Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren
Inhoud van de 3e jaargang nr. 5 - februari 2001
Van de hoofdredactie: Welkom in 2001
Tja, daar zijn we dan. De eerste maand van het jaar is gelukkig voorbij, de donkere dagen vóór Kerst liggen nu symbolisch achter ons en we kunnen ons nu proberen te richten op de lente. De dagen zullen weer langer worden en misschien wordt het ook in ons hart weer wat lichter. Velen van ons zullen deze gedachte hebben gehad en ze zullen heel diep adem hebben gehaald van opluchting. Ik deed dat ook, maar toch niet zonder stil te staan bij wat mij in januari nog te wachten stond. Het verdriet om haar afscheid, op 31 januari drie jaar geleden. Meer nog dan in vorige jaren voel ik dat verdriet met een grotere intensiteit.
Gek is dat eigenlijk, terwijl het langer is geleden, alwéér een jaar verder in de geschiedenis van mijn leven, dat ik het verdriet met zoveel meer zwaarte voel. Intenser. Vorig jaar leek het gemakkelijker. Maar misschien was ik toen nog wel de ,,struisvogel" die Monique in haar verhaal van vorige maand zo treffend omschreef. Gelukkig weet ik, dat ik daarin geen uitzondering ben en dat troost me enigszins. Ik kreeg kortgeleden een lange e-mail van een lotgenote, die me onder veel meer schreef dat ze op een gegeven moment dacht dat zij gek geworden was. Totdat ze de Draaikolk ontdekte en al die tientallen reacties en verhalen van lotgenoten las en wist dat wat haar overkwam, haar gevoelens, haar emoties, onderdeel zijn van de enorm zware klus die rouwverwerking is. Zo ervaar ik dat ook. Het schijnt er bij te horen, ook al leer ik het waarschijnlijk nooit om het ,,normaal" te vinden. Maar we zijn gelukkig niet gek en dat is een hele geruststelling.
Door de landelijke publiciteit, dankzij het interview in Libelle, is het aantal bezoeken aan De Draaikolk behoorlijk toegenomen en daarmee ook het aantal reacties van lotgenoten. De Mailbox stroomt verder vol en dat is goed. Ik ben blij dat ook veel meer oudere lotgenoten de stap hebben gewaagd en zich voor de Mailbox opgaven. Ook lotgenoten die al veel langer geleden hun partner verloren hebben gelukkig de Draaikolk ontdekt. Wat ik bovendien heel erg fijn vind is het feit, dat er nu ook eindelijk veel meer mannen dan voordien besluiten om zich voor de Mailbox op te geven. Alsof ook zij nu beseffen dat rouwen geen ziekte is, niets is om je voor te schamen en dat het uitwisselen van ervaringen met lotgenoten helend kan werken. Ik hoop van harte dat het daar niet bij blijft. Dat ook veel mannelijke lotgenoten onder ons zullen besluiten om daadwerkelijk bijdragen te gaan leveren aan ons Internettijdschrift. Net als wij mannen, missen óók vrouwen een klankbord in hun leven, zoals van een man. Het is fijn om je gevoelens te kunnen spiegelen aan het andere geslacht (zonder bijbedoelingen). Want is dat niet wat we zo missen zonder onze partner in ons leven?
Jouw bijdrage
leveren kan op verschillende manieren. Door jouw verhaal te vertellen,
door te schrijven over jouw ervaringen na het overlijden van je
partner. Wat mis je? Waar loop je tegen aan? Er zijn tal van mogelijkheden
om een bijdrage te leveren. Probeer het! Stuur je bijdrage naar
mijn e-mailadres: elvo@planet.nl (niet via het gastenboek!)
Maar blijf aan de andere kant niet wachten totdat anderen contact
met je zoeken. Begin zelf. Ik weet het, het is misschien een beetje
eng om zo maar onbekende lotgenoten een e-mail te sturen, maar
de ervaring leert nog steeds dat het een erg goede manier is voor
je eigen rouwverwerking. Vertel je verhaal aan anderen en luister
op jouw beurt naar het verhaal van hen die jou schrijven. Biedt
een luisterend oor. Inmiddels is de tijdelijke storing van de
gastenboek-provider weer hersteld en nieuwe bezoekers kunnen ook
daar weer terecht voor een eerste, korte reactie.
