Terug naar index Archief

Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen die hun partner hebben verloren


Inhoud van de 5e jaargang nr. 1 - september/oktober 2002


Eerst even dit…

Bert en Monique Vos
Hoofdredactie De Draaikolk


Hoofdredactioneel: Het geluk lacht ons toe

Als ik boven dit stuk zet: ,,het geluk lacht ons toe", dan heb ik het niet over Monique en mij. Wij hebben niet te klagen, maar ik bedoel eigenlijk de verschillende lotgenoten die ons in de afgelopen maanden een mailtje stuurden met het verzoek hen te willen schrappen uit de Mailbox. Want ze hebben iemand ontmoet met wie ze hun leven verder willen delen. En omdat het opbouwen van een nieuwe relatie veel energie vergt, blijft er geen tijd over om e-mailcontacten te blijven onderhouden. Ik stuur ze dan enthousiast een mailtje terug en wens hen heel veel geluk toe in hun verdere leven en hoop van harte dat het inderdaad blijft lukken om samen verder te gaan. Want ook al denken we dat het niet zo moeilijk zal zijn, het is beslist geen sinecure om je leven opnieuw met een ander te gaan delen als je dat voordien al heel lang en succesvol met je nu overleden partner hebt gedaan. Ik weet waar ik over praat, ook al heb ik desondanks het gevoel dat het wat mij betreft gelukkig een ,,makkie" is. Alle gewoontes die je had zul je moeten ,,heroverwegen" en misschien moeten ,,herzien". Veel van wat je voordien onlosmakelijk aan jezelf verbonden zag is vaak helemaal niet zo ,,onlosmakelijk" en blijk je er heel gemakkelijk afstand van te kunnen doen. Maar niet alles gaat zo gemakkelijk. Er kunnen zich ontzettend veel ,,hobbels" voordoen die genomen moeten worden.
Hobbels met betrekking tot beider familie en schoonfamilie, bijvoorbeeld. En als er (jonge) kinderen zijn zullen er ongetwijfeld nog op te lossen problemen opdoemen. Maar ondanks alles ben ik van mening dat je altijd de prioriteit bij jezelf en je partner moet leggen.
Dat is de mening van één lotgenoot en bovendien van een man. Die (om maar eens een voorbeeld te noemen) weliswaar binnen de kortst mogelijke tijd na meer dan veertig jaar de moed had om baard en snor te verwijderen, maar toch: het blijven eenzijdige ervaringen van één mannelijke lotgenoot.

Wat ik zo graag zou willen is een stroom van mailtjes met ervaringen (positieve en negatieve) van lotgenoten, mannen en vrouwen, over een nieuwe relatie. En weet je waarom? Omdat ik heel erg graag al mijn lotgenoten, die alleen zijn, een hart onder de riem wil steken. Ik moest daar aan denken toen ik opnieuw een mailtje kreeg van iemand die een nieuwe relatie had gevonden en er in één adem aan toevoegde dat ze zoveel aan de Draaikolk heeft gehad. Daarmee wil ik niet zeggen dat de Draaikolk dus een soort ,,relatiebureau" is voor mensen die hun partner hebben verloren, ( haar partner had ze overigens niet via de Draaikolk ontmoet) maar wel dat je, hoe dan ook, uit ons internettijdschrift hoop en troost kunt plukken.
,,Het geluk lacht ons toe". Dat betekent niet dat jouw kandidaat-partners (zo je daar naar op zoek zou mogen zijn) zich in rijen van drie voor jouw huisdeur opstellen. Maar je moet er wel open voor staan zonder er elk moment van de dag aan te denken. Wat dat betreft geldt nog onverminderd mijn credo: Laat het gebeuren!

Natuurlijk, er zijn tal van lotgenoten die dit lezen die nog maar nauwelijks beseffen dat ze hun partner hebben verloren. Voor hen kan het bovenstaande wel erg zuur klinken. Cynisch bijna. Ze zijn en voelen zich immers volstrekt alleen. Hebben veel verdriet en beginnen net aan de verwerking van hun onnoembaar hevige rouw. Ik weet het en mijn hart huilt mee met het verdriet van die lotgenoten. Maar ik zeg er meteen bij: er komt misschien ook voor jou wel een moment dat het geluk je weer toelacht. En dat je mij een mailtje stuurt met het verzoek om jouw gegevens uit de Mailbox te halen.

In de vier jaar dat De Draaikolk bestaat ( we beginnen alweer aan de vijfde jaargang) heb ik van ettelijke lotgenoten mailtjes gehad die mij enthousiast vertelden dat ze niet langer alleen waren. En dat ze daarom niet langer in de Mailbox wilden staan. Toen ik dat voor het eerst las vond ik nog een beetje zuur dat we dus ,,bedankt werden voor de bewezen diensten" en dat was het. Ik had zo graag willen weten hoe het verder met deze gelukkige lotgenoten zou gaan. Hoe zij hun nieuwe leven hadden opgepakt, problemen hadden overwonnen. Want met die ervaringen kunnen we misschien lotgenoten die op het punt staan een nieuwe relatie aan te knopen een hart onder de riem steken. Ik heb in al die jaren eigenlijk nauwelijks meer iets vernomen van al die ,,geluksvogels". En dat is eigenlijk best wel een beetje jammer. Toch? Wie weet lezen zij nu dit artikel en krijg ik (en krijgen jullie) alsnog hun verhaal te lezen. Dat zou een mooie nieuwe reeks kunnen zijn in ons komend lustrumjaar!

Bert Vos
Hoofdredacteur De Draaikolk


Een tijdje geleden heb ik jullie geschreven en is mijn stukje geplaatst. Jij hebt het : "De troost van het verdriet" genoemd. Ik had wel reacties verwacht, maar heb ik niet gekregen, helaas.
Ik ben zo'n 2 tot 3 keer per week op jullie site aanwezig en heb er nog steeds steun aan. Ik reageer ook op de geplaatste artikelen en vindt er steeds weer interessante onderwerpen bij. Door het bezoeken van jullie site ben ik zelf ook een dagboek op de pc begonnen en dat helpt mij bij de verwerking. Ik doe een hoofdstuk hierbij. -José Osterman-

En wij plaatsen het graag. Bedankt, José! - Bert-


Geen verschil? Of toch wel? Een overpeinzing van José Osterman

Is er een verschil of je plotseling je partner verliest of dat je het door ziekte aan ziet komen? Verschil is er, maar of je daar iets mee opschiet?
Vaak werd mij toegefluisterd dat het toch wel fijn was dat ik alles nog heb kunnen bespreken met mijn partner. Soms vond ik dat ook wel zo, maar dat bespreken is helemaal niet altijd prettig geweest. Het is bij ons ook niet zo geweest dat we rond de tafel zijn gaan zitten en alles stuk voor stuk besproken hebben of dat mijn man zelf iets had opgeschreven. Nu ik dit allemaal meegemaakt heb, wil ik zelf wel alles beschrijven, alleen heb ik dit tot nu toe nog niet gedaan, maar ik ga dat beslist doen.
Praktisch is het wel als alles al geregeld is, dat heb ik wel ervaren.
Alleen is het wel een verschil of je je laatste wil beschrijft terwijl je nog volop in het leven staat en niet ziek bent of je vertelt wat je wilt terwijl je ziek bent en weet dat je dood gaat. Dat mijn man begraven wilde worden en niet gecremeerd dat wist ik wel, maar dat was ook het enige. Toen hij wist dat hij dood zou gaan liet hij van tijd tot tijd los wat hij wilde, maar niet altijd even duidelijk.

