internist. Zij sloeg de grond onder onze voeten weg. In de uitslagen van de scan zat een typefout (het was dus negatief), de bloedonderzoeken waren nu niet goed en dat wees op uitzaaiingen in de lever. Er moest een echo gemaakt worden en daar werd het mee bevestigd.

Voor mijn gevoel heeft hij er alles aan gedaan om de kerstdagen nog met ons mee te maken. Hij kwam zelfs bij ons aan tafel zitten. We hebben nog samen kunnen praten en op zijn manier kon hij mij troosten. Hij zou voor ons blijven zorgen en dat voel ik elke dag weer. Hij kon gelukkig thuis blijven. Ik kon hem thuis verzorgen, daar kon ik alles voor aan de kant zetten en daar kijk ik dankbaar op terug.
Hij is in de vroege morgen van oudejaarsdag rustig overleden, met mij en de kinderen erbij.

Mensen moesten naar mij luisteren

De eerste tijd na de uitvaart was ik moe, ontzettend moe en alleen maar verdrietig, opstandig, kwaad, met heel veel pijn van binnen. Bij mensen waar ik me goed bij voel praatte ik aan een stuk door. Als ze een woord zeiden, kregen ze er 100 van mij terug. En ik was helemaal niet gewend om over mezelf te praten, voelde me zelfs schuldig. Mensen moesten naar mij luisteren.

Ik heb in de periode van Hans' ziekte alles opgeschreven, zijn klachten, de onderzoeken en de uitslagen, maar vooral de laatste maanden. Hoe de dagen gingen, waar we over gepraat hebben, en vooral de laatste week. De stukjes werden steeds langer. Dit heb ik na het overlijden vaak doorgelezen, steeds maar weer opnieuw. Na het overlijden heb ik een nieuw schrift gepakt en ben weer alles gaan opschrijven. Sinds vorige week schrijf ik ook aan Hans. Dit voelt erg goed. In het eerste geval schrijf ik over mijn gevoel en aan Hans beschrijf ik mijn gevoel met alle emoties.

Ik snap soms ook niet dat ik niet de hele dag door verdrietig ben. Ik kan ook soms weer lachen, ik kan weer een beetje mijn werk oppakken. Ik kom de dag door met allerlei dingen, soms regeldingen maar ook: schrijven, praten, huilen en wandelen. Ik ga heel graag wandelen, het liefst alleen (Hans wandelt sowieso met mij mee) met mijn gedachten, want ik zit nog zo vol, maar ben tegelijkertijd zo leeg. Mensen die met ons hebben meegeleefd tijdens Hans' ziekte blijven nu ook bij ons komen en dat doet heel goed.

Ik wil nog reageren op het gedicht wat Anne Teuben erbij gezet heeft. Dit is een heel mooi lied van De Kast. Het heet: "Hart van mijn gevoel". Het staat op hun CD "10 jaar hits". De tekst is erg mooi en zo waar, maar er naar luisteren (als je kunt) is ook mooi.

Sabine Janssen-Davina; e-mailadres:
janssen.davina@hccnet.nl


10 februari 2004

Op 26 april 1999 komt Eric Klaverweide, de man van Monique, op 44-jarige leeftijd door een motorongeluk om het leven. Hoe zij dat eerste jaar daarna heeft beleefd, is te lezen in de serie "Blaka Rosoe", waarvan de laatste aflevering in de december-editie 2001 is verschenen (te vinden in het archief).

In "Dubbel-leven" pakt Monique haar verhaal twee jaar later weer op. Inmiddels heeft zij via "de Draaikolk" haar tweede liefde ontmoet en zijn wij in februari 2002 getrouwd. In deze tweede serie verhalen beschrijft zij - vanuit het nu en deels door terug te blikken - hoe zij haar leven weer heeft opgepakt en op welke wijze haar rouwproces hierin onverminderd een eigen plek heeft behouden. Een verhaal over hoe geluk naast verdriet kan bestaan. In de hoop dat het volgen van dit "dubbel-leven" andere lotgenoten zal doen beseffen dat er na verlies nog een toekomst mogelijk is. Dat je met een nieuwe partner/lotgenoot - ondanks alle dubbele gevoelens - toch en misschien wel nóg intenser van het leven kan gaan genieten. Een leven dat weliswaar door het gemis nooit meer hetzelfde zal worden. Een leven dat anders is, maar daarom zeker niet minder waardevol. (Bert Vos, hoofdredacteur)


Dubbel-leven (9): In zekere zin beginnen we weer opnieuw

We zijn aan het afkicken van een weekje Stad, zoals we dat hier in Groningen zeggen; een weekje hoofdstad Groningen. Voor de tweede keer binnen een jaar hebben wij ons kamp opgeslagen in het Academisch Ziekenhuis Groningen alwaar Bert dezelfde operatie heeft moeten ondergaan. Opnieuw heeft zich een tumor in dezelfde longkwab geopenbaard. Met de ervaring van vorig jaar nog vers in het geheugen hadden we besloten dat ik gedurende die gehele periode een kamer zou reserveren in het gastenverblijf dat op het terrein van het ziekenhuis aanwezig is. Zo hoefde ik tijdens die enerverende week niet door weer en wind (sneeuw) een uur heen en een uur terug te rijden naar huis om daar 's avonds laat slechts mijn vermoeide hoofd op het kussen neer te leggen; om mijn rug opnieuw te moeten keren naar een lege bedhelft naast mij. Een goede beslissing achteraf (ook al had voor dat geld een weekje Canarische Eilanden ook tot de mogelijkheden kunnen behoren). Ook Bert gaf het een stukje rust te weten dat ik altijd in de buurt was en toch een eigen plek had waar ik af en toe kon uitrusten c.q. bijslapen.

"Blondje"

Er zijn twee momenten geweest die voor altijd in mijn geheugen gegrift zullen staan; een voor mij traumatische op de intensive care en een euforische in de wandelgangen. Nu kun je herinneringen nooit overdoen zegt Bert altijd en dat bleek ook nu. Uitgerekend het weerzien met Bert in de recoeverruimte vorig jaar was toen voor ons beiden een gelukzalig moment. Hij had het overleefd! Bovendien was hij toen al goed bij zijn positieven en was hij onder de liefdevolle hoede van een zeer begane vrouwelijke verpleegkundige. Ik herinner mij nog goed hoe zij regelmatig even over zijn wang en hand streelde en er maar al te graag voor wilde zorgen dat hij even bevrijd kon worden van zijn zuurstofkapje zodat hij zijn vrouw een kusje kon geven. Ik wist dat ik hem daar 's avonds met een gerust hart kon achterlaten.

Maar het weerzien deze keer was vanuit míjn beleving totaal anders. Omdat hij die dag in feite twee keer geopereerd was (wegens lekkage van de long), was de tijd tussen de laatste operatie en het moment waarop ik hem op de intensive care voor het eerst weer zag veel korter. Zijn ogen stonden glazig en draaiden telkens weg. Er was vochtophoping onder zijn ogen en er zat nog een beademingsslang in zijn keel waardoor hij geen geluid kon uitbrengen.
Tot overmaat van ramp begon hij meteen toen hij mij zag verwoed tegen mij te praten, onwetend van het feit dat hij hierbij geen geluid uitbracht. Wat kon er nou zo urgent zijn dat hij niet even kon wachten totdat de slang verwijderd zou worden? "Ja, ik weet dat je van me houdt", probeerde ik nog hoopvol. "Ja, dat ook", kon ik nog net liplezen terwijl een vage, ietwat ongeduldige glimlach om zijn mond speelde, maar blijkbaar was dit toch niet wat hem zo dwars zat. Nadat ik een papier en pen in zijn handen had gedrukt, probeerde hij hierop iets te krabbelen. Ik kon er aanvankelijk niet veel mee en mijn gevoel van radeloosheid nam alleen maar toe. "Heb je pijn?", probeerde ik nog. Ik kon er geen touw aan vastknopen. Opnieuw wat gekrabbel op het papier en het woord "blondje" verscheen. "Dit is geen moment om grapjes te maken hoor", zei ik, terwijl het huilen mij inmiddels nader stond dan het lachen. Uiteindelijk zijn we er, met behulp van wat gebarentaal van zijn kant, toch uitgekomen. Hij wilde van mij weten wat de chirurg mij had verteld over hoe de operatie was verlopen, zodat hij dit kon vergelijken met wat de chirurg hem had verteld. Check double check. "Volgende keer" maar even goed afspreken van te voren…

Een euforisch moment deed zich voor die ene ochtend waarop ik net beneden de ziekenhuishal in kwam lopen, op weg naar de kamer van Bert. Opeens zie ik in een flits een mij bekende donkerblauwe kamerjas de hal dwars oversteken. Bert was in een rolstoel geplant en werd in een vliegende vaart door een druk bezette verpleger voortgeduwd richting radiologie. Hij zat er zo mooi statig bij (ik wist niet dat hij zo rechtop zat in een poging om zijn operatiewond te vrijwaren van de drempels onderweg) en voor het eerst zag ik hem weer rechtop zitten. "Hé", riep ik al hollend en wild wijzend naar Bert. Ik stond op het punt om te roepen: "U gaat er met mijn man vandoor!" maar ik kon mij nog net inhouden. De verpleger keek mij ietwat verbaasd lachend aan, maar liep onverstoorbaar door en ik er achteraan. Hij kon mij niet meer ontglippen.

Mijn leven loopt niet langer op rolletjes

Dit weekje Stad is mij geheel anders bekomen dan vorig jaar. Toen was het mijn eerste ziekenhuiservaring aan de, uiterst dunne, zijlijn. Alles was nieuw voor mij en vooral Bert maakte zich daar zorgen over. Nu voelde ik mij enigszins door de wol geverfd. Nam ook actief deel aan alle gesprekken met de hoofden boven en naast zijn bed. Probeerde zo veel mogelijk zijn spreekbuis te zijn, voor zover dat nodig was. En Bert glom van trots en dat beeld alleen al voedde mijn zelfvertrouwen.
Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat het een "peulenschil" was. Vaak heb ik die week, terugkijkend op mijn leven van de afgelopen vijf jaar, dan ook teruggedacht aan een opmerking die een jaar of zeven geleden, met een lichte ondertoon van verwijt en afgunst, mijn richting uit werd geplaatst toen enkele "muizen" - in een moment van verder zeldzame eensgezindheid - aan het somberen waren over de "ondraaglijkheid" van hun leven en ik een en ander probeerde te relativeren: "Ach Monique, daar kun jij toch niet over meepraten. Jij hebt toch nog niets meegemaakt. Jouw leven loopt op rolletjes." Nu zouden ze vast wel anders piepen. Maar goed, gepiept wordt er al lang niet meer. De muizen hebben zich, met de rest van de muizenfamilie, met stille trom uit mijn leven teruggetrokken, terug hun veilige holletje in. Naar hun maatstaven loopt mijn leven niet meer op rolletjes en blijkbaar was het voor hen ondraaglijk om daar nog langer getuige van te willen zijn...