Ik wens al mijn lotgenoten een heel goed 2001 toe, hoe dan ook. Met veel e-mail en mogelijk ook andere contacten. De Draaikolk wil daarvoor graag het centrale middelpunt zijn. Als doorgeefluik en als een rustpunt om even te vertoeven als je troost zoekt, op welk moment van de dag of nacht dan ook
Bert Vos
hoofdredacteur De Draaikolk
Dit is het verhaal van Monique Klaverweide. Zij vertelt in deze, de vorige en de komende edities van de Draaikolk op een indringende manier over haar emoties, haar gevoelens vanaf het moment dat agenten aan haar deur stonden om te vertellen dat haar man was verongelukt. Blaka Rosoe (Zwarte Roos). Een verhaal over het aanvankelijke ongeloof, de verbijstering, de verdoving. Over het verdriet en de pijn om het enorme gemis. Een verhaal, waarin velen van ons zich zullen kunnen herkennen. En er juist door die herkenning -naar ik hoop- toch ook een beetje troost uit kunnen putten.
Blaka Rosoe (13): In therapie
Een paar keer had ik het zelf al aangekaart, zowel bij mijn huisarts als de bedrijfsarts. Zou het niet goed zijn voor mij om eens te gaan praten met een psycholoog of om naar een rouwgroep te gaan? De keren dat ik écht vanuit mijn tenen mijn verdriet heb kunnen uithuilen zijn nog steeds, na maanden, op één hand te tellen en dat baart mij toch wel zorgen. Het is zo in tegenstrijd met de warme en hechte relatie die ik met mijn man heb gehad. Vanaf mijn dertiende jaar zijn wij samen geweest en ben ik als het ware met hem opgegroeid. Ik kan dan ook niet anders dan oprecht met dankbaarheid terugkijken op vijfentwintig geweldige jaren. Maar hoe komt het dan toch dat ik mij zo moeilijk kan uiten? Dat ik er slechts in oppervlakkige zin over kan praten. Alsof ik het over iemand anders heb.
Maar van beide
artsen krijg ik weinig respons, anders dan een paar opgetrokken
wenkbrauwen. Zij zien hier blijkbaar geen aanleiding toe. Pas
wanneer ik niet zou kunnen slapen en/of eten zou ik hier misschien
aan kunnen denken. Maar daar is bij mij geen sprake van. Zodra
mijn hoofd 's avonds het kussen raakt val ik zonder slaapmiddelen
in een diepe, droomloze slaap om pas laat in de ochtend weer wakker
te worden. En ook 's middags vallen mijn ogen regelmatig dicht.
En mijn eetlust is weliswaar verminderd, maar op gezette tijden
heb ik toch een leeg gevoel in mijn maag dat ik vervolgens probeer
te "verhelpen" door iets te eten...
Helaas wordt over dit onderwerp in de literatuur over rouwverwerking
ook tegenstrijdige adviezen gegeven. De een zegt dat rouwen geen
ziekte is en dat "de tijd" gewoon zijn werk moet doen.
De ander zegt dat je niet moet schromen om hulp te zoeken als
je persoonlijke situatie daartoe aanleiding geeft.
Voor beide adviezen valt iets te zeggen. Maar wij hebben geen
kinderen en ik ben dus alleen thuis. Ik ben er dan ook niet gerust
op en besluit toch maar de stap te zetten. Ik kan er toch alleen
maar béter van worden?, hou ik mezelf voor. En ik laat
mij zelfs niet ontmoedigen door de ziektekostenverzekeraar die
mij niet tegemoet wil komen in de kosten.
"Bevroren" gevoelens
Telefonisch
neem ik contact op met een plaatselijke psychologe/ therapeute
die zich heeft gespecialiseerd in "verliesverwerking en zingevingvraagstukken".
Het klikt meteen. Het is een vrouw van eind dertig die zelf ook
al het een en ander in haar leven blijkt te hebben meegemaakt.
Het verbaast mij en doet mij goed dat zij zo oprecht met mij begaan
is nadat ik haar mijn verhaal heb verteld.
Vanaf het eerste consult voel ik mij heel prettig bij haar. Sterker
nog, na afloop voel ik mij steeds blij, ja haast opgetogen. En
ik kijk dan ook steeds weer uit naar onze gesprekken. Tegenover
mij zit een vrouw van dezelfde leeftijd die weet waar ik het over
heb. En tot mijn eigen verbazing voel ik mij niet geremd om mijn
hart bij haar uit te storten. Bovendien hoef ik mij nu niet bezwaard
te voelen om haar met mijn gevoelens te "belasten".
Heel zwart-wit gezegd, betaal ik haar immers om naar mij te luisteren?
In haar vind ik weer een klankbord. Aan háár hoef
ik niets uit te leggen. Hierdoor is het voor mij gek genoeg niet
vermoeiend, eerder ontladend. Haar aanvankelijke voorstel om elke
twee weken een sessie van twee uur te houden wordt door mij dan
ook direct veranderd in vier uur. Diep in mijn hart wil ik haar
het liefst elke week spreken. Maar de bedoeling is nu juist om
in de tussentijd al het besprokene op me in te laten werken. Om
zo in contact te komen met mijn "bevroren" gevoelens.