Jammer

We waren b.v. op een begrafenis van een collega toen mijn man zei dat hij het niet zo wilde op zijn eigen begrafenis, hij zei er alleen niet bij hoe hij het dan wel wilde. Ik vroeg hem toen toch hoe hij het dan wel wilde, waarop hij antwoordde: jij doet net of ik al gauw ga. Later zei hij toch dat hij geen bruine kist wilde maar een rode, maar hij wilde hem niet zelf uitzoeken, wat sommigen zelf wel doen.
Op de begrafenis van die collega waren geen bloemen, terwijl wij wisten dat zijn collega dat wel gewild zou hebben, maar hij had niets beschreven, dus had zijn familie maar beslist, alleen rekening houdend met hun eigen geloofsovertuiging en niet met de wensen van de plotseling overledene. Had hij het nu maar opgeschreven... Kijk hier merk je het verschil. Ook over de rouwkaart werd tussen neus en lippen iets gezegd. Hij wilde geen kaart met een rouwrand en geen takken of kruis erop, nee er moest een foto van zijn motorfiets de Ducati erop, ook mocht er niet in de tekst vermeld worden, dat hij altijd zo'n lieve vader en echtgenoot geweest was, dat vond hij altijd zo melig als dat op een rouwkaart stond, ook niet dat hij zo dapper gestreden had tijdens zijn ziekte. Wat moet er dan op vroeg ik hem, schrijf er maar "jammer" op. Jammer was het woord dat hij steeds gebruikte als iemand hem vroeg hoe hij zijn ziekte ervoer. Ik was boos dat juist mijn man ziek geworden was. Ik gebruikte hele andere woorden, vond "jammer" maar zwak uitgedrukt, maar hij zei altijd: "jammer dat ons dat nu moest overkomen". Dus "jammer" stond er op de rouwkaart.

Grafbandje

Een andere keer tijdens het eten had hij het ineens over de muziek die gedraaid moest worden en dat was op een enkel nummer na toch weer net een ander nummer als dat ik zelf uitgezocht zou hebben. Schrijf het maar op, anders vergeet ik het. Maar dat was hem net iets te veel, je zoekt het maar uit hoor, zei hij. Weken later was hij volop bezig muziek op cassettebandjes te zetten en toen ik hem aan de telefoon riep voor een collega zei hij dat die collega maar even wachten moest, hij was net bezig met zijn "grafbandje" zoals hij dat zelf noemde. Voor mij en ook voor onze dochter was dit heel moeilijk. Prettig dat hij dat voor ons regelde, maar toch ook wel heel erg emotioneel.
Meestal worden er maar 3 nummers gedraaid, maar hij had er wel 10. Dat kan niet, zei ik hem, dan blijft er geen tijd over om te praten, dan is er alleen maar muziek. Beter zo, zei hij, meestal wordt er toch alleen maar maf gesproken, dingen die aangehaald worden zijn dan alleen maar de positieve dingen en als er niets positiefs over iemand te zeggen valt verzinnen ze wel wat, nee dat moest bij hem niet gebeuren. Hij wist zeker dat ik wat zeggen zou, maar dat mocht niet dit….. en beslist niet dat….. waarop ik antwoordde dat ik toch ook wel een stem in het kapittel had, ik was wel diegene die alleen achterbleef en trouwens hij hoorde daar toch niets meer van? Of misschien wel?
Kijk het maakt wel degelijk verschil of je weet dat iemand dood gaat. Maar of dat verschil nu positief is, is nog maar de vraag. Ik sprak een vrouw die 2 maanden voor de dood van mijn man haar man verloor en haar man had haar precies verteld wat hij wilde en wel dat hij niemand op de crematie wilde, alleen zij mocht er zijn. Geen bloemen. En ook niemand mocht hem meer zien als hij dood was. Zij had hem gelijk verteld dat ze het daar niet mee eens was, hij had immers nog zussen en vrienden, kennissen. Die moet je toch de kans geven afscheid te nemen, maar dat vond hij niet belangrijk. Ze zou daar "later" als het einde echt naderde nog op terugkomen, maar hij is toen toch nog onverwacht snel gestorven en toen zat ze toch met een probleem. Moest ze nu gehoor geven aan zijn wensen? Dat kan ook wel eens te ver gaan. Ook ik heb letterlijk met al de wensen van mijn man rekening gehouden omdat hij degene was die dood was gegaan, maar waarom moet je met alles rekening houden voor diegene die dood gaat? In het dagelijkse leven doe je dat toch ook niet? Dan doe je toch ook wel eens je eigen zin. Of verzet je je ergens tegen. Of je zegt gewoon dat je het niet doet. Waarom is er ineens een verschil als iemand doodgaat? Van sommige wensen van mijn man heb ik spijt dat ik het zo gedaan heb zoals hij wilde, nu achteraf dan. Tijdens het bespreken met de uitvaartverzorger leef je in zo'n roes. Als je later wat meer tot je positieven komt en alles wat beter tot je doordringt denk je er anders over. Kijk weer een verschil.

Toch anders...

Tijdens zijn ziekte (kanker achterop zijn tong) en alle behandelingen, wilde mijn man niet anders behandeld worden. Hij wilde geen verschil. Maar verschil ontstaat gewoon of je nu wilt of niet, bewust of onbewust. Hij ging toch wel makkelijker geld uitgeven. Normaal deed hij dat niet. Vaak vond hij iets te duur en dacht er lang over na om iets te kopen. Nu kócht hij gewoon. Bijvoorbeeld voor zijn modelspoortrein. Daar heeft hij letterlijk tot aan zijn dood toe aan gewerkt en alles nog voor aangeschaft. Nu vond ik het prima dat hij daar tijd aan besteedde hoor, het was voor hem een prima afleiding, maar als ik nu achteraf bekijk hoeveel geld het gekost heeft, terwijl het er nu zomaar staat, vind ik dat toch wel zonde. Als hij dat allemaal had aangeschaft als hij niet ziek was geweest had ik daar wel een stokje voor gestoken, maar het maakt een groot verschil of iemand ziek is, blijkt wel weer. Ook vroeg hij diverse mensen, collega's, zijn broer om iets voor hem te kopen. Bijvoorbeeld een bepaald boek of tijdschrift, een modelauto, een cd-walkman zodat hij in bed ook naar muziek kon luisteren, een bepaalde cd waar moeilijk aan te komen was, dat moest dan op stel en sprong gekocht en bij hem gebracht worden en dat deden ze ook, want hij was degene die er dadelijk niet meer zou zijn, ze deden het graag voor hem, maar als hij niet ziek was geweest hadden ze niet zo hard gelopen en wat het ergste was, hij betaalde niets, ging er vanuit dat zij dat betaalden en dat deden ze dan maar, hij ging immers dood. Van mensen die hun partner plotseling verloren hebben hoor ik wel eens, had ik hem/haar dat toen nog maar gegeven, had ik dat nog maar gekocht, want wat is geld nu eigenlijk? Hád ik nog maar…..
Terwijl ikzelf wel alles nog heb kunnen kopen en doen voor hem, heb ik daar toch ook geen goed gevoel over, dus wat is het verschil?

Is er verschil?

Mijn rouwproces is al begonnen voordat mijn man was overleden, bij plotseling overlijden gebeurt dat daarna. Maar is er verschil? We missen onze partner allemaal op onze eigen manier, dat is wel een verschil, maar de rouw blijft, bij de een wat langer als bij de ander. Ook uit de een het, de ander niet.
Bij mij is er iedere dag een verschil, zelfs ieder uur. Zo voel ik me goed, dan is het weer mis. Zo lach ik en zo huil ik. Een groot verschil met vroeger, toen huilde ik zelden en was ik meestal vrolijk. Ja zelf merk ik een groot verschil van het leven met mijn man en nu zonder hem.
Ook wordt mij wel eens gevraagd of het scheelt dat ik nog maar 50 was toen ik mijn man verloor. Of dat nu verschilt met iemand van 80. Ik weet het niet. Ik heb wel 30 jaar korter genoten en die ander 30 jaar langer. Dus die heeft dan ook 30 jaar langer van zijn/haar partner gehouden. Maar mis je iemand meer omdat je iemand langer kent? Dat denk ik niet.
Omdat ik jonger ben heb ik nog niet veel mensen om me heen verloren en iemand van 80 wel.
Ook sta ik nog volop in het leven, volg cursussen, sport en heb mijn werk. Iemand van 80 niet meer. Geen werk meer, al heel wat familie, vrienden, buren verloren.
Maar als ik sommige verhalen in de Draaikolk lees van veel jongere mensen die hun partner zijn kwijtgeraakt is daar ook weer een verschil. Diegene van 80 heeft zijn/haar kinderen op kunnen voeden, groot zien worden, zien trouwen, heeft genoten van de kleinkinderen. Mijn man heeft zijn dochter zien opgroeien, zij was 21 toen hij stierf, hij heeft haar vriend nog gekend, heeft gezien in welk huis ze zouden gaan wonen, kan helaas haar trouwerij niet meemaken, eventuele kleinkinderen niet meer meemaken. Heeft gezien wat een prachtige, lieve dochter zij is.
Maar die vrouw die nog maar 25 is, 1 kindje van 2 en van de tweede in verwachting, haar man zal zijn 2e kindje nooit gezien hebben, zijn 1e kindje niet op zien groeien enz. Voor die vrouw is er een groot verschil. Zij is nog maar net met haar leven op gang. Moet alleen de kinderen opvoeden, kan niet zomaar in bed gaan liggen huilen de hele dag, moet er voor de kinderen zijn en het liefst opgewekt.