Over Bert's operatie van vorig jaar heb ik nauwelijks iets op papier kunnen zetten. Het schrijven voor de Draaikolk kon mij een tijd lang gestolen worden. Ik had andere dingen aan m'n hoofd. Nu heb ik mij laten vertellen dat ik een type ben dat niet primair maar secundair reageert. Dat wil zeggen: ik reageer niet op het moment zelf, maar later. In zekere zin was het vorig jaar opnieuw oplaaien van Bert's ziekte voor mij bijna net zo'n shock als het onverwachte overlijden van Eric destijds. Met het enige - niet geringe - verschil dat Bert nog leefde… Hoe ik dat weet? Omdat ik net zo reageerde als toen: rationeel gezien wist ik wat er aan de hand was, maar het heeft een hele tijd geduurd voordat ik daar ook iets bij voelde, erom kon huilen. En zolang je in die roes verkeert, kun je er niet over schrijven, althans zo is dat bij mij het geval. Op dezelfde wijze heb ik "Blaka Rosoe" geschreven, met terugwerkende kracht, acht maanden later. En pas nu ik kan vergelijken met vorig jaar lukt het blijkbaar wel.

We zijn even "piekervrij"

En nu zijn we al weer een week "onder ons" in ons fijne huis. We hebben onze privacy weer terug. Kunnen ons eigen ritme weer aanhouden en we voelen ons eigenlijk wonderwel ontspannen. We zijn weer even "piekervrij", vatte Bert het treffend samen, en dat gevoel smaakt naar meer.
Tot onze eigen verbazing is Bert vrijwel direct in staat gebleken om - weliswaar met mate - achter de PC te zitten en dat is voor hem gelijk dé manier om alles van zich af te kunnen schrijven en weer het leven van alledag op te kunnen pakken. En zelfs ik, die vorig jaar maandenlang niet taalde naar de computer zit er nu net zo gemakkelijk weer achter alsof er niets gebeurd is. Een vlucht? Geen idee, het voelt gewoon goed, ook al is het wel zaak dat we elkaar goed in de gaten houden. We hebben nog wel eens de neiging om onze grenzen over te gaan.

Ik moet het nu toegeven: voor degene die er naast staat is het in bepaalde opzichten zwaarder dan voor de patiënt die het aan den lijve moet ondergaan

Gebaseerd op zijn eigen ervaringen met zijn eerste vrouw Janny heeft Bert mij telkens voorgehouden dat zijn hele ziekenhuisgang voor mij weleens zwaarder zou kunnen uitpakken dan voor hem. Ik heb dat steeds wat ongelovig aangehoord. Hij was toch degene die het lijdzaam moest ondergaan? Maar toen Bert mij vorige week de beschrijving van zíjn ervaring op de intensive care voor de Draaikolk, zoals altijd, eerst in concept liet lezen, voelde ik hoe er langzaam een zware steen op mijn borst werd gelegd en ik (omdat ik nog moest koken…) vervolgens heel veel moeite moest doen om niet in een forse huilbui uit te barsten (fout!). Voor het eerst werd het mij duidelijk hoe zijn beleving totaal verschilde met die van mij. We hebben daarna onze belevingen nog even naast elkaar gezet en het was, vooral voor mij, heel goed dat wij dit gedaan hebben. Mijn gevoelens, mijn beleving op dat moment, moesten eerst erkend worden voordat ik dit een plek kon geven. En ik moet het nu echt toegeven: voor degene die er naast staat is het in bepaalde opzichten inderdaad zwaarder dan voor de patiënt die het aan den lijve moet ondergaan.

De kanker is iets van ons samen

Misschien nog wel méér als vorig jaar heb ik de afgelopen maanden van onzekerheid, die onvermijdelijk vooraf gingen aan de definitieve uitslag van de onderzoeken, ervaren als iets dat ons beiden is overkomen. Die noodzakelijke wachttijd hebben wij, overigens zonder dat wij daar enige invloed op hebben kunnen uitoefenen, benut door opnieuw veel te praten over de vorige ziekenhuisperiode en zo hebben we die fase alsnog kunnen verwerken. We hebben onze geest kunnen leegmaken, zodat er weer iets bij kan.
In tegenstelling tot onze rouwverwerking om het verlies van onze partners is dit verlies echter niet iets uit het verleden. Het is iets van ons samen. Een potentiële bedreiging van onze toekomst. Samen moeten wij de kanker het hoofd zien te bieden. Leren omgaan met het feit dat het Zwaard van Damocles altijd onverwacht kan vallen.

Vorig jaar zagen wij het als een zware tegenvaller dat de darmkanker van 1998 toch bleek te zijn uitgezaaid naar de longen. Maar nu het voor de derde keer de kop heeft opgestoken, kijken we wéér anders tegen het leven aan. Het lijkt haast niet mogelijk, maar we moeten nóg meer gaan relativeren en nóg meer proberen te genieten van het nú. Hoe moeilijk dat soms ook is om vol te houden, om steeds maar weer bij stil te blijven staan.
In zekere zin beginnen we wéér opnieuw, maar door alles wat we de afgelopen vier jaar samen hebben doorstaan, weten we dat ons fundament wel erg solide is geworden.

Monique Vos
februari 2004


11 februari 2004

Overleven, kort verhaal door Henk van der Zande

Met deze reis neem ik definitief afscheid van het verleden. Niemand weet welk gevoel me hier, alleen reizend tussen de eilanden, beroert. Het lijkt verraad. Ik heb het telefoonnummer van haar werk uit mijn mobiel gewist. Een administratieve handeling, maar het is veel meer.
In de verte roept ze woorden die ik niet meer herken. Weg is de tinteling van huid op huid, weg de klamme aanraking, de geur, het proeven van haar smaak. Zittend op de achterplecht van de gele ferry staar ik in de verte. Een warme zon in mijn rug. Langzaam verdwijnt ze uit mijn leven, zoals het heftige kielwater rustig wordt en oplost in de horizon. De contouren van het eiland vervagen. Het hult zich, net als zij, in een nooit oplossende mist.

Het was zo anders toen. Zij strijkt of leest haar favoriete tijdschrift. De koffie is al lang op. Twee glazen en een knapperige Noorse cracker, kaas waar het mes doorheen glijdt. Een vroege zomeravond. Ze glimlacht en luistert met een half oor, licht gespeelde belangstelling Ze kent het gevoel van onze vakanties, genieten al maanden vooraf. Ik bestudeer de kaart en markeer de route met een groene stift. Links, rechts of door het dal? Omhoog of door de tunnel? De groene routes worden bossen. Ik voel de zon en open het linkerraam. De lavendel streelt mijn neus en vermengt zich met de geur van pas gemaaid gras. Ik vertel haar over de omgeving en maak haar enthousiast, leg haar uit waar de eerste zonnebloemen zullen verschijnen en de koelende schaduw van die dikke plataan. De afwas met de kinderen op de camping, staande op een omgekeerde emmer plenzen ook zij in het wéér niet warme water. Ze vult haar glas en bevestigt met een verlangende glimlach mijn verwachtingen van de tocht. Wanneer vertrekken we, waar slapen we? Lachend in elkaars armen. De kinderen zijn stil, ze zijn zo moe. We leven en genieten van elkaar. Hoe eenvoudig is geluk?

Vrijdagavond, slechts enkele jaren later. De kaarten lijken oud, vol getekend en geschreven. Kilometerstanden, liters benzine, tolgeld en tijdstippen. De kaart als dagboek. Altijd bewaard als herinnering aan onbezorgd en ongekunsteld geluk. De klanken van de feestvierende stad bereiken onze tuin. Geluid gedragen door de zwoele wind, die warm geworden is door de hitte in de afgelopen zomerweek. Ik drink mijn wijn, zoek routes als herinnering en peuzel aan de gekruide kaas. Mijn met tranen gevulde ogen zien geen details meer op de kaart.
Ik heb haar boven net wat ijs gebracht. Het verdooft de pijn in de geplaagde schouder een beetje. Ze houdt me even vast, maar de flitsende pijn doet haar weer krimpen. Nog een pil? Zo'n blauwe, haar lievelingskleur. Ze is helder en praat duidelijk: "Ik wil weg, vooruit, bezig zijn en als beloning ontvang ik dan een nacht zonder pijn." Zou de morfine uitgewerkt zijn?

Muziek klinkt verwaaid door het open slaapkamerraam. Herinneringen aan de tijd toen wij in het episch centrum zaten van feestelijk geluid. De smurfenpil begint te werken. De te laat geplakte morfinepleister heeft effect. Een nieuwe lading ijs doet de rest. Ze verontschuldigt zich: "Ik blijf op bed liggen, ik ben zo moe. Ga jij nog maar even in de tuin zitten ".
Ik zit alleen aan de blauwe tuintafel. Weer die muziek uit de verte: "Mister, mister, why can't you get back to your baby once more?" Klopt de tekst? Ik huil en drink nog een glas wijn, eet wat van de gekruide kaas, in mijn hand een driftige pen. Geen route is meer belangrijk. Er is niets meer dat nog telt.

Langzaam vaart de boot langs de Caldera. Een diep blauwe zee omgeven door de kraterwand. Restanten van een vulkaan die nog schijnt te werken. Ik verlang naar de haven. Een warm gevoel doorstroomt mijn lijf. Mijn telefoon heeft weer ontvangst. Een bericht van jou!
Ik ken je nu vier weken. Er is ruimte voor je gemaakt, volgend op een afscheid dat ik de afgelopen weken voelde. Je mag er zijn. In het gedrang probeer ik mijn rugzak te vinden en hol naar de boulevard. Niet nadenkend over hoe de weg naar mijn hotel zou kunnen lopen. Geen terras met een koel glas bier trekt mijn aandacht, maar een plek waar een oude ijsverkoper een paar computers heeft staan: "Internet one Euro". Mailen. Zittend tussen jeugd in vale spijkerbroeken ben ik intensief bezig met de tekst die op het scherm verschijnt. Ik glimlach net als lang geleden.
Het bericht. Ik lees en lees het nog keer. Sla je nummer op in het geheugen. Het lijkt een administratieve handeling. Maar het is meer. Ik weet dat ik overleef.

Henk van der Zanden; e-mailadres: vdzanden@wxs.nl


16 februari 2004

Boekbespreking:

"Overgave en strijd", De groei van inzicht en liefde
tijdens het leven en sterven van Treya Wilber

In augustus 1983 ontmoet Terry (onder welke naam zij toen nog door het leven ging)op 36-jarige leeftijd haar eerste en enige liefde: Ken Wilber, een beroemd Amerikaanse auteur van diverse boeken over transpersoonlijke psychologie en het is meteen "liefde bij de eerste aanraking". Vier maanden later trouwen ze en nog voor ze op huwelijksreis kunnen gaan, wordt bij Treya borstkanker in het tweede stadium geconstateerd. In de vijf jaar die daarna volgen breidt de ziekte zich steeds verder uit naar haar hersenen en longen.
Ken zet zijn veelbelovende wetenschappelijke carrière opzij en ondersteunt zijn vrouw zo goed als hij kan. In de vorm van brieven aan familie en vrienden verhaalt Treya over haar jarenlange strijd. Hoe zij samen met haar man omgaat met hun leven in het zicht van de dood. Hoe al het mogelijke wordt gedaan om de kanker het hoofd te kunnen bieden. Geen dieet, meditatiemethode, fysiotherapie, conventionele maar ook alternatieve behandeling wordt onbenut gelaten. Ze bemerkt bij zichzelf al snel een toenemende behoefte om anderen te helpen en zij wordt mede-oprichtster van de Cancer Support Community in San Francisco, die wekelijks een breed scala aan gratis diensten en bijeenkomsten biedt aan honderden mensen. Ook heeft ze honderden mensen met kanker telefonisch en persoonlijk gecounseld.