Behoefte aan intimiteit
Gedurende de
tussenliggende tijd spaar ik alle pijnlijke momenten dus op en
stort ik die vervolgens bij haar uit. Vaak heb ik moeite om naar
haar reactie te luisteren, zo vol zit ik van alles. Dan onderbreek
ik haar als mij weer iets te binnen schiet en geduldig hoort zij
mij aan. Maar de keren dat mijn verdriet naar boven komt zijn
sporadisch. Zodra zij een gevoelige snaar raakt probeer ik het
gesprek een andere wending te geven. Maar er zijn ook momenten
waarop zij precies onder woorden weet te brengen wat ik werkelijk
diep van binnen voel en mis, maar wat ik aan mezelf nog niet durf
te bekennen. Het enige wat ik op zo'n moment maar hoef te doen,
is knikken met mijn hoofd...
Zo is er die keer dat ze opmerkt dat het haar zo verschrikkelijk
lijkt dat ik mijn man nooit meer zal kunnen aanraken en zijn lichaamsgeur
nooit meer zal ruiken. Het lijfelijke contact dat zo abrupt verbroken
is. Het niet meer tegen elkaar aan kunnen kruipen in bed. Het
pijnlijke besef, dat wat tot dan toe zo vanzelfsprekend was, nóóit
meer mogelijk zal zijn. Een pijnstoot van herkenning
En
vanuit haar praktijk herkent zij mijn droevige ervaring, dat de
behoefte aan intimiteit hierdoor alsmaar groter lijkt te worden
en op sommige momenten zelfs op een obsessie begint te lijken.
Waar kan ik dit soort gevoelens nu nog kwijt, anders dan bij mezelf
?
Visualisatie
We besluiten
om samen een "visualisatie" te proberen. Ik moet mij
ontspannen en proberen voor te stellen dat ik in een bos loop.
Ik mag zelf een mooie boom uitkiezen en aan de voet ervan gaan
zitten. Recht voor mij loopt een zandpaadje en aan het einde daarvan
zie ik een stipje dichterbij komen en alsmaar groter worden. Dit
moet mijn man voorstellen die op mij toe komt lopen. Zelf mag
ik zijn tempo bepalen totdat hij dichtbij genoeg is om met hem
te kunnen praten. Dit is namelijk mijn kans om hem alles te vertellen
wat ik hem nog had willen vertellen
Maar helaas blijk ik niet over een dergelijk inlevingsvermogen
te beschikken. Pas wanneer de visualisatie weer wordt afgebouwd
en ik hem in gedachten weer moet laten gaan, voel ik heel even
een weerstand in mij opkomen. Ik wil niet dat hij weggaat... Snel
weet ik dit gevoel de kop weer in te drukken... Dit is een oefening
die ik thuis opnieuw zou kunnen proberen, adviseert zij mij. Ik
heb het niet aangedurfd
Al na de tweede
sessie geeft ze mij in overweging om te stoppen. Ze is van mening
dat ik, doordat ik de afgelopen maanden veel gelezen heb over
rouwverwerking, zelf al veel inzicht in mijn eigen rouwproces
heb gekregen. Zij kan daar niet veel meer aan toevoegen. Maar,
doordat deze sessies voor mij niet als een therapie, maar meer
als een gesprek tussen twee vriendinnen aanvoelt, besluit ik er
nog een paar weken mee door te gaan. Op deze wijze heb ik al mijn
emoties, voor zover ik dat mezelf toestond, van mij af kunnen
praten. En, zoals de opzet was, ben ik er tussen de sessies door
thuis klaarblijkelijk zo intens mee bezig geweest, dat ik zelfs
een paar van die zeldzame échte huilbuien heb gehad. Huilbuien
die wel een half uur duurden en op de lengte waarvan ik op dat
moment geen enkele invloed kon uitoefenen, omdat het vanzelf ging.
Huilbuien na afloop waarvan ik mij opgelucht maar ook doodmoe
voelde...
Maar, wat voor mij ook belangrijk was, ze heeft mij kunnen geruststellen
dat ik met mijn manier van rouwen op het goede spoor zat. Ze heeft
er alle vertrouwen in dat het goed zal komen met mij. Ik wil het
graag geloven.
Monique Klaverweide - februari 2001
(Her)beleving van een afscheid
Eén dag voor Oudejaarsdag
overlijdt mijn oom na een lange lijdensweg op 69-jarige leeftijd.
Een paar dagen eerder belt hij op om me te bedanken voor de Nieuwjaarskaart
die ik hem en zijn vrouw heb toegestuurd. De laatste jaren was
het contact verminderd en dat hij mij belde was dus uitzonderlijk.
Hij was geraakt door de tekst op de kaart en wilde dit even kwijt.