Zo zie je maar: ….geen verschil …..toch verschil

José Osterman, voor e-mail-reacties: OstermanDoe@zonnet.nl


Zij- kort verhaal door Bert Vos

Op het moment dat hij haar zag was het alsof hij door de zwaarste bliksem werd getroffen. Bammm! Wat hij zag was een onmogelijkheid en toch zagen zijn ogen het en registreerden zijn door de beelden verdoofde hersens een niet bestaanbare realiteit.
Nu had hij wel vaker gelezen dat mensen die een zwaar verlies hadden geleden nog lang daarna hun verloren dierbare konden ,,zien" en op de meest vreemde plekken tegenkwamen. Alsof ze nooit weg waren geweest. Maar zo scherp hij haar nu zag, terwijl ze daar zat op die stoel bij het raam, ietwat gedachteloos roerend in haar kop koffie, zo scherp konden dromen niet zijn, vond hij.

Hij was roerloos blijven staan, midden in de zaak, terwijl allerlei mensen langs hem liepen en een gestresste ober hem steeds met een geïrriteerde blik weg probeerde te kijken. Hij stond duidelijk in de weg.Hij staarde naar haar, zijn vuisten in een reflex gebald. Versteend. Met opengesperde ogen vol ongeloof.
Het moet een raar gezicht zijn geweest, bedacht hij achteraf. Een man van middelbare leeftijd die zonder enige reden onbeweeglijk in het drukke café stond, starend naar een mooie vrouw.
Want mooi was ze. Zoals ze altijd was geweest.
De bokkige ober liep tegen hem aan en mompelde een niet zo'n aardige verwensing waardoor hij weer bij z'n positieven kwam. Langzaam ontspanden zijn vuisten zich en hij begon naar het tafeltje bij het raam te lopen.
Zij draaide haar hoofd om en zag hem komen. Uit niets bleek dat zij hem herkende. Haar ogen waren belangstellend afwachtend, maar verder niets.
Ze nam een slok van haar koffie, terwijl ze haar hoofd weer omdraaide om naar buiten te kijken, waar twee opgewonden fietsers een verbaal vechtpartijtje begonnen over de vraag wie er nou fout zat toen ze ,,zo maar" tegen elkaar aanreden en elkaars voorwielen in de vernieling hielpen.

Op een paar meter afstand van het tafeltje bleef hij staan. Ze keek hem opnieuw aan, terwijl haar blik zo nu en dan snel naar het tafereel buiten op straat afdwaalde. Er speelde een kleine glimlach om haar mond. Onopvallend bijna.
Hij vatte moed en terwijl het klamme zweet hem het gevoel gaf in een dikke winterjas in een sauna te lopen, liep hij verder met een vragende blik en zei: ,,Is die plaats nog vrij?" Toen ze snel knikte overbrugde hij de laatste centimeters met de vraag of ze bezwaar had dat hij… en wachtte het antwoord niet af. Met een zucht liet hij zich op de stoel zakken en veegde onbewust het zweet van zijn voorhoofd. Om haar opnieuw vol ongeloof aan te staren.
Blijkbaar viel dat wel erg op, want haar glimlach verstarde. ,, U staart onbeschaamd naar een vrouw", zei ze, "en dat is niet netjes in gezelschap".
Zo zou zij het ook hebben gezegd. Misschien wel met dezelfde woorden. Gewoon recht voor z'n raap.
,,Je bent het niet echt", zei hij vol ongeloof en hij schrok van zijn eigen woorden.
Even keek ze met verbazing naar de man tegenover zich, zag de schrik in z'n ogen en begon opeens uitbundig te lachen. Het klonk hem als muziek in de oren. Het was gewoon haar spontane lach als hij weer eens iets stoms had gezegd.
,, Het is echt om te gillen", hikt ze nog na, ,,u komt naar me toe met een blik van ,,die vrouw ga ik versieren", u geeft me nauwelijks de tijd om te reageren op uw vraag of u aan dit tafeltje mag zitten, begint me onbeschaamd aan te staren en vertelt me dan dat ik niet echt ben. Zo'n rare versiertruc heb ik nog nooit meegemaakt. Nou u hier toch zit, vertel me maar wat u me wilt vertellen. Dat uw vrouw u niet begrijpt en zo. Als u daar een mooi verhaal van weet te maken kijken we wel verder of uw aanwezigheid aan dit tafeltje nog langer gewenst is of niet". Hij zweeg. Niet direct in staat om een zinnig antwoord te verzinnen. ,,Ik…", hij begon te stotteren. ,,Ik denk dat ik maar ga, ik denk dat het stom is, dat ik het droom of zo. Ik denk dat ik gek ben geworden…"
Ze keek hem nu met een peinzende blik aan. ,,Waarom denkt u dat" vroeg ze met een zachte stem. ,,Ik denk dat u gelijk hebt, maar waarom? Er is iets gebeurd hè?"
Hij kon het niet langer verdragen. Dat gezicht, die stem, die klank, die ondertoon van bezorgdheid.
,,Stop!!" Hij sprong overeind.

Het geroezemoes aan de tafeltjes om hen heen verstomde. Het was opeens alsof iedereen de adem inhield. Hij keek om zich heen en voelde tientallen ogen op zich gericht. Ogen die hem bestraften, die hem beloerden en ogen die hem vertelden dat hij niet langer gewenst was.
Alleen in haar ogen zag hij mededogen. En nieuwsgierigheid.
Met een simpel gebaar dwong ze hem weer te gaan zitten. ,,Vertel", zei ze toen en er was geen tegenspraak mogelijk. Hij keek naar haar, zag zijn overleden vrouw opnieuw daar zitten zoals ze altijd was geweest en toen brak bij hem de laatste barrière waarmee hij zijn emoties in toom had gehouden.
Hij begon te praten in een stortvloed van over elkaar heen buitelende woorden. Hij bekommerde zich niet om de mensen om hem heen die hun gesprekken weliswaar hadden hervat maar nu zo nu en dan met verstolen blikken naar hun tafeltje keken. Hij praatte en praatte. Alsof zijn leven ervan afhing.
De norse ober die hem nog geen tien minuten geleden de zaak uit had gewenst vroeg hem nu met slijmerige stem wat hij wilde drinken, maar hij zwaaide de man ongeduldig weg. Hij wilde niet lastig gevallen worden. Hij wilde alleen maar praten, praten, praten.

Het leek uren later toen hij weer bij zinnen kwam. Het was alsof hij uit een diepe trance ontwaakte.
Tegenover hem zat nu een onbekende vrouw met een aardig, lief gezicht. Ze keek hem vragend aan. ,,De ober vraagt wat je wilt drinken", zei ze, toen hij niet reageerde. De norse ober stond aan hun tafeltje. Hulpeloos haalde hij zijn schouders op. ,,Doe maar wat", mompelde hij, verbijsterd door wat hem overkwam.
,,Meneer wil graag een pilsje en doe mij maar een Campari". Haar stem klonk ineens resoluut. Hij keek haar aan, niet begrijpend. Ze glimlachte.
,,Je hebt mij net heel erg uitgebreid jouw levensverhaal verteld en ik ben onder de indruk. Misschien wil ik wel meer horen. Maar je hebt vast wel dorst gekregen van al dat gepraat".