Wanneer ze tot het inzicht komt dat haar vorige leven wel erg in het teken heeft gestaan van 'doen' in plaats van 'zijn', besluit zij om innerlijk wat meer in contact te komen met haar vrouwelijke kant en verandert zij haar naam van het mannelijke Terry in het meer vrouwelijke Treya. Gaande haar ziekteproces komt ze opeens tot het besef dat ze in een oude vertrouwde val is gelopen. Ze vergeleek succes met het bereiken van fysieke gezondheid tegen alle verwachtingen in, of met concrete prestaties in de uiterlijke wereld ('doen'). Maar door het spirituele werk dat ze doet raakt ze steeds meer opgewonden over haar innerlijke veranderingen, haar gevoel van toenemende gezondheid op hogere niveaus dan het fysieke, waardoor ze zich constant uitgedaagd en opgewonden, diep betrokken bij het leven voelt. Haar emotionele achtbaan van kanker in een vergevorderd stadium wordt zo voor haar een prachtige kans om gelijkmoedigheid te oefenen, terwijl tegelijkertijd haar hartstocht voor het leven toeneemt. Leren vriendschap te sluiten met kanker, leren vriendschap sluiten met de mogelijkheid van een vroegtijdige en misschien wel pijnlijke dood, heeft haar heel veel geleerd over vriendschap sluiten met zichzelf, zoals ze is, en heel veel over vriendschap sluiten met het leven zoals het is. Haar toenemende acceptatie van het leven zoals het is, met alle verdriet, pijn, lijden en tragedie, heeft haar een soort rust gebracht. Juist omdat ze de dood niet meer negeert, besteedt ze meer aandacht aan het leven.

Als echtgenoot en ondersteuner ondergaat ook Ken een transformatieproces. Op emotioneel en psychisch niveau begint de innerlijke verwarring zich gaandeweg op te hopen. Die verwarring heeft twee kanten: een persoonlijke en een openbare.
Wat de persoonlijke kant betreft begint na een paar maanden bij hem door te dringen dat het feit dat zijn eigen problemen in het niet lijken te vallen bij de kanker van zijn vrouw, nog niet maakt dat zijn problemen weggaan. Ze worden zelfs erger omdat hij die problemen niet meent te moeten/kunnen uiten aan zijn vrouw. De enige oplossing voor dit probleem, constateert hij uiteindelijk, is om erover te kunnen praten met anderen, waarbij hij terecht kwam bij het tweede, openbare aspect: met wie moet hij gaan praten?
Aangezien (de ziekte van) zijn geliefde in dit geval 'het probleem' was, vond hij haar niet de aangewezen persoon om zijn problemen mee te bespreken. Hij wilde niet dat Treya zich schuldig zou gaan voelen over de belasting die zij voor hem vormde. Daarom adviseert hij mede-ondersteuners om dergelijke kwesties te bespreken in een ondersteunende groep voor ondersteuners/verzorgers die hetzelfde doormaken.

"De gemiddelde mens laat het vaak zo ver komen dat het kwaad eigenlijk al is geschiedt, want de gemiddelde mens doet het normale en begrijpelijke: hij of zij praat met familie, vrienden en/of partner. En hier bots je recht op tegen de openbare mening. Niemand is namelijk geïnteresseerd in het chronische. Na jouw problemen een aantal keren welwillend te hebben aangehoord, jou te hebben getroost of advies te hebben gegeven voel je je beter, maar de volgende dag heeft je geliefde nog steeds kanker; de situatie is wezenlijk niets verbeterd; het kan zelfs erger zijn. En zo herhaalt de situatie zich keer op keer. En vroeg of laat bemerk je dat bijna iedereen die niet van dag tot dag met dit probleem te maken heeft, het saai of vervelend begint te vinden als je er over blijft praten. Sommigen beginnen je ongemerkt uit de weg te gaan, omdat kanker altijd als een donkere wolk boven de horizon hangt. Niemand is geïnteresseerd in het chronische… De problemen worden erger en de openbare oplossing blijkt gewoon niet goed te werken."

Op dit punt kunnen een paar dingen gebeuren, volgens Ken Wilber: de ondersteuners/verzorgers nemen de benen; ze storten in; ze gaan aan de drank (een weg die hij bewandeld heeft) of aan de drugs; of ze zoeken professionele hulp…Een ondersteunende groep voor verzorgers is verreweg de beste plek om over je moeilijkheden te praten. In wezen komt het in die groepen neer op het afkatten van de geliefden. Er worden dingen gezegd die aardige mensen niet in het openbaar zeggen en zeker niet tegen hun geliefde. Feit is dat zich onder al die duistere gevoelens, woede en wrok, meestal een heleboel liefde bevindt, want anders zou de ondersteuner al heel lang geleden de benen hebben genomen. Maar die liefde kan gewoon niet echt aan de oppervlakte komen, zolang woede, wrok en verbittering de weg versperren. Mocht een dergelijke ondersteunende groep er niet zijn, dan adviseert Wilber individuele psychotherapie. In ieder geval voor de ondersteuner, maar ook voor de geliefde. Want je leert al heel gauw dat er bepaalde dingen zijn die je gewoon niet met je geliefde moet bespreken; en andersom, er zijn dingen die de geliefde niet met jou moet bespreken.
Openheid is belangrijk en nuttig, maar meer ook niet. Op een bepaald punt kan openheid een wapen worden, een wraakzuchtige manier om iemand pijn te doen. Liever betaal je een therapeut en valt die er mee lastig. Zo kun je zonder onderdrukte wrok en woede van de kant van de ondersteuner en zonder schuld- en schaamtegevoelens van de kant van de geliefde bij elkaar zijn.

Wilber heeft ervaren dat het de belangrijkste rol van de ondersteuner is om een emotionele spons te zijn. Het is diens taak om de geliefde, die een overweldigende hoeveelheid uitzonderlijk sterke emoties ervaart, vast te houden, samen te zijn, en gewoon zoveel mogelijk van die emoties te absorberen als je dat kunt. Je hoeft niet te praten, je hoeft niets te zeggen, je hoeft geen advies te geven en je hoeft niets te doen. Je moet er alleen zijn en de pijn, angst, of het gekwetst zijn in te ademen. Je bent een spons.
Zijn ervaring heeft hem geleerd iedere dag opnieuw zijn keuze voor haar te bevestigen. Hij heeft ervoor gekozen om door dik en dun bij zijn geliefde te blijven. En niet meer te vervallen in een houding van beschuldigen en als gevolg daarvan zelfmedelijden. Langzaamaan pakt hij zijn schrijverschap weer op en begint hij ook weer te mediteren. En steeds duidelijker ziet hij dat zijn activiteit als ondersteuner voor een belangrijk deel bestaat uit onzelfzuchtige dienstbaarheid en derhalve als iets dat zijn eigen spirituele groei ten goede komt, een soort meditatie in actie, een soort mededogen.
Niet dat hij die kunst heeft vervolmaakt; hij doet nog steeds hatelijk en klaagt nog steeds, hij wordt nog steeds boos en wijt het nog steeds aan de omstandigheden. Al met al zou hij liever schrijven, schrijft hij in zijn brief die later door het Journal of Transpersonal Psychology is gepubliceerd. De reactie hierop was zo enorm en hartverscheurend dat dit slechts een aanwijzing was van de wanhopige toestand waarin ondersteuners zich overal ter wereld bevinden. Zoals een vriendin Vicky Wells zei: "Ik heb me in beide situaties bevonden. Ik heb kanker gehad en ik ben ondersteuner geweest. En ik moet zeggen dat het veel moeilijker is om ondersteuner te zijn. Degene met kanker heeft geen andere keuze dan er bij te blijven, maar de ondersteuner moet er voortdurend voor kiezen om er bij te blijven."

Het bijzondere van dit boek is dat het zowel de ervaring van een kankerpatiënt als van haar geliefde, de ondersteuner, beschrijft. Het feit dat Ken Wilber een wetenschapper is, maakt zijn bijdrage aan het boek tegelijkertijd gecompliceerder c.q. moeilijker leesbaar. In mijn ogen gaat hij in dit boek wat al te wetenschappelijk in op de grote wijsheidstradities van de wereld, zijn: "inleiding in de eeuwige filosofie". Toch doet het aan de verdere inhoud van het boek niets af, wanneer zijn bijdragen (desgewenst) worden overgeslagen. Resteert dan de vele brieven waarin Treya haar levenseinde beschrijft (die gedeelten worden door een verticale streep in de kantlijn duidelijk gemarkeerd). Het laat een moedige en intelligente vrouw zien die tot het einde alles doet om haar leven zo lang mogelijk te kunnen blijven leven. Tenslotte ervaar ik het als "storend" dat alleen de naam van Ken Wilber als auteursnaam op het boek prijkt. Hiermee doet hij de nalatenschap van zijn vrouw naar mijn mening geweld aan.

Monique Vos
februari 2004


17 februari 2004

Een voorschot op het verdriet dat nog komen zou, door Bert Vos

Het zal, denk ik, vanaf 1996 zijn geweest, toen Janny, al volop in de chemokuren en bestralingen ter bestrijding van de uitzaaiingen van de borstkanker, het boek ,,Overgave en strijd" van Ken Wilbur las en herlas. Toen ik haar vroeg wat zo speciaal aan dat boek was, zij ze dat het eigenlijk ook ging over ons. Over hoe wij haar ziekte ervaren, hoe we er mee omgaan. Ze wilde eigenlijk steeds graag dat ik het ook zou lezen, want ze had het boek eigenlijk voor mij gekocht en het daarom ook van een beschermend omslag voorzien. Een omslag overigens dat bezaaid was met haar aantekeningen. Ik voelde er niks voor. Ik was nog niet zover dat ik allerlei boeken ging lezen over wat ons nu overkwam. Ik had eigenlijk genoeg aan de realiteit en die was verdrietig genoeg. Ik wist dat ze binnen enkele jaren zou sterven. Janny wist dat ook en pas achteraf besefte ik wat ze bedoelde met ,,Dat boek zou je eigenlijk toch moeten lezen. Misschien later".
Omdat ik er wat afwijzend op reageerde las ze me allerlei hoofdstukken voor. Het ging over de verzorger/de ondersteuner en de verzorgde. Over ons dus. Over de gevoelens die daarbij een belangrijke rol spelen. Over het verdriet, over rouw over het verlies wat nog komen zou. De boosheid, de woede en nog veel meer. Ik vond wel dat de man, Ken Wilbur, zich wat al teveel met allerlei Boeddhistische zaken bezig hield, terwijl waar alles om draaide toch het verhaal van zijn vrouw was. ,,Dat kon ik allemaal overslaan", zei Janny dan. Zij vond er zelf wel heel veel van waarde in terug, was haar ervaring, maar ze kende mijn afkeer van westerlingen die zo nodig de oosterse wijsheden omarmen alsof ze het zelf hebben uitgevonden. En ze las dus gewoon verder voor.
Janny deed dat wel vaker. Gewoon dingen voorlezen die ze las over rouwverwerking. Over onze situatie en over mijn toekomstige leven alleen. Ik vond dat wel erg voorbarig en onwezenlijk omdat ze immers nog leefde. Maar zij was niet voor niets een koppige Groningse en ik heb jarenlang, min of meer in liefde gedwongen, geluisterd naar wat zij in allerlei boeken aan belangrijke ervaringen vond over rouwverwerking. En dat was wel erg veel.
Maar nooit, echt nooit heb ik in al die tijd zelf een boek over rouwverwerking gelezen. Ik zat heel vaak naast haar en luisterde stil naar haar stem en ik hoorde de ondertonen van verdriet. Ik besefte best dat zij mij constant aan het voorbereiden was op mijn leven zonder haar. En ik voelde de pijn die ze daarbij voelde. Het was alsof ik een voorschot kreeg op het verdriet dat nog zou komen. Ik heb later, bijvoorbeeld toen ik met de Draaikolk begon, heel veel aan haar voorleessessies gehad. Dankzij haar koppigheid. Ik kon mijn eigen verdriet ineens duiden.