Heeft hij het einde voelen naderen en was dit zijn manier om afscheid
van mij te nemen?
Zijn overlijden heeft veel herinneringen bij mij losgemaakt.
Op het moment dat ik het telefoontje krijg word ik met een smak teruggeworpen in de tijd. Terug naar 26 april 1999, de dag waarop mijn man op zijn motor verongelukte. Opnieuw valt er een waas van verdoving over mij heen. Terwijl het gebeurt, ben ik mij ervan bewust. Zover ben ik dus inmiddels wel. Mijn hersenen kunnen ook nu niet direct alles bevatten. Een paar keer vraag ik mijn zus, die mij de boodschap brengt, om wat langzamer te praten en nog eens te herhalen wat ze mij zojuist verteld heeft.
Vanaf dat moment voel ik mij sterk verbonden met mijn tante. Zij is nu ineens mede-lotgenote geworden. Mijn oom is nu gelukkig van z'n pijn verlost, maar zij blijft alleen achter en ook zij zal hem de rest van haar leven moeten missen. En ik weet inmiddels een beetje hoe dat voelt Zij is dan ook constant in mijn gedachten. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed en heb moeite om in slaap te komen. 's Avonds in bed vraag ik mij af of zij, net als ik toen, ook die eerste nacht niet zal kunnen slapen. Of zij ook, de hele nacht door, keihard de vogels buiten zal horen zingen. Maar nee, dat laatste zal wel niet, want het is nu immers winter en toen was het een zwoele voorjaarsnacht. In gedachten zie ik haar de laatste lamp in de huiskamer uitknippen en de trap opgaan naar de slaapkamer. Ik zie mezelf weer alleen het veel te grote bed instappen, waarin ik ga liggen met m'n rug naar zíjn helft gekeerd...
Het liefst alleen zijn...
Ik heb de impuls moeten bedwingen om niet direct naar haar toe te gaan of haar op te bellen. Waar had ík toen zelf de meeste behoefte aan? probeer ik in herinnering te roepen. Ik wilde het liefst alleen zijn met mijn verwarde gedachten. Mijn doen en laten vanaf dat moment totaal opgeslokt door alle emoties die om voorrang streden. En bij mij was de winnaar, tot mijn eigen verbazing, niet het verdriet, maar de angst. Angst dat hij misschien pijn zou hebben geleden en angst voor de toekomst zonder hem. Het verdriet kondigde zich pas maanden later heel voorzichtig aan en soms bekruipt mij wel eens het angstige gevoel dat het ergste nog steeds moet komen. Dat de verdoving, die de shock met zich meebracht, bij mij nog steeds niet helemaal is uitgewerkt... Ik had dus geen behoefte aan gezelschap en wilde het liefst met rust gelaten worden. Maar de eerste dagen bleef de telefoon onverbiddelijk rinkelen en mijn 'dubbelleven' was begonnen. Steeds weer nam ik met een zucht, licht geïrriteerd, de telefoon op, om mij er vervolgens over te verwonderen dat de persoon aan de andere kant het had aangedurfd om mij op te bellen. Wat een moed was daar wel niet voor nodig! En zo wisselden dubbele gevoelens van ergernis en dankbaarheid elkaar af. Nog steeds.
,,Hoe gaat het?"
Op Nieuwjaarsdag verzamel ik de moed bijeen en bel ik haar op. Maar niet eerst voordat ik heb overdacht hoe ik het gesprek zal beginnen. Wat ik per se wil voorkomen is haar die ene vraag te stellen, die ík zo vaak heb gehoord en gevreesd: "hoe gaat het?". Hoe moeilijk is het niet om daarop te antwoorden? Er is toch geen beginnen aan om iemand, die niet hetzelfde heeft meegemaakt, uit te moeten leggen wat dit verlies met je doet van binnen. En nog steeds heb ik moeite om deze vraag te beantwoorden. De vraag is zo kort en het antwoord zo oneindig. Bovendien is niet iedereen in staat het antwoord aan te horen. Om alleen maar te luisteren zonder het geven van - als opbeurend bedoelde - raadgevingen, die juist het tegengestelde effect hebben. Heel sporadisch floept het er op een onbewaakt moment weleens uit en antwoord ik met "goed". Hier schrik ik dan zelf van, want ook al gaat het beter met me, hoe kan het nog ooit weer écht goed gaan zonder hem in mijn leven? Je draagt het verlies toch altijd met je mee? Zoals iemand eens treffend omschreef: "mijn leven heeft aan glans verloren; is fletser geworden." En zo is het. Tóch realiseer ik mij wel dat het heel moeilijk is om een gesprek op een andere manier te openen. Nu ik er zelf voor sta, des te meer!