Zijn hele verdere leven heeft hij zich afgevraagd wat er die middag in dat café precies is gebeurd. Hoe hij in haar zijn overleden vrouw had kunnen zien. Hoe zij had kunnen weten dat hij alleen maar bier dronk. En waarom zij uitgerekend Campari dronk, de lievelingsdrank van zijn overleden vrouw. Echt belangrijk vond hij het niet, want die bijzondere vrouw in dat café aan dat tafeltje bij het raam was daarna nooit meer uit zijn leven verdwenen, maar het gevoel van verwondering bleef toch wel aan hem knagen. ,,Gestuurd toeval", noemde zij het dan opgewekt, als hij er weer eens over begon. ,,Je moet het leven nemen zoals het komt. En ik denk niet dat je wat dat betreft ontevreden kunt zijn".

Ze had, net als altijd en net als zijn eerste vrouw, gelijk.

*

juli 2002


De salade van het verdrongen verdriet

Soms heb ik heel sterk het gevoel dat ik mijn verdriet, mijn verlies ,,eindelijk" heb verwerkt. Voor zover dat ooit helemaal het geval kan zijn. Ik voel me dan lekker in mijn vel zitten, geniet van allerlei dingen waar ik voordien nauwelijks nog van kon genieten en kan weer plannen maken zonder het gevoel te hebben dat ik er eigenlijk geen zin in heb.
Nu is er natuurlijk wel heel veel in mijn leven veranderd en heb ik alle redenen om me lekker te voelen, maar toch. ,,Je hebt makkelijk praten", hoor ik jullie al, wellicht met enige afgunst, mompelen. En natuurlijk hebben jullie dan wel een beetje gelijk. Maar ook al heb ik dan alle redenen om te lachen, het betekent allerminst dat ik ,,dus" geen gevoelens van melancholie, van verdriet of rouw meer ken. Dat die emoties zijn verdwenen als sneeuw voor de zon. Want niets blijkt minder waar.

Juli is al mijn hele leven ,,onze" verjaardagsmaand. Janny was, net als ik, in juli jarig. We waren dan vrijwel altijd op vakantie, dus echt de verjaardag vieren in familieverband hebben we dan ook zelden kunnen doen. Dat was er waarschijnlijk ook de oorzaak van dat we, toen we niet langer in het hoogseizoen op vakantie hoefden, ook toen nog zelden onze verjaardag met kinderen en kleinkinderen vierden, omdat zij juist wél weer aan het hoogseizoen gebonden waren. In de loop der jaren vervaagde daardoor onze behoefte aan familiale verjaardagsbijeenkomsten. Tot Janny overleed en ik alleen achterbleef. Opeens waren onze verjaardagen emotioneel zwaar beladen dagen geworden en bracht ik die dagen bij voorkeur toch bij mijn kinderen door. Naarmate ik het verdriet om mijn verlies in de loop der tijd leerde verwerken werd ook die behoefte weer minder groot en toen ik Monique leerde kennen gingen de verjaardagen min of meer weer zonder veel verdrietige herinneringen voorbij. Ook die van Janny. Ik vergat haar verjaardag niet, maar ik maakte er geen ,,herinneringsdag" van. Daar was haar sterfdag voor, vond en vind ik.
Vorig jaar verliep alles anders en waren Monique en ik door allerlei omstandigheden wèl in juli in het buitenland op vakantie. Ik kan me nog nauwelijks herinneren hoe we die dagen hebben doorgebracht, op een paar opmerkelijke gebeurtenissen na, die ik vorig jaar voor de Draaikolk beschreef.

En dit jaar waren we dus thuis. We waren inmiddels getrouwd, hadden een paar maanden erg ontspannende vakantie achter de rug en waren bezig ons geestelijk en materieel voor te bereiden op de aanstaande verhuizing in oktober. Mijn gedachten waren dit jaar helemaal niet bij mijn of haar verjaardag. In de dagen ervoor wist ik dat Janny's verjaardagsdatum naderde en bedacht ik wat Monique en ik die dag misschien zouden kunnen doen, maar op de dag zelf? Het leek alsof ik haar verjaardag was vergeten.
Die dag besloot ik op de valreep om eindelijk de salade te maken die ik Monique al heel vaak had beloofd. Het was ooit mijn specialiteit en ik had haar dat niet zonder enige trots verteld. Terwijl het buiten tegen de dertig graden liep, pijnigde ik mijn hersens over de ingrediënten die ik nodig zou hebben en die Monique zou halen. Ik wist me niets te herinneren, terwijl Monique, die zoiets nog nooit had gemaakt, ook tot haar eigen verbazing heel vlotjes opsomde wat er volgens haar in zou moeten… Alles klopte.

De hele middag heb ik verder in de keuken doorgebracht. Al kokend, snijdend, purerend, mengend. Het maken van een salade behoort in gedachten vaak tot de categorie ,,iets gemakkelijks" als je geen zin hebt in een uitgebreide kooksessie. Zelden heb ik echter zoveel tijd besteed aan het maken van een maaltijd. Uren lang ben ik bezig geweest.
Toen ik eindelijk klaar was bleek ik toch wat al te ,,enthousiast'' te hebben gewerkt, want de salade was wat dun geworden en bovendien was er onvoldoende tijd over gebleven om het te laten koelen. De smaak was goed, maar een teveel aan groentenat kan funest zijn voor het in stand houden van een mooie garnituur. Monique troostte me door me te vertellen hoe lekker ze het vond, maar ik was boos op mezelf, want het was niét de salade geworden die ik haar al die tijd in het vooruitzicht had gesteld.

De toast die we met een koel glas witte wijn op Janny uitbrachten, was voor mij waarschijnlijk het laatste zetje dat mijn geest nodig had naast de hitte van de dag die tal van herinneringen naar boven bracht. De huilbui die volgde was intens en de heftigheid ervan overrompelde mij zoals altijd. Monique maakte er een opmerking over en ineens drong het echt tot me door wat ik had gedaan. Ik had op Janny's verjaardag haar lievelingsgerecht gemaakt. Zoals ik dat mijn hele leven eigenlijk had gedaan. Ik had de salade, besefte ik opeens, onbewust voor Monique én Janny gemaakt. Uitgerekend op die ene dag.

Door mijn ongekend ,,enthousiasme" was het overigens wel een erg grote salade geworden waar we nog dagen van hebben kunnen genieten. Wat dat betreft kan ik vaststellen dat we nog nooit een verjaardag van mijn overleden vrouw zo culinair hebben gevierd. Dagenlang. En eerlijk is eerlijk: de salade werd steeds lekkerder…

Bert Vos
juli 2002


Op 26 april 1999 komt Eric Klaverweide, de man van Monique, op 44-jarige leeftijd door een motorongeluk om het leven. Hoe zij dat eerste jaar daarna heeft beleefd, is te lezen in de serie "Blaka Rosoe", waarvan de laatste aflevering in de december-editie 2001 is verschenen (te vinden in het archief).

In "Dubbel-leven" pakt Monique haar verhaal twee jaar later weer op. Inmiddels heeft zij via "de Draaikolk" haar tweede liefde ontmoet en zijn wij in februari 2002 getrouwd. In deze tweede serie verhalen beschrijft zij - vanuit het nu en deels door terug te blikken - hoe zij haar leven weer heeft opgepakt en op welke wijze haar rouwproces hierin onverminderd een eigen plek heeft behouden. Een verhaal over hoe geluk naast verdriet kan bestaan. In de hoop dat het volgen van dit "dubbel-leven" andere lotgenoten zal doen beseffen dat er na verlies nog een toekomst mogelijk is. Dat je met een nieuwe partner/lotgenoot - ondanks alle dubbele gevoelens - toch en misschien wel nóg intenser van het leven kan gaan genieten. Een leven dat weliswaar door het gemis nooit meer hetzelfde zal worden. Een leven dat anders is, maar daarom zeker niet minder waardevol. (Bert Vos, hoofdredacteur)