Boodschap

Het zal misschien een half jaar of zo geleden zijn, op een late avond, dat, zoals wel eens vaker gebeurde, mijn overleden vrouw op bezoek kwam in mijn geest. Ik lag, net als zo vaak, voor het slapen gaan samen met Monique op bed stil te luisteren naar meditatieve muziek en blijkbaar werd de poort naar mijn geest daardoor geopend. Zo maar ineens was ze er en ze begon, geheel onverwacht, over dat boek ,,Overgave en strijd". Dat Monique dat toch maar eens moest gaan lezen. Ze zei nog meer die nacht, maar dit was het belangrijkste en ik moest daar erg om huilen. Omdat het zo ontzettend veel verdrietige herinneringen opriep.
Toen ik Monique vertelde wat Janny mij had gezegd, zei ze eerst niets. ,,Ik zal het boek maar eens gaan lezen", zei ze toen zacht. ,,Jij doet het toch niet".
Monique heeft daarna zo nu en dan het boek opgepakt en hoofdstuk voor hoofdstuk gelezen. Ze kon dat ook doen omdat ze inmiddels had meegemaakt hoe ik opnieuw kanker kreeg en in het ziekenhuis belandde. Zij was immers de ondersteunende, de verzorger geworden. Zoals ik dat ooit jarenlang voor Janny was.
Hoewel het boek niet echt over rouwverwerking na de dood gaat, had ik het al in een heel vroeg stadium in de boekenlijst van de Draaikolk gezet. Omdat Janny dat vast wel goed zou hebben gevonden.
Monique heeft er nu mede daarom toch maar een recensie over geschreven. En ik begrijp daaruit dat ze het wel een goed boek vond, maar dan vooral om wat Treya Wilbur had geschreven. Ze was zelfs boos op Ken Wilbur, omdat zijn overleden vrouw niet als auteur staat vermeld. Dat was Janny gek genoeg niet opgevallen, voor zover ik me kan herinneren.

Toch nuttig

Ben ik teleurgesteld omdat mijn twee vrouwen er toch niet helemaal hetzelfde van vinden? Nee. Waarom zou ik. Want Janny was Monique niet. Janny was bovendien de verzorgde en Monique nu de verzorger, de ondersteunende. Ook dat maakt heel veel verschil. Maar het stelt me wel een beetje gerust. Mijn schuldgevoel over het feit dat ik het boek nog steeds niet heb gelezen is overigens helemaal verdwenen. Monique heeft dat plaatsvervangend (alweer) voor mij gedaan…
Aan de andere kant werd een uitspraak van mij (en van Janny) door het boek nog eens bevestigd. En misschien was dat allemaal ook wel de bedoeling.
Wat ik aanvankelijk toen in 1995 en later niet accepteerde en Monique eigenlijk nu eerst ook niet, is het feit dat je het als gezonde partner veel zwaarder hebt dan de zieke. Pas nu ik voor de tweede keer in korte tijd in het ziekenhuis belandde, moest Monique dat volmondig toegeven. Wat dat betreft is ,,Overgave en strijd" toch nuttig geweest. Door de jaren heen. Hoor je dat, Janny?

Bert Vos


19 februari 2004

Komt straks alles dubbel zo zwaar terug? door Ger Quellhorst

Mijn naam is Ger Quellhorst. Op 11 september 2003 kreeg mijn vrouw het bericht dat de peratie de volgende dag niet door ging. De uitzaaiingen, veroorzaakt door een melanoom van 11 jaar geleden, zaten door het hele lichaam. Botten, lever, borstbeen en lichtjes de longen waren al aangetast. Vanaf die dag verzorgde ik mijn vrouw de volle 24 uur. Van mijn baas had ik zorgverlof gekregen. Op 11 november belandde ze voorgoed in bed die in de woonkamer stond. Langzaam aan werd de verzorging ook mij te zwaar en kwam er hulp van de Thuiszorg. Deze verzorgden in eerste instantie de doorligwonden, maar later moesten zij ook het wassen overnemen. Dit omdat ik eind november zelf instortte en twee dagen daarna een longontsteking kreeg.

Langzamerhand zag je haar steeds minder worden. Door de morfine werd ze ook steeds zwakker. Het enige waar ze nog houvast aan had was de gang naar de postoel. Dit was één of twee keer per dag. Vrijdag 6 februari hielden haar benen het niet meer en viel ze op de grond. Met behulp van de buren heb ik haar in bed gekregen. De zondag er op kreeg ze een catheter. Achteraf beschouwd, heeft die val haar teruggebracht naar de werkelijkheid. Ze was zo verzwakt. Vanaf die zaterdagmorgen kregen we dan ook sterk het vermoeden dat ze er in berustte dat het snel afgelopen zou zijn.
Woensdag 11 februari, in het bijzijn van de kinderen en hun aanhang, was het dan ook zo ver. Dat laatste uur ging ons echter door merg en been. We waren door de huisarts al gewaarschuwd dat de laatste ademtocht wel eens moeilijk kan gaan. Bij mijn vrouw was het echter ruim een uur zeer benauwd. De kikker in haar keel wilde maar niet weg. Alleen de laatste 10 minuten ademde ze vrij rustig.

Ik vraag mij af of ik niet te hard ben voor mezelf

Natuurlijk ben ik al sinds 11 september met haar bezig en lig ik sinds 11 november al alleen boven. Zo te voelen genoeg "tijd" gehad om naar de nieuwe situatie toe te groeien. Ik weet dat het pas kort geleden is, vooral gezien de verhalen op de Draaikolk. Toch vraag ik mij af of ik niet te hard ben voor mezelf. Echte huilbuien krijg ik vooral tijdens de maaltijd. Het vertrouwde bed met mijn vrouw staat niet meer naast de tafel; ik hoef geen twee maaltijden meer te maken. Ook kijk ik momenteel niet naar TV-programma's waar we de afgelopen weken samen naar keken.
Toch heb ik tot op heden nog geen "rouwgevoelens" zoals anderen die beschrijven. Wel denk ik aan die 31 jaar dat wij gelukkig waren. Vooral aan de vakanties die we de laatste drie jaar hebben gehad op mooie natuurplekken in Nederland. Ook ga ik volgende week weer beginnen met een paar uurtjes per dag te werken. Sinds 11 september thuis, verzorgen van mijn vrouw en tussendoor PC-en. Op dit moment weet ik niet meer wat dat ding nog verder kan. Ben even uitgespeeld.
Ter verduidelijking moet ik nog zeggen dat we met zijn vieren de laatste weken veelvuldig gesproken hebben over hoe verder. Ze was hierin heel resoluut en alles is besproken; zelfs hoe ze haar begrafenis geregeld wilde hebben. Ook de kaart hebben we samen gemaakt.

Nu mijn vraag:
Als ik zo de verhalen lees krijg ik de indruk dat ik te snel van stapel loop. Komt straks alles dubbel zo zwaar terug? Al heb ik in de vijf maanden met diverse mailcontacten regelmatig de situatie besproken; deze vraag kunnen ze niet beantwoorden. Ik was dan ook blij dat ik via een zoekprogramma de Draaikolk had gevonden. Graag hoor ik eens van anderen hoe die er over denken.

Ger Quellhorst; e-mailadres:
quell@xs4all.nl


4 maart 2004

Hoofdredactioneel: Met dank aan de Draaikolk?

,,Met dank aan de Draaikolk". Dat zinnetje treffen we steeds vaker aan in mailtjes aan ons gericht. We krijgen het dan prompt warm van binnen en een flinke stoot extra energie. We zitten echt niet naar complimentjes te vissen hoor, maar als er een lotgenoot is die ons schrijft dat hij of zij zoveel aan de Draaikolk heeft (of heeft gehad) dan vinden we dat een echte beloning voor het werk dat we in de Draaikolk steken. Maar het is tevens een bedankje voor al die lotgenoten die daadwerkelijk hun vlotte pen hebben gepakt en ons een verhaal ter plaatsing hebben gestuurd. Een bedankje ook voor de lotgenoten die (eindelijk) moed genoeg hebben vergaard en hun reactie naar ons stuurden. Niet iedereen is in staat om vlot eventjes iets te schrijven en wij waarderen het dan ook, dat jullie het desondanks toch doen!

De huidige opzet van onze site voldoet goed, hebben we gemerkt. Veel lotgenoten surfen regelmatig even naar ons toe en ontdekken dan veelal wel iets nieuws. Als we er de tijd voor hebben (en de nodige energie) dan zetten we ontvangen reacties en verhalen zo snel mogelijk op onze site. Dat werkt tot nu toe goed. Straks, als we vakantie hebben, zullen jullie bijvoorbeeld wél eventjes moeten wachten, maar voor de rest besteden we elke dag wel even tijd aan het actualiseren en/of vernieuwen van de Draaikolkrubrieken.
Dat neemt niet weg dat we voortdurend bezig zijn met het evalueren van de verschillende Draaikolkonderdelen en we proberen deze niet alleen zo mogelijk te verbeteren, maar we zijn ook steeds bezig nieuwe (uitvoerbare) initiatieven te ontwikkelen. Kortom: we blijven lekker bezig en het houdt ons echt wel van de straat.