Mijn tante vertelt
dat ze bezig is om zijn overhemd te strijken. Pas later realiseer
ik mij dat zij het overhemd bedoeld zal hebben dat hij als laatste
zal dragen... En ik zie mijzelf weer staan voor diezelfde wrange
keuze. Het plastic tasje in mijn hand dat ik vul met zijn lievelingskleren,
in de wetenschap dat een vreemde hem zijn kleren zal aantrekken...
Ze vraagt me vertwijfeld wat ze nu met de rest van zijn kleren
moet doen. En ik probeer voorzichtig aan te geven dat ze dit nu
nog niet hoeft te beslissen. Dat ze daar zo lang over kan nadenken
als ze wilt. Dat ik er nog maar onlangs zelf afstand van heb gedaan...
Ook pijnlijk herkenbaar is hoe zij het ene moment "beheerst"
praat over wat er is gebeurd, alsof ze het over iemand anders
in plaats van over zichzelf heeft, en het andere moment gedurende
een fractie van een seconde wordt overmand door verdriet. Héél
even lijkt ze in contact te komen met de pijn dat zich vervolgens
weer terugtrekt, maar ik weet inmiddels dat het geduldig zal blijven
wachten tot de natuurlijke verdoving zijn werk heeft gedaan. Totdat
zij er klaar voor zal zijn om zich aan de pijn over te geven.
Er doorhéén te gaan, om het zo uiteindelijk te kunnen
verwerken.
Tijdens de crematieplechtigheid kijk ik heel af en toe naar mijn
tante die schuin voor mij zit. Zij huilt, ik toen niet. En de
koude rillingen lopen mij over de rug als ik bedenk door welke
fasen zij nog heen zal moeten gaan. Zij heeft nog zo'n lange weg
vóór zich. Een weg waar ik nog steeds met vallen
en opstaan overheen probeer te strompelen.
De tweede keer
Het is nu voor de tweede keer na mijn man's overlijden dat ik aanwezig ben bij een crematie. En ik moet eerlijk bekennen dat het deze keer moeilijker was dan de vorige keer, een jaar geleden. Nu blijft er een weduwe achter, net als ik zonder kinderen. Kon ik de vorige keer na afloop nog staande mijn kopje koffie opdrinken en een praatje met de familie maken, dit keer lukte mij dit niet. Ik moest zitten en kon het niet opbrengen een gesprek aan te knopen. Zou dat komen omdat de verdoving inmiddels wat meer is uitgewerkt dan toen, en de pijn dus heviger wordt? En dan is daar die andere tante die mij omhelst en onbedaarlijk huilend in de ogen kijkt. Ze zoekt duidelijk naar woorden en na enige tijd weet ze uit te brengen dat ze mij zo mist En ze lijkt nog meer te willen zeggen, maar kan of durft dit niet. Maar ik denk dat ik wel weet wat ze wilde zeggen: ze mist niet alleen mij, maar ook hem
Tegen mijn eigen
verwachting in was ik bij het afscheid van mijn man erg dankbaar
voor de vele blijken van medeleven. Toen heb ik mezelf voorgenomen
om hier een voorbeeld aan te nemen. Om bij toekomstige sterfgevallen
anderen diezelfde steun te geven. Ik hoop dat ik in staat zal
zijn om dit in de toekomst te blijven doen. Dat het niet alsmaar
moeilijker zal worden, maar dat het uiteindelijk zal bijdragen
aan mijn eigen rouwverwerking. Uit eigen ervaring weet ik dat
mijn tante lang zal moeten teren op de steun die zij deze dagen
hopelijk zal krijgen, want de belangstelling neemt op den duur
af. De overgrote meerderheid gaat weer verder met zijn of haar
leven. Een ieder wordt weer opgeslokt door zijn eigen besognes.
Maar als je geluk hebt blijft er een handjevol mensen over die
ook nog na een jaar een luisterend oor zal weten te bieden, zo
vaak als je daar zelf behoefte aan hebt.
Monique Klaverweide
Brief van de maand: Het verhaal van Gerdi
31 december 1999. Mijn man Benno haal ik op uit het ziekenhuis.
Hij heeft een zware longziekte en staat op de nominatie voor een
longtransplantatie in Groningen. Ons huis heeft een uitbreiding
gekregen; een aangepaste slaap- en badkamer, aangebouwd aan ons
mooie huis. Hier kan Benno genieten van onze tuin, in de rolstoel
naar buiten en de tijd doorbrengen in afwachting van de transplantatie.
Onze droom; het huis was 31 december klaar. Hij kan tot 20.00
uur in de kamer zitten, maar er zijn problemen met de zuurstofconcentrator.