Dubbel-leven (4): Déjà vu, oftewel: het leven opnieuw uitdagen

Nu ik mijn handtekening heb gezet onder het koopcontract van het huis dat Bert en ik samen hebben gekocht, bevind ik mij in precies dezelfde situatie als ten tijde van Eric's overlijden. Ook destijds was de aankoop van ons nieuwe huis al bezegeld en waren we in afwachting van de oplevering toen Eric verongelukte. Voor mij stond het buiten kijf dat ik alles op alles wilde zetten om ons - in principe reeds verkochte - huis te behouden. Ik moest er niet aan denken om in die verwarde toestand ook nog eens mijn vertrouwde omgeving te moeten verlaten en onze spullen in te moeten pakken. Ineens keek ik met andere ogen naar het huis waar ik maanden eerder zonder te verblikken of verblozen met één pennenstreek zo gemakkelijk afstand van had kunnen doen. We waren reeds diverse keren verhuisd en het maakte mij niet zoveel uit wáár ik woonde, zolang het maar met hém was…
Maar ineens was elk voorwerp, door Eric persoonlijk op een bepaalde plek neergezet of opgehangen, bijna heilig voor mij geworden. Er moest dan ook niemand met zijn vingers aankomen. Ook van de door hem zelf gelegde parketvloer, die deel uitmaakte van de verkoop, wilde ik geen afstand meer doen. Koste wat het koste, de verkoop zou ik ongedaan maken. Het nieuwe huis zou ik wel weer zien te verkopen. Uiteindelijk is me dat ook gelukt, overigens niet dankzij de medewerking van de koper (tussen twee haakjes ook een weduwnaar…) zoals ik eerder heb beschreven in "Blaka Rosoe".

Opnieuw risico's durven nemen

Ik was mij dan ook zeker bewust van het risico dat ik nam door definitief te beslissen om samen met Bert te gaan verhuizen. Uiteraard had ik mezelf al vaker die vraag gesteld. Durfde ik het aan om mijn schepen definitief achter mij te verbranden? Niet omdat ik geen vertrouwen zou hebben in onze relatie, maar stel dat Bert iets zou overkomen, zou ik dan niet liever in m'n eigen huis en in m'n vertrouwde omgeving willen blijven wonen? Maar, de realiteit was dat ik mij niet langer vertrouwd voelde in mijn eigen huis. Het maakte deel uit van mijn leven met Eric en dat leven was voorbij.
Bovendien hebben Bert en ik in de loop van de tijd ervaren dat wij ons het fijnst voelen in het huis van de ander. Echt goed kunnen we dit gevoel niet verklaren. Zo zag ik steeds op tegen het openen van de binnengekomen post. Niet omdat het zo veel was, maar omdat het betrekking had op het verleden. Aangezien Eric degene was die zich met de administratie had beziggehouden, kwam ik telkens zijn handschrift tegen. Alleen al het aantreffen van de tastbare afdruk van zijn vulpen op de papieren was voldoende om de gevoelens van pijn weer aan te wakkeren. Dat vooruitzicht alleen al maakte mij verdrietig. Ik ontliep die gevoelens door zolang mogelijk te wachten met het openen van de post.

Nieuwe start

Maar het feit dat Bert en ik ons buiten onze vertrouwde omgeving prettiger voelen, sterkt mij in de overtuiging dat een nieuwe start op een nieuwe plek uiteindelijk beter voor ons zal zijn. Zo kunnen we een streep zetten onder dat aspect van ons verleden. Maar, zou ik mij ook zo voelen wanneer ik onverhoopt weer alleen zou komen te staan en ik ver weg woon van familie en vrienden? Want dat één van ons dit ooit weer zal moeten meemaken, dat staat immers vast.
Echter, terugkijkend is mijn ervaring dat de persoonlijke contacten, een enkele uitzondering daargelaten, gaandeweg toch verwateren. Dat is geen verwijt maar een constatering. Het leven wordt, zo goed en zo kwaad als het gaat, door een ieder weer opgepakt. Ook door mij. En eerlijk gezegd kwam er ook een moment dat ik alle belangstelling te benauwend begon te vinden. Ik wilde mijn eigen leven weer terug, ook al zou die nooit meer hetzelfde zijn… Door het wegvallen van de partner veranderen oude relaties: de échte vrienden blijven over en nieuwe contacten komen erbij. En zo gebeurde het dat ik gaandeweg, ook omdat ik niet al te veel inbreuk wilde (blijven) maken op het gezinsleven van anderen, bij voorkeur liever de telefoon oppakte. Bovendien kon ik op die manier op díe momenten contact zoeken waarop ik dat het meeste nodig had, veelal 's avonds.

Tevens ben ik er voor mezelf meer en meer achter gekomen dat ook de directe woonomgeving een rol speelt. Onze beslissing om te gaan wonen in een andere provincie ver weg van onze vroegere woonomgeving zal er hopelijk toe leiden dat wij ons weer wat vrijer kunnen bewegen in een voor ons beide minder beladen omgeving.
Hoe dan ook, waar ik ook zal wonen op het moment dat ik onverhoopt weer alleen zal komen te staan, uit ervaring weet ik dat er uiteindelijk maar één persoon is met wie ik goed contact moet houden en die mij ook dan weer door het diepe dal heen zal slepen, en die persoon ben ik. Als ik tegen die tijd nog niet in de gelegenheid ben geweest om in mijn nieuwe omgeving contacten op te doen, dan verwacht ik dat ik mij best zal weten te redden met telefoon en e-mail.

Hoge levensverwachting

En die déjà vu gevoelens, die af en toe de kop op steken, laat ik maar voor wat ze zijn. Elke beslissing brengt twijfels met zich mee, maar als ik geen risico's meer durf te nemen, leef ik dan nog wel? Ik probeer positief te blijven en daag zo het leven uit. En wie weet is het Bert en mij gegeven dat we nog lang van elkaar mogen genieten. Ik sluit dit overigens niet uit want raadt eens wat wij bij toeval, ná de aankoop van ons droomhuis, in de krant lazen: door de schone lucht aldaar is de gemiddelde levensverwachting in onze toekomstige woonplaats Ter Apel erg hoog! En dát moeten we nou net hebben…

Monique Vos - augustus 2002


Gedichten van Bert Vos


Miljoenen verloren momenten

Duizenden onbegaanbare plekken
honderd duizenden herinneringen
Miljoenen verloren momenten
van liefde, geluk en ook verdriet

Miljarden versplinterde gedachten
verknoopt in punten van melancholie
Een wirwar van alles wat we ooit dachten
nu gevangen in een sombere melodie

Onbenoembaar soms is het verdriet
waarmee we alles wat ooit was
een plek in ons hart proberen te geven
En toch doen we dat, elke seconde van ons leven

En ach, waarom zouden we ook niet?

juli 2002


Waarom ineens dat intense verdriet?

Zo maar ineens bij het wakker worden is het verdriet er. In eindeloze golven beheerst het opeens al je gedachten. Het eerste wat je denkt is: er is iets ergs gebeurd. Met de kinderen, met de kleinkinderen misschien. Maar als de onheilstijdingen gelukkig uitblijven, heb je weer je rare twijfels. Wat dan? Waarom voel ik me opeens zo ontzettend down terwijl er geen enkele reden is om dat te zijn? Integendeel zelfs.
Slecht geslapen, dat ook. Barstensvol repeterende dromen waar ik maar geen eind aan kon maken. Geen nare dromen, maar gewoon: vervelend.
Het waarom blijft door mijn hoofd spoken. Is het misschien omdat ik een afspraak met de huisarts heb gemaakt om hem te vertellen dat we gaan verhuizen en verder voor enkele gewone doorsnee zaken, niks ernstigs? Omdat ik een bezoek aan de huisarts altijd associeer met de ziekte van mijn overleden vrouw Janny of mijn eigen ziekte? Of omdat het meteen ook een soort afscheid is van alle pijn en verdriet waar mijn huisarts ook deels getuige van is geweest? Ik weet het niet, het zou kunnen.

Maar het kan ook zijn omdat we 's avonds voor het slapen gaan nog even hebben gepraat over onze aanstaande verhuizing. Over het inpakken. Met de vraag of ik niet van tevoren eens moet gaan kijken of ik alles wel mee wil nemen naar ons nieuwe huis.
Misschien dat juist die vraag me in mijn slaap is blijven achtervolgen. Want het is natuurlijk wel een belangrijke vraag. Omdat ik zo'n veertig jaar van mijn leven moet gaan inpakken of misschien wel (deels) weg moet doen. Keuzes maken. Ik ben er altijd al slecht in geweest. Maar dit zijn voor mij onmogelijke keuzes. Ik kan mijn leven niet zo maar ,,weggooien". Ook al zal ik toch niet alles mee kunnen nemen. We willen immers opnieuw beginnen?