De nieuwe boekenrubriek, waarin sinds maart 2004 nieuw verschenen boeken over rouwverwerking en aanverwante (relevante) onderwerpen in het kort onder jullie aandacht worden gebracht, is zo'n nieuw initiatief waarvan we hopen dat jullie er iets aan hebben. Natuurlijk is de bijbehorende tekst geen bespreking, eerder de inhoud van de achterflap van het betreffende boek, maar het geeft toch enigszins een indicatie. Een dergelijke bespreking treffen jullie wél aan in onze rubriek ,,Boekbespreking" waarin boeken uitgebreider worden besproken die wij relevant vinden voor ,,onze doelgroep", jullie dus.
Uitgevers hebben enthousiast en sommigen zelfs verrast gereageerd op onze site en onze initiatieven. Ook dat doet ons goed, omdat we het als een stukje professionele waardering voor onze jarenlange inspanningen zien. Ach, wat ik maar wil zeggen is eigenlijk dat elk mens op z'n tijd een schouderklopje nodig heeft om weer opgewekt verder te kunnen. Wij zijn al niet anders…

Bert Vos,  Hoofdredacteur De Draaikolk , maart 2004 


9 maart 2004

Boekbespreking: ,,Rouwen moet je doen": gedichten zonder pijnklank van direct verlies

Eigenlijk weet ik niet precies wat ik met deze dichtbundel van Jan Struiving aan moet.,,Rouwen moet je doen" is de titel en daar begint het al mee. Hoezo, rouwen moet je doen? Wie zegt dat? Rouwen moet je niet doen, rouwen is een gevoel, je rouwt vanzelf omdat je verdriet hebt om wat je hebt verloren. Maar het hoeft niet. Het kan ook zijn dat je de pijn (nog) niet voelt en (nog) niet rouwt. ,,Rouwen moet je doen" is dan ook een wat mij betreft onjuiste titel als we het over verliesverwerking hebben. Want dat is niet iets wat ,,je even moet doen". Het is veel en veel complexer dan dat.

Je kunt schitterende gedichten schrijven over de natuur zonder ook maar een greintje verstand te hebben van alles wat leeft, groeit en bloeit en ons altijd weer boeit. Je kunt de hartstocht laten spetteren in je poëzie zonder ooit de liefde te hebben geproefd, ook al wordt dat al een graadje moeilijker. Maar het is naar mijn mening vrijwel onmogelijk om gedichten over het verlies van wat je dierbaar was te schrijven zonder dat je iets wat je lief was zelf te hebben verloren en zonder de machteloze pijn en verdriet van dat verlies te hebben gevoeld. Die laatste indruk geeft de auteur echter wel min of meer met zijn gedichtenbundel ,,Rouwen moet je doen". Hij schrijft naar mijn gevoel te veel zonder de nodige ,,pijnklank" gedichten over het verlies van een vrouw, een man, een broer, een zus, een kind, een hond of kat.

Ik weet wat rouwen is. Ik heb in mijn leven heel wat verloren. Heel vaak afscheid moeten nemen. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik in de teksten van ,,Rouwen moet je doen" het gevoel van pijn mis, het verdriet, de angsten en de hoop die ik zelf als rouwende wel steeds voel en heb gevoeld. Gedichten hoeven wat mij betreft niet te rijmen, maar wat ik wel een beetje mis is de melodie van de woorden, het dwingend ritme van een beeldend klankenspel en vooral ook de snerpende taal van pijn en vaak machteloos verdriet. Natuurlijk, de woorden zijn er. Regel na regel, maar het blijven wat mij betreft toch wat te veel woorden op afstand. Alsof de auteur het ooit uit de mond van anderen optekende en er later een gedicht van maakte. Het lijkt daardoor wel een soort ,,indirect verlies". En dat is wat mij betreft jammer, ook al ben ik me ervan bewust dat het maar mijn mening is en er ongetwijfeld andere lotgenoten zullen zijn die in Struiving's gedichten wellicht juist wel de diepte vinden die ik er node in mis.

Jan Struiving is een veeldichter. Dat ontdek je als je naar zijn site surft. Hij schrijft net zo makkelijk over stress als over rouw. Hij levert een weekgedicht per e-mail en hij maakt zelfs gedichten op maat. Roept u maar! Wat mij betreft mag hij dat natuurlijk doen. Maar ik vind wel dat je wat betreft verliesverwerking toch wat terughoudender zou moeten zijn dan uit deze bundel blijkt. En wat meer zelfkritiek bij daadwerkelijke publikatie voor een breder publiek zouden de ongetwijfeld aanwezige talenten misschien ten goede kunnen komen.

Bert Vos
maart 2004

Rouwen moet je doen - Struiving, Jan; uitgegeven in eigen beheer via Bergboek, Zwolle 2002; ISBN 9070037- 44- 0; 80 blz.


15 maart 2004

Verandering brengt onzekerheid mee en daardoor angst, door Mieke van de Pol

Soms hoor je verhalen over mensen die zich in een nare situatie bevinden en toch (tijden lang) geen actie lijken te ondernemen om hier uit te komen. Als ze zelf hun verhaal vertellen blijkt vaak dat hun (oude) situatie weliswaar slecht was, maar ook vertrouwd. Verandering brengt onzekerheid mee en daardoor angst. Voor buitenstaanders is dat vaak heel moeilijk te begrijpen. Iedereen heeft zoiets van "als mij dat zou over komen, dan…" Inmiddels kan ik het me echter een stuk beter indenken. Eigenlijk heb ik dit soort angst de laatste 19 maanden, sinds het overlijden van mijn man Willie, ook heel vaak ervaren.

Van de vijf maanden die Willie ziek was heeft hij zo'n vier maanden in het ziekenhuis gelegen. Uiteindelijk is hij daar ook overleden. De laatste zes weken ongeveer verbleven we samen op een kamer. Een ziekenhuis is bepaald geen prettige plek om je tijd door te brengen. Toch merk je op een gegeven moment dat het iets vertrouwds krijgt. Als je zo'n lange tijd in een ziekenhuis doorbrengt leer je verschillende mensen kennen. Medepatiënten, verpleging, mensen van de catering etc. In de periode dat Willie nog lopend patiënt was, gingen we vaak samen naar beneden en kletsten dan wat met bekenden. We hebben zelfs samen een optreden van een zangkoor bijgewoond. Op een gegeven moment had het zelfs iets gezelligs. Later kon hij niet meer zijn bed uit. Ik ging iedere dag nog wel even naar beneden om te eten en een luchtje te scheppen terwijl hij rustte. De contacten die ik inmiddels had opgebouwd waren heel belangrijk en maakte mede het ziekenhuis heel vertrouwd. De belangrijkste reden dat het een vertrouwde plaats werd en zelfs een beetje als een "thuis" voelde was echter, dat wij er samen waren. Met name zijn kamer werd ons plekje. Heel vaak heb ik gedacht dat het, wat mij betrof, nog maanden zo mocht blijven. Wij saampjes in die kamer. Toen Willie overleden was voelde het heel vreemd om het ziekenhuis te verlaten zonder hem. We liepen met z'n allen door de gang naar de uitgang, iedereen een deel dragend van alles wat we in de afgelopen tijd verzameld hadden. En, terwijl we daar liepen, overheersten twee gevoelens: ten eerste het idee dat ik Willie helemaal alleen achterliet en ten tweede het gevoel uit het ziekenhuis gezet te worden. Ik raakte ons eigen vertrouwde plekje kwijt.

Het voornaamste gevoel was, naast het verdriet, eigenlijk vooral vermoeidheid

In de eerste maanden na zijn dood heb ik nog nazorg gehad van de maatschappelijk werker die aan de afdeling Oncologie verbonden is. In het begin iets vaker, maar later had ik ongeveer één keer per maand een afspraak met hem. De eerste keer vroeg hij me of ik het niet erg vond om naar het ziekenhuis te komen. Ik had dat helemaal niet. Sterker nog, het voelde als thuiskomen. Alleen de afdeling zélf bleek te confronterend. Vorig jaar maart ben ik overgestapt naar een psychotherapeute, omdat ik toch een intensievere begeleiding nodig had dan wat de maatschappelijk werker kon geven. Vanaf dat moment ben ik nog maar één keer in het UMC geweest, namelijk op Willie's sterfdag. Ik heb toen ook de afdeling bezocht waar hij gestorven is. Op dat moment heb ik, denk ik, pas écht afscheid van het ziekenhuis genomen.
De reden dat ik intensievere begeleiding nodig had was, dat ik moeite had de pijn los te laten. In de eerste maanden leek de pijn nog mee te vallen. Natuurlijk was er een enorm verdriet, maar ik voelde nog geen wanhoop. Het voornaamste gevoel was naast het verdriet eigenlijk vooral vermoeidheid. Ik ging daardoor zelfs enorm aan mezelf twijfelen. Voordat Willie zelfs nog maar ziek was, wist ik zeker dat als ik hem ooit zou verliezen, ik volledig in zou storten. Dat gebeurde dus niet en ik had echt het gevoel dat er iets niet klopte. Na verloop van tijd werd de pijn echter iedere dag heviger. In het begin vond ik dat eigenlijk niet eens erg. Dit klopte, dit was wat Willie verdiend had. Daarbij had ik nog een zekere controle over de pijn en het verdriet. Op sommige momenten overviel het me, maar meestal kon ik zorgen dat het op momenten kwam die betrekkelijk veilig waren. Op het kerkhof, achter de PC, tijdens gesprekken, allemaal momenten die ik zelf kon kiezen. Ik zag Willie de hele dag voor me, maar ook dat kon ik sturen. Ik zorgde er voor dat het beelden waren van hem zoals hij was toen hij nog gezond was.
Naarmate de pijn heviger werd, verloor ik ook steeds meer de controle. Ineens kon ik zomaar op de vreemdste plaatsen overvallen worden door heftig verdriet. De beelden van een gezonde Willie werden steeds meer vervangen door beelden van hem in het ziekenhuis. Soms wilde ik letterlijk weglopen van die beelden en de pijn. Ik heb wel eens tegen mezelf staan schreeuwen dat ik een stomme trut was door aan al die vreselijke momenten te denken. Natuurlijk hielp dat niet. Buiten de angst die ik gevoeld heb toen ik wist dat ik Willie ging verliezen ben ik, denk ik, in die periode het meest bang geweest. In beide gevallen was ik de controle op de situatie volkomen kwijt en dat is bijzonder angstaanjagend.

Hij was heel ziek en moest even dood. Daarna kwam alles goed.

Tijdens zijn ziekte heb ik heel hard geprobeerd die controle te bewaren. Als ik maar zorgde dat ik goed begreep wat de dokters ons vertelden, de artsen en verpleegkundigen scherp hield en heel hard voor Willie vocht, dan zou hij het gaan redden. Toen dat uiteindelijk allemaal niet hielp heb ik mezelf wijs gemaakt dat ik alleen maar hoefde te denken "ik wil niet dat hij sterft" en dat het dan ook niet zou gebeuren. Hoewel ik mensen vertelde dat het einde definitief naderde, wist ik eigenlijk zeker dat ik het door mijn liefde voor hem tegen kon houden. Natuurlijk wist ik ergens dat het belachelijk was dat te denken. Ik heb ook serieus gedacht dat ik gek aan het worden was. Toch voelde het heel echt.Toen bleek dat ook dát niet hielp, kwam er een nieuwe fantasie als houvast: hij was heel ziek en moest even dood. Daarna kwam alles goed. Dit gevoel is ook na zijn overlijden een tijd gebleven. Vaak zat ik thuis op de bank en wist gewoon zeker dat hij terug kwam. In de periode dat de pijn heviger werd en ik de controle steeds meer verloor kwam het besef dat dit niet waar was. Vanaf dat moment kwam ook de wanhoop. Het leven werd één zwart gat en hoewel ik iedere dag dacht dat de pijn niet heftiger kon worden, bleek telkens de bodem van de put nog steeds niet bereikt.