Dan maar naar bed en hij is gelukkig. Gelukkig met de bouw en
het resultaat. Alles door anderen laten doen en dan voelen dat
hij gelukkig is in de nieuwe kamer. De eeuwwisseling breng ik
door met het inrichten van onze slaapkamer. Het was stil om ons
heen. Toen 24.00 uur. Knallen en prachtig vuurwerk. De buurt kwam
even langs voor een glas champagne. Daarna rust. Benno accepteert
eindelijk wijkverpleging en ik voel een verbondenheid met hem,
die ik nog nooit eerder in ons 30-jarig huwelijk heb gevoeld.
Hij was gelukkig en rustig. Hij gaf mij signalen dat hij er niet
lang meer zou zijn, maar ik wilde dit niet horen. Het leven ging
door en we wachten op de transplantatie.
Toen kwam zijn
verjaardag. Hij was 17 januari 1947 geboren. Het enige cadeau
dat ik hem kon geven was een verjaardagsfeest. Hij zag er tegenop.
's Middags kwam mijn moeder en broer met zijn vrouw. We zaten
op de rand van het bed te praten en Benno vertelde over het pad
van licht dat hij 18 jaar geleden gezien had. Hij wilde dat pad
wel weer opgaan en zei niet bang te zijn voor de dood. Hij noemde
mij "zijn prinses" en dat hij dat zei was heel bijzonder.
Toen mijn broer naar huis ging, merkte hij op dat hij mijn man
had ontmoet in zijn puurste vorm Dit is Benno, zei hij.
De avond was vol lieve mensen, die allemaal even bij Benno bleven
en dan in de kamer verder keuvelden. Om 01.00 uur vroeg Benno
me snel op te ruimen en in bed te komen. Een gekregen plaat van
Botticelli werd gedraaid en om 02.00 uur ging ik bij Benno liggen.
Hij zie: "hoe was je dag". Ik antwoordde: "een
dag met een gouden randje". Tegen 05.00 uur werd Benno onrustig
en op woensdag 18 januari 2000 om 07.45 uur is hij overleden.
Ondanks alle voortekens heb ik nooit beseft dat hij weg zou gaan
van mij. Hij kon in zijn bed blijven liggen en daar heeft iedereen
afscheid van hem genomen. Ik bleef bij hem slapen tot de dag van
de crematie. Dit waren kostbare momenten, die ik nu nog koester.
Het leven wordt van je overgenomen. Na de drukte kwam het moment dat de telefoontjes verminderden en mensen wegbleven. Bij veel mensen ben je welkom, maar jij moet de stap nemen. Vaak gaf ik aan: bel me dat de koffie klaar is, dan kom ik. Gelukkig heb ik een paar familieleden die blijven komen en veel vrienden met wie ik mail, bel en praat. Mijn gesprekken zijn intens. Het lijkt of alles een extra dimensie heeft gekregen. De zelfhulporganisatie uit Denekamp, waar Herma de Groot over schrijft, helpt. Marinus van den Berg heeft ons daar een prachtig gedicht gegeven (bijgevoegd) en ik ben nu twee keer naar een lezing geweest van Marieke de Bruijn (docente Verlieskunde en psychodrama therapeut). Haar boek "Leren leven met verliezen. Hoe doe je dat?" is een aanrader.
Ik ben verdrietig.
Ik mis mijn partner en voel me geamputeerd. Ik werk weer, maar
neem nu veertien dagen vrij om de komende tijd te gedenken. Dit
is zo nodig. Herkenning is het enige dat rust geeft. Daarom ben
ik zo blij met de website van De Draaikolk.
Bert, dank je dat je gelegenheid geeft mijn verhaal te doen. Het
wegsturen van mijn pijn is weer een stukje beter voelen. Ik kom
terug op je website. Tot mails.
Gerdi (20 september 1945), e-mailadres: Christenhusz-GJM@zonnet.nl
Beste Gerdi, bedankt voor jouw uitgebreide brief. Fijn dat het heeft geholpen om door je pijn weg te sturen je beter te voelen. De Draaikolk is er voor! -Bert-
Eenzame reiziger door de dromennacht
,,Are you
lonesome tonight
will you miss me tonight?"
Waarschijnlijk ben ik iemand die zich erop kan beroemen de meest bereisde man ter wereld te zijn. En dat niet alleen: ik heb dat gedaan met alle bestaande en niet bestaande middelen van vervoer die de mensheid ooit heeft bedacht of had kunnen bedenken. Ik had er tot nu toe zelfs geen OV-kaart voor nodig. Gratis en voor niets reis ik door wonderlijke werelden met al even wonderlijke voertuigen. Het is alleen wat spijtig dat ik alleen 's nachts reis. ,,Wer reitet da durch Regen, Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem Kind" zo ongeveer dichtte Goethe, dacht ik, ooit. Nou ik ben dat dus, die ontzettend eenzame ruiter, alleen mijn kinderen blijven lekker thuis bij hun eigen vrouw en kinderen.