En dan ben ik ineens bij de vraag beland of ik wel wíl verhuizen. Alsof ik me misschien onbewust toch verzet tegen het vertrek dat nu steeds dichterbij komt.
Maar ik besluit met de definitieve vaststelling dat ik hooguit een beetje bang ben voor wat ik me in mijn grenzeloze overmoed op de hals heb gehaald. Of, zoals ik tegen Monique had gezegd: ,,Eigenlijk is het toch heel wat dat die ouwe nog eventjes doet". Het is een beetje zelfspottend bedoeld, maar toch. Het is natuurlijk niet niks wat ik nu nog in mijn leven overhoop haal. Het is eigenlijk heel veel.
En toch, toch wil ik het. Sterker nog: ik verheug me er op.
Dus?

Waarom was ik die morgen dan toch zo intens, onbeheersbaar, verdrietig? Misschien was het de geest van Janny die door het huis dwaalt en me nu, sterker dan daarvoor, laat voelen dat ik echt afscheid aan het nemen ben van het huis waar ik het grootste deel van mijn leven heb doorgebracht. Met haar en mijn twee zoons.
En daar mag ik eigenlijk best even bij stil staan en verdrietig van worden. Ik denk zelfs dat het nodig is om afscheid te kunnen nemen van wat je achterlaat, nodig om opnieuw te kunnen beginnen.

Zoals ik óók weet dat ik morgen, dat weet ik zeker, weer met een glimlach zal uitzien naar de toekomst.

Bert Vos
augustus 2002


Brief van de maand: Het verhaal van Harm Klooster

Dit is misschien wel een lange brief, maar het is de hartekreet van een lotgenoot. Hij schreef zijn woede en het verdriet over wat hij verloor, van zich af in deze brief. Het is het verhaal van velen, zij het misschien met varianten. Met andere doktoren en andere ziekenhuizen. Veel lotgenoten zullen het met pijn en óók veel verdriet kunnen herkennen. Als ook hun verhaal. Misschien dat deze brief bij velen van jullie weer verdrietige herinneringen zal oproepen. Ik ben me daar natuurlijk van bewust. Maar aan de andere kant is de Draaikolk wat dat betreft één grote veroorzaker van het oproepen van al dan niet verdrongen herinneringen. Toch? Daarom is het verhaal van Harm Klooster deze keer de brief van de maand geworden.-Bert-



Mijn naam is Harm Klooster. Ik ben weduwnaar sinds 28 juni 2002.
Op die datum is mijn meisje, zoals ik haar al 32 jaar noemde, overleden aan lymfeklier kanker.
We zijn getrouwd op 29 december 1970 in een heel strenge winter, zo erg dat we bij het stadhuis ruim 1,5 uur te laat aan kwamen vanwege de gladheid, was geen probleem in het dorp waar ze woonde. (moet je in b.v Amsterdam eens proberen).

Ik heb een onvergetelijk en bijzonder intens leven met haar achter de rug. Een dag telde voor haar geen 24 maar 48 uur, waarin je tenminste één ding positiefs had gedaan. Ze kon niet stilzitten, ze was altijd bezig, was het niet met of voor de kinderen dan was het wel in de huishouding of erger nog was ze al bezig de volgende verbouwing uit te denken.
Ik kan zelf ook moeilijk stilzitten en ze zei altijd: ,,Wat jouw ogen zien, maken je handen". Een compleet span dus.
Een span dat alleen voor elkaar leefde en voor het gezinnetje uiteraard.
We hadden het idee om een complete etage op ons huis te zetten zodat onze inmiddels meerderjarige zoons een grotere kamer kregen. Dus bouwtekeningen laten maken enz.

Medio augustus 2000 kreeg ze opeens in de gaten dat ze knobbeltjes had onder haar borsten.
Naar het ziekenhuis, onderzoek, 3 weken angstig afwachten. Tijdens dit wachten werd ze steeds onzekerder over haar vrouw zijn, over hoe een leven zonder borsten zou zijn (voor haar was het een uitgemaakte zaak, ze had borstkanker en die 2 dingen zoals ze ze vanaf dat moment noemde moesten er maar af.)
Drie weken later met het hart in de schoenen naar het ziekenhuis voor een uitslag. De desbetreffende specialist was kort en bijzonder direct:"U heeft geen borstkanker, (opluchting!!!!!) en meteen er achteraan (KNAL): ,,U heeft een ergere vorm van kanker, namelijk lymfeklier kanker, hier heeft u een verwijsbrief voor de oncoloog, tot ziens." (de HORK)
Wat is / was lymfeklierkanker waar zitten lymfe, kun je ze weg halen, heb je ze nodig en nog duizend andere vragen. Kijken op internet, vragen, vragen en nog maar eens vragen om wat over die k…ziekte te weten te komen. Bleek naderhand dat haar oma, haar moeder en een zus waar ze geen contact meer mee had allemaal lymfeklierkanker hadden gehad en er aan waren overleden. (hoe bedoelt u het is niet erfelijk?? nee volgens de oncologen was dat geenszins aangetoond)
We wisten dat ze waren overleden aan kanker maar niet aan welke soort. Maakt de knal nog groter als je die voor je kiezen krijgt.
Vol "goede" moed naar de behandelend oncoloog, mooi standaard verhaal: ,,U heeft een kankersoort die we het Non Hodgkin Syndroom noemen. U heeft de minst gevaarlijke soort, die bijzonder goed te behandelen is.
Afijn elke maand terug naar het ziekenhuis voor controle: ,,Geen vergrotingen, geen activiteit in uw bloed, niks bijzonders, tot de volgende maand, mevrouw".

Eind september mochten we bouwen. Alsof ze het heeft geweten moest er geen 24 uur, geen 48 uur maar opeens 72 uur in een dag gewerkt worden. Ze was niet meer te houden, onvermoeibaar, altijd als eerste boven en hup aan de gang en doorgaan.
We hebben met behulp van onze twee zoons in vijf weken een complete verdieping op ons huis gezet. Geen uitbouw, geen erker, nee een complete verdieping van 6,40 meter bij 9,80 meter, inclusief ramen, binnentrap, verwarming, elektra, alles, echt alles.
Alleen kleine dingen bleven liggen zoals het behangen enz. Daar was ze opeens te moe voor, dat wilde ze niet meer. Begrijpelijk toch na zo'n inzet in zo'n korte tijd?
Op 13 december voelde ze zich niet lekker. Gewoon moe en wat onrustig. Ik zei: ,,Ga een dag lekker rustig aan doen joh, ga lekker op bed liggen".
14 december had ze pijn die ze niet kon plaatsen. 15 december de huisarts laten komen. Na overleg met het ziekenhuis kreeg ze morfine tegen de pijn, die inmiddels onhoudbaar was geworden.
20 december heb ik haar ten einde raad in mijn auto gezet en naar het ziekenhuis gebracht.
Zonder afspraak door gelopen naar de oncoloog, toen deze uit haar spreekkamer kwam en mijn meisje in de rolstoel zag zitten, zei ze alleen maar: ,,Terug de gang op aan het einde word je opgevangen door een zuster" en weg was ze.
Ik ben maar terug gelopen en heb gedaan wat ze zei. Aan het einde stonden 2 zusters op me te wachten en zonder wat te zeggen werden we direct door gebracht naar een apart kamertje met bed. Ze werd op het bed gelegd en terwijl we nog bezig waren haar uit te kleden werden we al onderbroken door de eerste arts die haar kwam onderzoeken. Op een gegeven ogenblik stonden ze op de gang in de rij om haar te mogen onderzoeken. In anderhalve dag heeft ze alle onderzoeken gehad die normaal 4 à 5 dagen zouden duren.
Halverwege de tweede dag was ze opeens niet meer aanspreekbaar, maar kon alleen nog gillen van de pijn, de kanker had inmiddels haar milt, lever en alle andere organen in haar buikholte drie keer zo groot gemaakt en dat in anderhalve dag.
Een noodoperatie volgde, waarbij ze twee interne katheters kreeg om haar nieren nog te laten functioneren, zodat ze zich niet zelf verder zou vergiftigen.