Ik herken mezelf langzaam aan weer terug

Toch komt er ineens een dag waarop je merkt dat de pijn niet erger wordt. Hoewel het ook niet verminderde leek het feit dat die pijn er was minder erg te zijn. Uiteindelijk kreeg zelfs die pijn iets vertrouwds. Het vormde voor mijn gevoel een verbinding met Willie. Door de pijn te voelen en ook door in de tegenwoordige tijd over hem te spreken zou ik hem nooit helemaal kwijt raken. Dat was de reden dat ik de pijn niet los wilde laten. Ik kon met name in die periode ook heel woedend worden als mensen zeiden dat ik verder moest met mijn leven. Hoezo verder met "mijn" leven. Mijn leven was gestopt op het moment dat Willie stierf. Het enige dat mogelijk was, was een nieuw leven opbouwen en dat wilde ik dus niet. In eerste instantie wilde ik dan ook geen intensievere therapie volgen. Eigenlijk heb ik het alleen gedaan omdat de arbo-arts het voorstelde en ik wilde laten zien dat ik bereid was mee te werken. Toen ik er eenmaal aan begon besloot ik toch er dan ook écht iets mee te doen. Met als gevolg dat, na hard werken, vanaf vorig jaar september een soort omslag kwam. Heel voorzichtig gaat het sinds die tijd weer beter met me. Ik durf in de verleden tijd over Willie te praten, heb een nieuwe baan, een nieuwe (viervoetige) huisgenoot en ik herken mezelf langzaam aan weer terug.
Eigenlijk kabbelt mijn leven op dit moment een beetje voort. Natuurlijk is er het dagelijks verdriet en zijn er ups en downs. Bepaalde situaties kunnen ineens ervoor zorgen dat ik volledig overstuur raak. Alleen, zoals eerder gebeurd is, voelt het allemaal heel vertrouwd. En met dat gevoel van vertrouwdheid komt zo nu en dan ineens ook weer het gevoel van angst. Natuurlijk ben ik bang voor een terugval. Hoewel het toen als juist voelde, verlang ik absoluut niet terug naar dat gevoel van diepe wanhoop. Toch is dat niet eens mijn enigste en zelfs niet mijn grootste angst. Eigenlijk ben ik veel banger voor wat komen gaat. Op goede momenten ben ik voorzichtig aan stiekem nieuwsgierig naar wat het leven me nog te bieden heeft. Op slechte momenten word ik overvallen door angsten voor de toekomst.

Ik wist al dat het leven niet maakbaar is

Ook vóór 17 maart 2002, de dag waarop we hoorden dat er een gezwel op Willie's rechternier zat, wist ik best dat je niet alles in het leven kunt plannen. Sterker nog, het was me al eens overkomen dat ik mijn toekomstdromen moest veranderen. Ik was 26 toen ik Willie leerde kennen. Tot dat moment had ik een toekomstideaal zoals dat voor veel vrouwen geldt. Ik was redelijk ambitieus en had mezelf een bepaald doel gesteld. Daarnaast wilde ik ooit een leuke man ontmoeten. Zo eentje als je nu ziet in de spotjes over "samen de kinderen opvoeden". Ik wilde namelijk, als het natuurlijk mocht lukken, zo rond mijn dertigste moeder worden en toch verder werken aan mijn ambitie. In dat opzicht voldeed Willie bepaald niet aan het beeld van mijn gewenste man. Hij was weduwnaar, 20 jaar ouder dan ik en had twee volwassen dochters. Vanuit die situatie hebben we er samen voor gekozen om geen kinderen te krijgen. Dat is niet een besluit dat je makkelijk neemt. Alleen laat je degene van wie je houdt ook niet in de steek als blijkt dat kinderen krijgen fysiek niet mogelijk is, dus ook niet als de situatie dat niet toe laat. Ik wist daardoor dus al dat het leven niet maakbaar is. En tóch is er een verschil: ik had toen een keus en ik koos voor mijn mannetje. Nu heb ik geen keus. Ik moet verder zonder hem en ik heb nog geen idee hoe.

Als je (jong) je partner verliest is één van de meest besproken onderwerpen, zowel tussen lotgenoten als vanuit omstanders, een eventuele nieuwe liefde. Indien dit onderwerp ter sprake komt roep ik stoer dat ik een nieuwe liefde niet uitsluit, maar alleen als aanvulling op mijn leven. Niet als voorwaarde voor een gelukkig leven, want daar ben ik alleen zelf verantwoordelijk voor. Nu het leven rustig voortkabbelt komt het besef dat ik dat straks waar zal moeten maken. Als ik het verlies van Willie verwerkt heb, voor zover dat ooit helemaal mogelijk is, heb ik geen enkel excuus meer om níet gelukkig te zijn. Nu is geluk zijn een behoorlijk ambitieus doel dat ik mezelf zeker nog niet wil stellen. Het realiseren van een zinvol en prettig leven is echter al een hele klus waar ik soms enorm tegenop zie. Daarbij komt nog mijn allergrootste angst: de angst 's avond op bed te liggen en ineens te beseffen dat ik die dag niet om Willie heb gehuild, of nog erger, niet aan hem gedacht heb. Als ik er aan denk dat me dát ooit kan overkomen, slaat de angst me echt om mijn hart.

Ik ga straks tóch weer vechten om verder te komen

Vandaar dat ik me inmiddels heel goed kan indenken dat mensen vasthouden aan een vertrouwde situatie, al is die nog zo slecht. Toch is er wel een verschil. Hoewel ik het nu nog niet wil, weet ik zeker dat ik straks tóch weer ga vechten om weer verder te komen. In de afgelopen 19 maanden heb ik bewezen dat ik mijn angsten telkens weer heb kunnen overwinnen. En op de goede momenten ben ik daar stiekem heel trots op. Al ben ik nog trotser op mijn mannetje die, ondanks dat hij wist dat hij ging sterven, het op heeft kunnen brengen om zijn angst opzij te zetten en zelfs regelmatig vrolijk glimlachte. Doordat hij zwak was, was het een flauwe glimlach, maar heel oprecht en zeer dapper!

Mieke van de Pol; e-mailadres: pol387@zonnet.nl


16 maart 2004

Boekbespreking: "Vrouw in rouw"

Eigenzinnige observaties van een weduwe in een prachtig, humoristisch geschreven boek

Drie jaar geleden verloor Trix Broekmans (55) haar man schrijver-journalist Wim Wennekes met wie ze vijfentwintig jaar samen was. Op een luchtige toon, met veel terugblikken op het leven samen, observeert ze haar weduwebestaan. Wat gebeurt er allemaal in haar verse weduwebestaan en hoe gaat ze er mee om? Ondanks het grote gemis probeert ze er het beste van te maken. 'Naar mijn idee zou ik verraad plegen aan ons leven samen als ik alleen maar diep in het verdriet zou wegzinken. Ik heb ontdekt dat ik het ook alleen kan, goed doorleven. Dat beschouw ik als een ode aan ons leven samen'.

Ze hadden een bruisend leven samen, genoten van vrienden, eten, drinken, reizen, muziek en lezen. Wim was haar klankbord, praatpaal, klaagmuur en praten met hem mist ze het meest.
Met haar vriendin Joosje Rap, weduwe van uitgever Thomas Rap richt ze de Merry Widow club op. Ze zijn de enige leden. De ballotage voor de club is meedogenloos; je geliefde moet dood zijn. Het motto is steun en leun en ze bezoeken plekken waar ze met hun mannen graag verbleven.
Verschillende therapieën heeft ze op zichzelf uitgeprobeerd. Zoals kijken naar een video van hen zelf op hun bootje op de Linge. Ook het maken van cryptogrammen, wat Wennekes maar een stompzinnig verdrijf vond, was een probaat middel. 'Soms vraag ik zachtjes excuses aan hem'. Ook het 'wonderbaarlijke pilletje valium' hielp haar om de rondtollende gedachten 's nachts te stoppen. De pillen waren nog van Wim.

Sinds de dood van haar geliefde ziet de wereld er alweer zo anders uit. Als hij vandaag zou terugkeren zou ze uren nodig hebben om hem bij te praten.
Het weduwegevoel woekert om haar heen. Last van een morbide inslag heeft ze nooit gehad, maar nu verslindt ze met een ongegeneerde gretigheid alles wat met rouw te maken heeft. Grote hoeveelheden worden haar aangereikt en ze vraagt zich af of dit altijd al zo was of vallen deze dingen nu ineens op omdat ze zelf in de rouw is? Toch ondervindt ze genoegen bij het lezen en zien van andermans leedverwerking en knapt er zelfs van op.

Een enorme berg werk en veel vrienden om haar heen (meteen na zijn dood vroeg ze elke week mensen te eten) behoedt haar voor de eenzaamheid, maar 's avonds bij Albert Heijn om een uur of zeven beleeft ze toch haar eerste EEE (Eerste Echte Eenzaamheidservaring). 'Het was leeg in de zaak, er liepen alleen wat eenpersoonshuishoudens rond, de rest zat natuurlijk allemaal thuis gezellig met het gezin onder de lamp geschaard, dacht ik. Ik keek over de rand van die heel grote kar en zag daar in de peilloze diepte 1 eenpersoonsportie liggen. Het snoerde me de keel dicht'.

Ook de befaamde eenpersoonstoeslag wekt haar ergernis: alsof er een boete staat op de status van alleenstaande. Stiekem onderneemt ze haar eigen kleine wraakacties om de boel een beetje gelijk te trekken. Ze laat de hond op het andere bed slapen, gebruikt alle handdoeken en laat alle lichten branden en de tv aanstaan als ze weg is. 'Het slaat nergens op en het is kinderachtig maar ze zullen weten dat ik er ben'.

Na zijn dood ontving ze een brief van een verre kennis, een gescheiden vrouw. Een epistel vol wrok, woede en afgunst op weduwen die op steun en medeleven kunnen rekenen. De gescheiden vrouw kreeg dat helemaal niet. 'Vroeger dacht ik: overlijden is erger dan scheiden. Nu denk ik daar genuanceerder over. Zeker als je gedumpt ben door je man kun je niet meer met vrienden mooie herinneringen aan hem ophalen. De man van wie je ooit gehouden hebt, wordt een steeds grotere klootzak, terwijl mijn herinneringen aan Wim intact en onschuldig blijven.

Mensen, die voor anderen menen te kunnen bepalen hoe lang hij moet rouwen, vindt ze achterlijk. Iedereen is anders, dus iedereen gaat anders om met het verlies van een geliefd persoon. De buitenwereld heeft dat maar te respecteren. Iedereen heeft zo zijn eigen manier van verwerken en in dit boek vertelt Trix dan ook hoe haar leven langzaam aan weer glans kreeg. Met veel humor, opvallende en ontroerende observaties, maar niemand hoeft haar erop te wijzen dat de uiterste houdbaarheidsdatum van haar rouw verstreken is!