Het begon allemaal
zo'n jaar voordat mijn vrouw overleed. We wisten allebei dat dit
ooit zou gaan gebeuren, dat ik alleen achter zou blijven en dat
is waarschijnlijk de reden dat ik 's nacht begon te dromen van
een eenzame, zich steeds in allerlei vormen herhalende, tocht
door de wereld, mijn eigen wonderlijke wereld, op zoek naar gezelschap.
Om te kunnen reizen heb je vervoer nodig. Nu droomde ik al jaren
regelmatig van ritjes met allerlei soorten liften, die zich niet
alleen verticaal maar ook horizontaal voortbewogen door een vaak
wonderlijk (stads-)landschap. Zo maakte ik hele boeiende tochten
van wolkenkrabber naar wolkenkrabber in New York, waar ik nog
nooit was geweest, maar waar ik moeiteloos de weg vond. Dankzij
mijn speciale lift die zich als een luchtmetro voortbewoog op
de golven der wind en me bracht waar ik blijkbaar wilde zijn.
Maar altijd was ik alleen. Alsof ik alvast moest wennen aan het
feit dat ik ooit alleen verder zou moeten.
Naast de lift als mijn meest ideale vervoermiddel (ook al wilde die ook nog wel eens vast komen te zitten) kwamen later ettelijke andere voertuigen aan bod. Wat te denken bijvoorbeeld van een huifkar met vijf verdiepingen met op de top een kajuit, van waaruit ik de zaak bestuurde? Het overkwam me ooit dat ik vanuit die kajuit bedacht dat het wat sneller zou moeten, omdat ik al veel te lang alleen was geweest en de paarden voor de vijfvoudige huifkar prompt veranderden in stoomlocomotieven in de vorm van een hoge snelheidstrein. En ik maar met mijn leidsels en een zweepje in de hand geklemd op de bok van de vijf-verdiepingen-huifkar die locomotieven aanvuren dat het nóg sneller moest. Ik hoor nog steeds de locomotieven hijgen van de inspanning, want het is bepaald geen gemakkelijke klus om de zaak over de top van de Mont Blanc te krijgen. Maar ja, ik moest daar toevallig dus wél zijn
En natuurlijk:
zo nu en dan heb ik vakantie. En dan ga ik dus met m'n caravan
op pad. M'n caravan die intussen is veranderd in een ingewikkeld
geval op vier wielen. Met lift uiteraard, waarmee ik, beladen
met koffers, altijd op weg ben naar die ene kamer waar mijn vrouw
zich zou moeten bevinden, maar die ik nog nooit heb gevonden.
Mijn blijkbaar meest geliefde camping bezoek ik met grote regelmaat
om steeds maar weer tot de conclusie te komen dat het er prachtig
is, maar steeds elke plek is bezet juist op het moment dat ik
er mijn hotelcaravan wil neerzetten. Geen plek voor de eenzame
reiziger. De campingeigenaar vertelt me dan met een ernstig gezicht
dat er alleen maar plek is voor echtparen
Ik knik dan begrijpend,
want dát is eigenlijk wel erg logisch, toch?
Nog niet zo
heel lang geleden smaakte ik het wonderbaarlijke genoegen om met
een ruimteschip te mogen reizen. Ik had dat -als liefhebber van
science fiction- al zo vaak gewild, maar nu gebeurde het zo maar!
Prachtig zoals onze aarde als een blauwe diamant in de donkere
nacht van de kosmos hangt, schitterend die sterrenhemel om je
heen, echt, zoiets is eigenlijk niet in woorden te vangen. Zo
mooi! Dáár ergens, misschien als één
van die schitterende sterren, moest zij zijn, wist ik. Jammer
alleen dat ik de eindbestemming nooit heb bereikt. De wezens aan
boord, het leken wel engelen, vertelden me met spijt in hun stem,
dat ik absoluut geen toestemming kreeg om verder te reizen. Toen
ik wilde vragen waaróm niet, werd ik wakker. Om me met
een onbestemd gevoel de verdere nacht wakend te laten doorbrengen,
piekerend over die onbereikbare eindbestemming. Maar ook met een
wat opgelucht gevoel omdat het blijkbaar nog niet zo ver was dat
ook ik die reis mag maken die zij eerder al ging.
Ik ben een eenzame reiziger in de nacht. Zwervend van plek naar
plek in mijn wonderbaarlijke voertuigen. Dromend van onbereikbare
eindbestemmingen, van hotelkamers die onvindbaar zijn en steeds
gepakte koffers, klaar voor de volgende reis.