Daarna viel ze in ,,slaap", een slaap die alleen werd onderbroken door gillen van pijn zodra ze bewoog of werd aangeraakt. Zo heeft ze een week gelegen. Ik heb die week op verzoek van de oncoloog naast haar geslapen in het ziekenhuis, zodat ze als ze "wakker" was in elk geval een bekende om zich heen had. Slapen was eigenlijk niet het goede woord, het was meer van de ene gil naar de andere overleven.
Met oud en nieuw was ze opeens redelijk opgeknapt (de oncoloog ging steeds zorgelijker kijken). We hebben oud en nieuw op haar kamertje in het ziekenhuis gevierd.
In de tweede week van januari werd gestart met een afgezwakte chemokuur vanwege haar slechte gezondheid. Ze was inmiddels ook wat kilootjes kwijt en ze woog inmiddels nog maar 42 kilo.
Ze reageerde goed op die kuur, werd niet ziek, werd niet misselijk en we kregen weer hoop.
Tot de volgende knal natuurlijk, op een middag tijdens het bezoekuur kwam een voor ons volledig onbekend arts ons vertellen dat er ook kanker was gevonden in het ruggenmerg en dat ze daarvoor bestraald moest worden in het AMC in Amsterdam. De onverbeterlijke enthousiaste optimist zoals mijn meisje was, wimpelde alle problemen weg en zei: ,,Dat doen we er ook wel effe bij". Met de ambulance naar het AMC en weer terug, volgende dag idem, derde dag idem. Op de vierde dag een probleempje: men had de bestralingsapparatuur iets te hoog gezet om nog beter de kanker die niet wilde slinken de baas te kunnen worden. Het "probleempje" was dat haar keel aan de binnenkant volledig verbrand was. Kun je dus niets aan doen, behalve liters ijskoud water drinken tegen de verbrandingspijn, alleen dat slikken, dat slikken doet zo'n pijn en daar is niets voor. Eten, o ja eten moet je ook nog als je nog maar 42 kilo weegt. Slang erin met sondevoeding. Alleen, dat doet zo'n pijn. Die slang zit constant in de weg met slikken, met ademhalen ,met drinken, ja waar niet mee eigenlijk.
Om toch de kanker in het ruggenmerg te kunnen bestrijden werd een omaja aangebracht (een voorraadpotje onder de huid waar medicijnen in opgeslagen kunnen worden. In haar geval een bult op de inmiddels kale schedel)
Om dat potje aan te kunnen brengen dus maar weer naar het AMC voor een risicovolle operatie (wordt direct aangesloten op het hersenvocht) "Voordeel": geen injecties meer in het ruggenmerg met een andere soort chemokuur.
Na uiteindelijk zes sessies van chemokuren via een infuus en 8 chemokuren via de omaja mocht ze dan uiteindelijk haar kamertje verlaten in het ziekenhuis op 6 mei. Met de mededeling: ,,U bent kankervrij, u wordt opgeroepen voor controle".
Twee weken thuis en opeens kon ze haar armen niet meer gebruiken. Opnieuw naar het ziekenhuis. Ze werd onderzocht. Vier dagen later kon ze opeens haar benen niet meer gebruiken. Armen en benen hingen slap naast haar lichaam. Alles moest voor haar gedaan worden. Opeens kon ze echt niets meer.
26 mei terug naar ziekenhuis. Een slecht-nieuws-gesprek: ,,U heeft weer kanker.
U heeft twee opties, u kunt niets doen, dan bent u er over 2 maanden niet meer. Of u kiest voor de zwaarste chemokuur die we hebben. U wordt daar wel ontzettend ziek en misselijk van.
Wat doe je als alleen maar gewend bent om met een enthousiaste optimist te leven?
Natuurlijk kies je voor de tweede mogelijkheid.
De chemo werd de derde dag gestart omdat men niet alle medicijnen (vergiften) op dag 2 bij elkaar had weten te brengen (die moesten her en der vandaan worden gehaald uit heel Nederland en zelfs een soort uit België)
Inderdaad werd ze na vier dagen doodziek. Armen en benen deden het nog steeds niet
Drie weken later op dinsdag 26 juni kregen we het volgende slecht-nieuws-gesprek: ,,We worden de kanker niet de baas. U krijgt geen nieuwe kuur meer. We stoppen er mee.U heeft nog ongeveer twee maanden te leven".
Ik heb mijn meisje diezelfde avond de 26e juni naar huis gehaald, waarbij de artsen mij lieten beloven haar de volgende morgen weer terug te brengen in verband met de administratieve afwikkeling.
's Avonds kwam de huisarts uit eigen beweging langs, hoorde van de twee maanden en zei dat we eerder op 2 weken moesten rekenen.
's Morgens het ziekenhuis opgebeld dat ik haar niet meer terug kwam brengen en dat ze het maar moesten bekijken met hun administratie. (Men stond er op dat ze nog even langs kwam)

Ze heeft er twee dagen van gemaakt. Vrijdag 28 juni om 10.30 uur de huisarts gebeld dat ze niet meer reageerde. Huisarts kwam gelijk aan het einde van het spreekuur. Met haar afgesproken dat ik mijn zoons ging bellen zodat die naar huis konden komen. De huisarts ging er van uit dat ze de in de loop van de avond of anders de volgende dag zou overlijden.
Terwijl ze niet meer aanspreekbaar was en haar adem steeds moeilijker ging heeft ze met een van pijn vertrokken gezicht magere Hein toch nog van zich af kunnen houden totdat ook de jongste thuis was om 13.58 uur.
Toen ze zijn stem hoorde en ,,wist" dat haar gezinnetje compleet aanwezig was, is ze gestopt met ademen om 14.00 uur. Twee weken voor haar 50e verjaardag Het vieren van die mijlpaal was haar niet meer gegund.
Haar moeder is 50 jaar geworden, haar oma is 51 en haar oudste zuster is 48 jaar.Hoe bedoelt u, het is niet erfelijk?
In mijn onmetelijke verdriet en woede vanwege de onredelijke en niet te begrijpen dood van mijn meisje, ben ik inmiddels als de dood voor mijn twee jongens. Staat hen dit ook te wachten? Nee, volgens de heren en dames doktoren niet, want het is immers niet erfelijk? Maar toch, maar toch…..

Harm Klooster, e-mailadres: poesara@wanadoo.nl


Ruggesteuntjes (8) Wijsheden, gedachten en uitspraken, kort en goed voor een steuntje in de rug, verzameld door Monique Vos

Perfectionisme is roofbouw van de eerste orde - op jezelf.
-Anne Wilson Schaef-

Bewaar in je hart een rustige, geheime plek waar je dromen heen kunnen.
-Louise Driscoll-

Mijn ziel is een lege vlakte, doorploegd met voren van pijn.
-Sara Teasdale-

Al wat je nodig hebt ligt diep in je binnenste te wachten tot het zich kan ontplooien en te voorschijn kan komen. Je hoeft alleen maar stil te zijn en de tijd te nemen om op zoek te gaan naar wat er in je zit, dan zul je het zeker vinden.
-Eileen Caddy-

Ze sloeg zich erdoorheen. En bleef leven. Marginaal, wellicht, maar we hoeven ook niet gelukkig te leven.
-Anne Cameron-

Er bestaan stemmen die we horen als we alleen zijn, maar ze worden zwakker en onhoorbaar wanneer we de wereld ingaan.
-Ralph Waldo Emerson-

Uit: "Eenvoud in overvloed" - Sarah Ban Breathnach. 2000 - Forum - Amsterdam, ISBN 90 225 2245 8


Boekbespreking: ,,Brieven aan mijn man"

biedt fascinerende ontwikkeling van lotgenote in de rouw

"Brieven aan mijn man. Beleven en verwerken van rouw." - Jill Truman; Uitgeverij Mingus, Baarn 1989. ISBN 90-6564-138-6, 93 blz. Verspreiding voor Belgie: Standaard Uitgeverij, Antwerpen.