Een prachtig, humoristisch geschreven boek dat je in één adem uitleest en wat je, als je het boek dichtslaat, achterlaat met een glim/grimlach op je gezicht, al denkende: 'ja, zo is het'.

Wieneke van Rossum

Vrouw in rouw. Eigenzinnige observaties van een weduwe - Trix Broekmans; Uitg. Plataan, Zutphen 2004, ISBN 90-5807-211-8, 160 blz.


17 maart 2004

,,Ik heb het gevoel alsof ik in twee werelden leef", door Bert Wijnands

Als ik terugdenk aan de tijd dat we nog een (normaal) gezin waren met elly, 47 jaar, gewoon hard werkend in huis en bij de thuiszorg, moeder van Anne 11 jaar, Sarah 8 jaar en ik, Bert vader en 49 jaar, dan is er veel veranderd. In die tijd leek alles zo normaal. Je hebt een rijkdom waar je geen weet van hebt. Rustig geef je een mening over leven en dood.

Hoe anders, als je wordt geconfronteerd met de mededeling dat je vrouw een ernstige ziekte heeft. Wat voor ons eerst lijkt op overbelasting van het lichaam door veel gesjouw en werkdruk (we wilden alles zo perfect) blijkt longkanker met uitzaaiing naar de hersenen te zijn. Al gauw ben je vaste klant bij het ziekenhuis. Hoe lang denkt de dokter dat we nog hebben? De meeste mensen met deze verschijnselen leven niet veel langer dan een jaar, wordt er gesuggereerd. Wij, optimisten, maken daar twee jaar van. Waar geen hoop is, is geen leven.

Een maand later word ik op mijn werk gebeld door mijn dochter dat mamma niet goed is geworden en geen stap of trap (ze waren op de fiets) meer kon maken. Na de door mij in grote spoed gemaakte speurtocht naar de plaats van het onheil, waar niemand mij meer kon vertellen, kom ik in het ziekenhuis op de Eerste Hulp terecht en ontmoet ik mijn vrouw en kinderen. Nelly, nauwelijks aanspreekbaar, zegt bijna onhoorbaar: "ik ga dood." Ik: "je gaat zomaar niet dood, Nel. We gaan vechten." Een heel team artsen is in rep en roer. Er is geen redden meer aan. Vier uur later heb ik de familie gewaarschuwd en een kennis, die zich over de kinderen ontfermd had. Ze zijn onderweg. "Nelly, je moet nog even moed houden tot Anne en Sarah er zijn." Dat doet ze en ze sterft, na de paniek van de kinderen en mij gevoeld te hebben.

Het is niet eerlijk. We hadden nog zoveel te doen. Samen vergrijzen. daar heb je voor getekend. En nu? Wie zorgt er voor de kinderen? Het is alsof je hiervoor niet hebt geleefd. Niets is meer hetzelfde. Ik heb het gevoel alsof ik in tweeën ben gedeeld.
In het begin probeer je voor de kinderen het leven door te laten gaan, zoveel mogelijk zoals het was. Dat lukt dus niet. Ik probeer er te zijn voor de kinderen. Met een heleboel geregel en hulp van vrienden, buren, familie en school redden we het aardig, dat wil zeggen in praktische zin. Er wordt gezorgd, het huishouden draait door. Dan maar niet zo perfect.

Door herbeleving is het makkelijker loslaten

In de avond, wanneer al het werk gedaan is, is er tijd voor mezelf. Hoe nu verder? Waar ben ik mee bezig? Wat eerst? Krijgen de kinderen de aandacht die ze nodig hebben?
Ik ben gaan lezen, heel langzaam, stukje voor stukje in het boekje "Afscheid nemen. Loslaten wat dierbaar is" van Riekje Boswijk-Hummel. Het heeft mij erg geholpen; er is mij een hoop duidelijk geworden. Het leven van Nelly en mij was als door een kabel met duizenden adertjes met elkaar verbonden. Die kabel is abrupt doorgehakt door haar sterven. Iedere ader is een samen-beleving, een gebeurtenis. Door herbeleving is het makkelijker loslaten.
Nu heb ik het gevoel alsof ik in twee werelden leef: aan de ene kant zorgen voor kinderen en huishouden in de ruimste zin naar buiten toe; aan de andere kant, wat ik zélf wil. Mijn verdriet laat ik niet altijd de vrije loop. Vaak heb ik een groot gemis. Geen klankbord. Kortom, iemand die met je deelt.

Nu ik dit zo schrijf, besef ik dat ik er nog lang niet ben. Langzaam wil ik de deur weer open zetten om een ander weer in mijn leven toe te laten. Ik heb al een paar keer een alleenstaanden-dancing bezocht waar ik me niet echt prettig voelde; alsof ik in een etalage liep. Ik dacht dit stadium al lang voorbij te zijn maar toch, je moet wat, anders gebeurt er ook niets.
Nu loop ik mee met een groepje, voornamelijk familie, dat traint voor de Vierdaagse van Nijmegen. Het wandelen bevalt me wel, babbelen en lopen, zolang het geen uitputtingslag wordt. Ik ben vast van plan dit te blijven doen. Hier voel ik me lekker bij en het is goed te doen zonder dat het huishouden er onder lijdt. Gelukkig worden de kinderen wat zelfstandiger en mag ik me niet altijd meer met hen bemoeien. Ze weten het zelf dan wel...

Bij het opruimen van een kast vond ik een bladzijde uit een oude "Libelle" die iemand mij ooit eens heeft toegeschoven. Het ging over de Draaikolk. Met een goed gevoel heb ik jullie site bekeken en gelezen en weet ik me gesteund. Omdat ik al lang van me af heb willen schrijven, hoop ik hiermee ook een bijdrage te mogen leveren. Reacties zie ik graag tegemoet op mijn e-mailadres.

Bert Wijnands; e-mailadres: bert.wijnands@hccnet.nl


18 maart 2004
"Ik wil weer leven met al mijn kwetsbaarheid, zonder sterk te hoeven zijn!", door Femmy Leguijt

Nu, bijna vijf jaar na het overlijden van Kees, wil ik ook mijn verhaal voor de Draaikolk schrijven. En terwijl ik dit schrijf komen de tranen vanzelf…

Al ver vóór de fatale, zwarte dag in juni 1999 had ik het gevoel van: er hangt iets boven mijn hoofd, maar wat? Ik was onrustig en haalde opgelucht adem als iedereen 's avonds weer gezond aan het avondeten zat. Dit gevoel heeft zeker een paar maanden geduurd. Ik had er geen verklaring voor. Het nare onheilsgevoel heeft mij vastgehouden, als een ketting om mij heen. Het ging zelfs zo ver dat ik nergens meer heen wilde. Het liefst zat ik gewoon met Kees thuis en dat, terwijl ik altijd de hort op was.

14 juni 1999: mijn verjaardag. Wéér haalde ik opgelucht adem toen ik de brommer van Kees hoorde aankomen. Mijn laatste verjaardag met hem, wat ik toen gelukkig nog niet wist. 21 juni: Richard, mijn tweede zoon, belde om half zes op met de vraag of papa al thuis was en zo ja, of hij hem dan van Aalsmeer wilde halen. Papa was nog niet thuis (en zou nooit meer thuiskomen). Nu gebeurde dit wel vaker dat Kees later thuiskwam als hij het pontje bij Buitenhuizen gemist had.
Om zes uur wordt er gebeld. Twee politieagenten aan de deur met de mededeling dat Kees om half zes (toeval dat het gelijk met het telefoontje van Richard gebeurde?) een zeer ernstig ongeval had gehad. Een wapperend afzetlint, dat slordig was vastgemaakt, had hem 10 meter van zijn brommer gelanceerd. Hij was naar het AMC gebracht waar hij in coma lag. Hij is niet meer bij geweest...
Zou hiermee mijn onrustige gevoel van die maanden daarvóór verklaard kunnen worden? Het viel in elk geval als een baksteen van mij af, niet beseffend wat er precies gebeurd was. Ik kwam als het ware in een shocktoestand terecht waardoor ik, voor mijn gevoel althans, een grote fout heb gemaakt door mijn jongste zoon, toen 16 jaar, naar mijn zusje te sturen zodat mijn zwager mij naar Amsterdam kon rijden. Remco hoorde met me mee te gaan, maar dat besefte ik pas later, waar ik ontzettend veel spijt van gehad heb. Natuurlijk kwam hij ook later op de avond wel naar het ziekenhuis.

Kees kon en mocht thuis niet sterven, vanwege de apparatuur…

Toen we te horen kregen dat Kees het waarschijnlijk niet zou halen, wilde ik hem naar huis halen. Hij hoorde gewoon bij zijn gezin. Te meer, omdat mijn ervaring als ziekenverzorgster bij stervenden thuis mij geleerd had, dat dit het mooiste is wat je een stervende en hun familieleden kunt geven: om thuis te sterven, in je eigen omgeving, ondanks dat het verschrikkelijk zwaar is. Maar dit kon en mocht niet, vanwege de apparatuur...
Zondag 27 juni: die dag voelde ik heel sterk de energie van mijn vader, die al ruim dertig jaar weg is, om mij heen. Het was zo sterk dat het de hele middag en avond duurde. Een fijn gevoel, nog steeds niet beseffende dat Kees hersendood was. Toen kregen we te horen dat de behandeling gestaakt moest worden, omdat zij niets meer voor hem konden doen. Dit was een hele moeilijke beslissing, omdat ik het gevoel kreeg dat ik hem "vermoord" had.
Ook de laatste zondag heb ik voor mijn gevoel een "ernstige fout" gemaakt door niet de laatste nacht in het ziekenhuis te blijven. Ik wist toch dat het die maandagmiddag zou gebeuren? Ik, die altijd bij stervenden gewaakt heb. En mijn kinderen dan, moesten die ook in het ziekenhuis blijven? Het zijn de beruchte "waarom" vragen waar ik geen antwoord op krijg. Echter, het nare en schuldige gevoel steekt van tijd tot tijd de kop op, zoals nu.

Op de grens van leven en dood gaf hij ons een knipoog mee

De tijd tussen het staken van de behandeling en het sterven was heel mooi en waardevol. Het duurde exact 27 minuten eer hij stierf, maar op de grens van leven en dood gaf hij ons een knipoog mee… (zie het onderstaande gedichtje).
En dan de tijd erna. Het gevecht met de verzekering begon. De rechtszaak waarin geen aandacht werd geschonken aan het gevoel van de nabestaanden. Het rumoer verstomt. Mensen die beloven je nooit in de steek te zullen laten en je altijd zullen helpen zie je niet meer. Het leven gaat immers verder? De klok draait toch wel door, maar mijn klokje is op dat moment stil komen te staan.