In 1975 overlijdt Tony, de man van de schrijfster, als gevolg van ziekte. Aan welke ziekte hij is overleden en onder welke omstandigheden wordt niet duidelijk. Na vier maanden begint Jill boeken te lezen over filosofie in de hoop er zo achter te kunnen komen waar het de afgelopen maanden allemaal om is gegaan, of het allemaal iets betekende en of het ergens toe leidt… Van een vriendin krijgt ze een boekje van C.S. Lewis, die na het overlijden van zijn vrouw zijn gevoelens op papier heeft gezet. Hongerig neemt ze de inhoud in zich op en ze ziet zowel overeenkomsten als verschillen qua beleving. Het stimuleert haar om hetzelfde te doen in de vorm van brieven aan haar man. Zo komt zij tegemoet aan haar onstilbare verlangen om haar leven zonder Tony op deze manier toch met hem te kunnen delen. Ze vertelt hem onder meer over haar inspanningen en zorgen om hun vier jonge kinderen. De hele dag kijkt ze uit naar het moment waarop ze hem voor het slapen gaan kan schrijven over al die onbenullige kleinigheidjes die niets betekenen voor een ander, maar precies de essentie en het bindmiddel zijn van hun leven samen. Ze mist zijn goedkeuring, afkeuring, ergernis, verrukking. Zijn leidraad en zijn meningen.

De aanwezigheid van haar man voelt ze aanvankelijk vaak heel sterk. Ze vraagt zich af of ze zichzelf voor de gek houdt of dat hij echt ergens is en haar probeert te troosten. Meer nog dan om zichzelf, maakt zij zich zorgen om hém. Zijn dood ziet zij als zíjn tragedie en niet de hare. Samen met haar fantastische kinderen verwacht zij uiteindelijk door deze muur van verdriet heen te breken en weer te gaan leven. Maar Tony heeft geen tweede kans. Hij heeft alles verloren. Zij heeft geen medelijden nodig. Ze heeft met hém te doen.
In gevoelens van eenzaamheid, zoals menige lotgenoten ervaren, herkent zij zich niet. Feitelijk verlangt ze vaak naar een paar uur waarin ze alleen kan zijn met haar verdriet, zich erin kan verliezen bijna. Ze vond het weliswaar fantastisch om te ervaren dat vele dierbare mensen met haar meeleven en om haar geven, maar wat wilde ze graag dat ze allemaal weggingen... Jill kan niet treuren in gezelschap.
"Ik vraag me af wie van hen zich realiseerde dat ze eigenlijk tegen een masker stonden te praten? Een heel zorgvuldige reconstructie van wat vroeger mijn persoonlijkheid was. Terwijl de echte ik, de nieuwe ik, gespannen en met alles maar net onder controle, stond te wachten tussen de coulissen, klaar om naar het midden van het toneel te rennen op het moment dat ze allemaal weg waren."

Jill is zich nu meer schrijnend bewust van de mooie dingen in de natuur, waar zij niet meer samen van kunnen genieten. Ze is vaak in haar tuin te vinden. Gaandeweg merkt ze dat ze aan het veranderen is. Hoe zou ze geweest zijn als hij niet gestorven was?
"Ik begin nu al anders te worden. Ik ben magerder, ben gedwongen praktischer te zijn, om alles te begrijpen, om de hele tijd de leiding te hebben, dag en nacht, om de treurende kinderen te troosten, om naar buiten toe flink en bekwaam te zijn, maar van binnen ben ik een bloedende, schreeuwende warboel."

Na haar eerste vakantie zonder hem voelt zij zich zoveel beter. Ziet er minder vermoeid en afgetobd uit en heeft het gevoel dat ze alles beter aankan. De lichamelijke ontberingen hebben haar goed gedaan en ze heeft Tony niet de hele tijd gemist. Zelfs is ze zo eerlijk om te bekennen dat het waarschijnlijk allemaal niet zo gladjes was verlopen met haar rusteloze, koppige, nooit tevreden echtgenoot erbij. Na lange tijd alleen met de kinderen te zijn geweest voelt ze zich minder gespannen, gelukkiger. Maar nu ze weer thuis is voelt ze zich ook heel ver van hem verwijderd. Zit peinzend zijn foto te bekijken alsof het een gezicht van een vreemdeling betreft. Ze mag en wil hem niet vergeten en heeft moeite om zijn stem te herinneren. Ze wil er niet "overheen" raken. Op een perverse manier begint ze haar verdriet te missen. Het is al die maanden immers haar metgezel geweest…

In haar brieven geeft ze toe dat ze - in ieder geval volgens haar normen - te veel drinkt. Het verbaast haar dat ze seks helemaal niet mist. Ze heeft nog nooit zo lang zonder gedaan sinds ze elkaar ontmoetten, maar de gedachte eraan stoot haar nu alleen maar af of het amuseert haar. Maar oh, wat wil ze graag in zijn armen liggen... Een paar maanden later heeft ze toch een minnaar waar ze van heeft genoten, hoewel ze in zijn armen om Tony huilde… "Mijn hart is dood, maar mijn lichaam leeft voort." Het is pure sensuele passie zonder greintje liefde erbij, vertelt ze.

Na een half jaar komt ze tot het inzicht dat ze nu al niet meer het gezin zijn dat Tony kende. Het trauma van het verlies heeft iedereen onherroepelijk veranderd, en ze zijn begonnen hun weg naar een nieuw leven te zoeken. Ze heeft een nieuwe persoonlijkheid nodig om het hoofd te kunnen bieden aan haar nieuwe situatie, en de kinderen ook, op een andere manier. Dus is ze afgeweken van haar originele doel van haar brieven: om haar ideeën over leven en dood vorm te kunnen geven. Wat het doel van haar schrijven dan wel is, daarover tast ze nog steeds in het duister.
En dan op een avond bergt ze haar brieven op en blijven ze zeven jaar lang in een lade liggen. Ze verhuizen, de kinderen worden groter, de wereld verandert en zij ook. Wie is die vreemdelinge die dit heeft opgeschreven?
Twaalf jaar na het overlijden van haar man besluit zij haar brieven te publiceren omdat zij zich haar eigen wanhopige behoefte destijds herinnert om met andere mensen in contact te komen die iets dergelijks hadden meegemaakt. Toen er volstrekt nog geen bevredigend leesmateriaal over dit onderwerp te vinden was.

In haar nawoord in 1987 stelt ze enerzijds geen conclusies te hebben kunnen trekken over hun relatie, over het huwelijk als instituut, over de betekenis, als die er al is, van leven en dood. Anderzijds omschrijft zij haar huwelijk onder meer als een relatie van "uitersten van liefde en haat" en zegt ze mannen graag te hebben als vrienden, collega's, minnaars, maar niet als echtgenoten. Onder invloed van de vrouwenbeweging en door haar jaren alleen heeft ze een liefde voor de vrijheid ontwikkeld en sluit ze niet uit dat ze persoonlijk van de nood een deugd heeft gemaakt.
Aan de vrouw die zich nu plotseling, ongelooflijk, in dezelfde positie bevindt als zij destijds wil zij zeggen: "het komt goed, blijf gewoon de ene voet voor de andere zetten, dag na dag, en dan kun je het overleven. Je kunt weer gelukkig worden. Maar het kan heel anders zijn dan je je ooit had voorgesteld."
En toch, zelfs na al die jaren gebeurt het van tijd tot tijd dat iets haar eraan herinnert, en dat ze dan bijna dubbel slaat van de lichamelijke pijn die het nog doet. Een wilsinspanning, en een paar seconden later is de kramp verdwenen. Niemand merkt het. Het leven gaat door. Het onmogelijke feit van zijn dood blijft.

Een herkenbaar boekje dat snel uit is (gevonden bij De Slegte). Fascinerend om de ontwikkeling te zien van een lotgenote, die aanvankelijk haar eigen verdriet achterstelde bij hetgeen haar man is overkomen, naar een vrouw die, gevormd door haar eigen ervaringen en omstandigheden (deels tussen de regels door valt summier te lezen dat het een intens en stormachtig huwelijk is geweest) in 1987 de uitspraak deed haar "onafhankelijkheid en vrijheid" boven het huwelijk te laten prevaleren.

Monique Vos


Terug naar index Archief

Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen die hun partner hebben verloren