Ik ben nu bijna vijf jaar verder. Ik probeer er weer wat van te maken. Ondanks dat ik het probeer, blijft tijdens de weekenden en de feestdagen een gevoel van eenzaamheid en gemis bestaan.
Terwijl ik eindelijk dit verhaal van mij afschrijf, stromen de tranen over mijn wangen. Misschien is het goed zo, ze komen los. Ik wilde altijd sterk zijn voor de buitenwereld, omdat zij niets anders verwachten. Maar ik ben kwetsbaar. Wilde sterk zijn voor de kinderen die ook hun vader missen door zo'n onnozel ongeval, wat niet hoefde gebeuren als wegwerkers niet zo slordig waren geweest met het afzetlint.
Misschien mag ik nu eindelijk eens toegeven dat ook ík een kwetsbaar mensenkind ben, die na een gelukkig huwelijk van bijna 27 jaar mijn dierbaarste bezit ben kwijtgeraakt. Ik wil weer leven met al mijn kwetsbaarheid, zonder sterk te hoeven zijn!

Knipoog

Op de grens van leven en dood,
gaf jij mij een knipoog, het mooiste cadeau.
Het is voor mij nog een onbekend geheim,
vanwaar ligt de scheidslijn.
Het geheim van leven en dood die mij
Jouw knipoog aanbood.

Een knipoog die mij wilde vertellen:
Ik zal altijd van je blijven houden,
Ondanks deze scheidslijn van leven en dood.

Ik ben in het aardse dood
maar Gods winden voel ik hier
Ik heb het zeil gehesen
om te zeilen in de wind.

En jij, mijn lieve kind,
denk aan mijn knipoog
op de grens van leven en de aardse dood.
Dan krijg je opnieuw het vertrouwen in je eigen geloof.
Het geloof van: het is hier fijn
En jij mag bij jou op aarde weer opnieuw gelukkig zijn.

Opnieuw gelukkig zijn
betekent opnieuw gaan leven met je kinderen
en een lieve vriend die van je houdt en van wie jij houdt.
Wees je ervan bewust:
voel je niet schuldig.
Eens, ja eens komen we elkaar weer tegen in dit hemelse leven.

Vandaag voel ik de winden Gods
en hijs ik het zeil.
Hij leidt mij en jou op je verdere levensweg.

2 maart 2003

Femmy Leguijt-Klopper; e-mailadres: zonnekaatje@wanadoo.nl


29 maart 2004

Herplaatsing van door ons verwijderde gegevens kost in het vervolg € 5,-- !!

Alles over het verwijderen van de ongeldige/onbestelbare e-mailadressen uit onze Draaikolk-rubrieken van de hoofdredactie

In de afgelopen jaren hebben we met een zekere regelmaat klachten van lotgenoten gekregen die hadden geprobeerd met een bepaalde lotgenoot uit "De Mailbox", "Samen actief" of "Ik denk aan jou" te mailen, maar dan hun mailtje als onbestelbaar retour kregen, al dan niet met de vermelding dat de geadresseerde onbekend was bij de provider. In onze spelregels hebben we niet voor niets opgenomen dat van lotgenoten van wie gegevens op de Draaikolk staan wordt verwacht, dat zij een e-mailwijziging altijd aan ons doorgeven om te voorkomen dat lotgenoten voor niets mailtjes gaan sturen en teleurgesteld worden. Ook dienen ze hun eigen geplaatste gegevens op de Draaikolk te controleren op juistheid, want wij kunnen natuurlijk een foutje maken. Het gaat bovendien ook om de betrouwbaarheid van onze site. Vandaar dat we met enige regelmaat controleren op de juistheid van de e-mailadressen.

In onze spelregels hebben we al sinds jaar en dag dan ook de volgende regels opgenomen:

Ongeldige e-mailadressen worden verwijderd

Om te voorkomen dat onze rubrieken ,,Mailbox", ,,Ik denk aan jou" en ,,Samen actief" een ,,vuilnishoop" wordt van niet meer werkzame en/of actieve e-mailadressen, worden deze regelmatig getest en worden niet-actieve e-mailadressen inclusief de bijbehorende gegevens van de lotgenoot of lotgenote verwijderd. Het is daarom zaak om wijzigingen in het e-mailadres zo snel mogelijk door te geven aan de redactie. Wie te vaak van e-mailadres verandert wordt eveneens verwijderd omdat dit niet alleen voor ons teveel (onnodig) werk oplevert maar ook erg teleurstellend is voor lotgenoten die je willen schrijven. Bovendien komt het steeds maar wisselen van e-mailadres niet erg betrouwbaar over. Alsof men iets te verbergen heeft.

Voorkom een volle mailbox!

Het komt regelmatig voor dat de mailbox van een lotgenoot niet regelmatig wordt geleegd en daardoor vol raakt en niet meer kan worden gebruikt omdat de datalimiet van de internetprovider is overschreden. Met name komen we dat tegen bij lotgenoten die een Hotmail-adres hebben maar ook bij mailboxen van andere gratis internet e-mail providers. Op het moment dat wij dat constateren zullen we de desbetreffende gegevens die bij het e-mailadres horen verwijderen uit de Draaikolk. Er wordt vrijwel elke maand gecontroleerd.

Herplaatsing dient te worden betaald

Tot nu toe hebben we enige coulantie betracht en zijn we niet direct overgegaan tot het verwijderen van gegevens behorende bij ongeldig/onbestelbaar gebleken e-mailadressen. Met ingang van deze maand gaan we dat echter wel doen omdat het aantal ongeldige/onbestelbare e-mailadressen sterk blijft stijgen waardoor de betrouwbaarheid van de Draaikolk in het geding is. Bovendien zullen (terecht) verwijderde gegevens niet zo maar worden herplaatst als de lotgenoot daar om vraagt. Het kost ons namelijk veel werk en voor ons ook kostbare tijd.

Daarom kan herplaatsing pas gebeuren nadat € 5,-- is overgemaakt op giro 1017457 ten name van L.Vos, Ter Apel, onder vermelding van: ,,Draaikolk-herplaatsing".

Met andere woorden: wie niet op tijd de eigen volgelopen mailbox leeghaalt of wie vergeet een wijziging van het e-mailadres tijdig aan ons door te geven, zal moeten betalen om opnieuw mee te kunnen doen.

We denken dat op deze manier de betrouwbaarheid van onze site en haar e-mail-rubrieken als ,,De Mailbox", "Samen actief" en ,,Ik denk aan jou" aanzienlijk wordt gewaarborgd.

Hotmail en andere gratis internet-mailproviders

Wat ons steeds vaker opvalt is, dat we de meeste problemen met ongeldige e-mailadressen hebben met adressen van met name Hotmail, maar ook wel met andere gratis internet-mailproviders. Veel mensen nemen zo'n adres uit oogpunt van privacy, want moeilijker te achterhalen en zo weer te verwijderen. Aan de andere kant is zo'n adres ook gemakkelijker te misbruiken door malafide internetters die het ,,leuk" vinden om gefingeerde gegevens te verspreiden.
Blijkbaar is het zo dat je met iets wat gratis is slordiger om kunt gaan dan met zaken waarvoor je moet betalen. Mocht hierin met betrekking tot de Draaikolk geen verandering komen dan overwegen we om gegevens onder deze e-mailadressen (Hotmail en anderen) te weigeren. Het is niet anders, maar we hopen natuurlijk dat het niet zo ver komt.

Bert en Monique Vos
Hoofdredactie De Draaikolk


31 maart 2004

"Lieverd, het is goed", door Mirjana van Zeijderveld

Drie jaar na het overlijden van mijn partner Elout had ik ontdekt dat met hem niet 'de' toekomst was verdwenen, maar 'een' toekomst.
En zo eindigde ik mijn drieluik "Wish you were here" in de Draaikolk (november 2003) met de uitgesproken wens om opnieuw een toekomst te starten, ditmaal met mijn nieuwe grote liefde Bas.

Nou, beste mensen, de verhuizing heeft plaatsgevonden afgelopen weekend en mijn gevoelens en gedachten zijn net zo vers als de verf op onze muren! Ach, het valt niet mee, maar wat is het een goede, fijne stap…Laat mij vertellen.

Na negen maanden van restauratiewerkzaamheden aan ons oude Zaanse huis was het zover: we zouden gaan verhuizen. Bas woonde bij mij in tijdens alle verbouwingen en dat ging goed. Totdat hij me onlangs vertelde, dat hij zich niet langer prettig voelde in het huis waar Elout en ik een geschiedenis hadden. Hij wilde erg graag met mij terug naar zijn zelfgekozen grond, naar zijn eigen huis. Ik wilde dit ook, maar voelde pas op dat moment een intens verlangen naar een nieuwe fase. Verbouwingen of niet, het huis moest bewoonbaar (lees: schoon en ingericht) worden; beter voor Bas en beter voor mij.

Dus begon ik donderdag jl. dozen in te pakken en koos bewust voor die spullen, die vooralsnog alleen van mij zijn. Het valt immers niet mee om door tien jaar geschiedenis en herinneringen te ploegen. Te ploegen ja, want het viel me tijdens eerdere pogingen heel zwaar. Gelukkig heb ik een ex-schoonvader (eerder een door mij aangenomen papa) die de eigenaar van het huisje is en mij alle tijd van de wereld geeft om die zo belangrijke periode in mijn leven goed en bewust af te sluiten. De schat…

"Lieverd, het is goed"

Goed, afgelopen zondag stroomde mijn hart over van liefde en weemoed en nu ik eraan terugdenk, gebeurt het weer…Bas en ik stonden in de woonkamer van ons nieuwe paleisje toen er een schoonmaakploeg van vrienden aankwam: acht man sterk, met emmers en dweilen, opgerolde mouwen en een zekere blik in de ogen: waar zullen we beginnen, jongens?
En terwijl ik naar boven vluchtte om de slaapkamer en overloop aan te pakken, hoorde ik prettig lawaai, zag ik vanuit ons raam mensen poetsen en met bouwafval slepen. Keek ik naar dierbare vrienden uit mijn tijd met Elout, vrienden die ook vrienden van Bas zijn al die jaren en schoot ik he-le-maal vol. Als Elout dit eens kon zien. Zou hij blij voor me zijn? Zou hij genieten van mijn nieuwe levenslust? En terwijl ik daar zo stond, met mijn ogen dicht, voelde ik de lentezon doorbreken op mijn gezicht, hoorde ik het vrolijke lachen van stoeiende vrienden buiten en kreeg ik Elout's warme stem luid en duidelijk door: "lieverd, het is goed".
Jullie, de lezers en lotgenoten, zullen beter dan wie ook kunnen begrijpen wat er toen door mij heenging…Ik heb een stevig potje uitgehuild in de armen van Bas en alleen maar geroepen dat ik écht wel blij was, hoor! We hebben hierom later hartelijk gelachen.

En daar zat ik gisteren, opgekruld op ónze bank, in een ander huis, in een ander knus dorp…de start van een ander leven. En het voelde goed. Heel anders ja, maar eh…wat kan "anders" toch hoopgevend zijn…!

Mirjana van Zeijderveld: e-mailadres: mirjanaz@zonnet.nl


Terug naar index Archief

Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen die hun partner hebben verloren