Ik ben een dromende reiziger, een reizende dromer. Mijn geest
zoekend in een eindeloze queeste naar het onvindbare, naar mijn
andere helft die toen, op die ene dag, alleen op reis ging en
mij in verwarring achterliet.
De laatste tijd is het rusteloos reizen door de dromennacht gelukkig
wat minder geworden. Alsof er langzaam maar zeker een einde komt
aan de zoektocht. Alsof ik er een punt achter moet zetten en het
onbereikbare onbereikbaar moet laten. En een enkele keer ben ik
zelfs niet langer alleen. Dan is het ook ineens een ,,gewone"
droom, zoals zoveel mensen dromen die niét alleen door
de nacht reizen.
Natuurlijk, er worden nog wel enige handicaps ingebouwd, zoals
mijn auto die ik -stom dat ik dat steeds weer doe eigenlijk -
ergens op een parkeerplaats heb gezet maar daarna nooit meer terug
kan vinden. Tamelijk irritant is dat en als me dat overkomt word
ik heel knorrig wakker. Maar dan zoeken mijn handen op de plek
naast me en vinden haar, met wie ik nu mijn leven deel en weet
met een geruststellend gevoel dat ik niet langer alleen ben. En
die onvindbare auto kan me dan gestolen worden. Ik ben immers
al weer thuis
Bert Vos - januari 2001
Wachten op het volstrekte niets
De afgelopen tien jaar
heb ik een erg groot deel van mijn leven doorgebracht met wachten.
Geduldig wachten in de wachtkamers van huisarts en specialisten,
eerst samen met mijn vrouw, en later -na haar overlijden- nam
ik haar estafettestokje over en cultiveerde de kunst van het wachten
in volstrekte lijdzaamheid tijdens mijn regelmatige bezoeken aan
ziekenhuis en specialist. Nog niet zo lang geleden maakte ik gebruik
van een vliegtuig en jawel, dat werd dus weer langdurig wachten,
zowel op de heen- als de terugreis.
Bij de kassa van de supermarkt, aan het loket van overheidsinstanties,
in winkels, op een station van metro of trein: wachten is daar
een vast onderdeel van het ritueel. Het is gewoon een onderdeel
van mijn leven geworden en ik zou erg verbaasd zijn als ik eens
een keertje niet hoefde te wachten.
Wachten voor een crematie
Daaraan dacht
ik toen ik afgelopen maand, samen met mijn vriendin naar een crematie
was van haar overleden oom. Afgezien nog van het feit dat een
dergelijke bijeenkomst elke keer maar weer zo ontzettend veel
herinneringen oproept en veel geestelijke energie van je vergt,
was het ook hier weer een kwestie van geduldig wachten alvorens
we werden toegelaten in de aula om de laatste eer te bewijzen.
Omdat ik dus opnieuw alle tijd had keek ik naar de mensen om me
heen. Ik observeer graag mensen. Vooral in wachtkamers. En dan
valt het me op dat het er eigenlijk niet zoveel toe doet waar
men wacht. Als ik niet beter zou hebben geweten, zou ik hebben
gedacht in een wachtkamer van een groot ziekenhuis te zitten.
Mensen reageren blijkbaar zo. Aan maar weinig mensen kon je zien
(op de nabestaanden na uiteraard) dat ze in een wachtkamer van
een crematorium zaten om straks de laatste groet aan de overledene
te brengen.
Gek is dat, eigenlijk. Want je zou toch denken dat er ergens iets
van droefheid, van rouw te bespeuren zou zijn op de gezichten
van de wachtenden. Ze zijn uiteindelijk gekomen om het verdriet
met de nabestaanden te delen, toch? Nee dus. Alleen maar een blik
van berusting, van: wachten hoort er bij dus doen we dat maar.
Maar dan na afloop van de plechtigheid: de opluchting. Het is
op veel gezichten te lezen: dat hebben we weer achter de rug.
Ze drinken hun kop koffie en slikken haastig het aangeboden stuk
cake of broodje weg. Want ze hebben haast, haast, haast. Druk
hè! Ik zat na afloop naast een gezelschap in net pak. Het
hadden managers kunnen zijn en zo gedroegen ze zich ook. Staande
als op een receptie keuvelden ze heel wat af in zinloze zinnen.
Om daarna na een haastige handdruk voor de nabestaanden weer in
hun lease-bakken te stappen naar de volgende afspraak.
Wachten op een telefoontje
Ik denk dat
het geen uitzondering is. Ik denk, dat nabestaanden daarom ook
na afloop in zo'n diep gat vallen. Omdat al die mensen die zo
trouw de crematie of begrafenis bijwoonden ,,omdat het nu eenmaal
zo hoort", daarna weer hun eigen leven oppakken en niet of
nauwelijks nog denken aan hen die achterbleven. Slechts een enkeling
zal de moeite nemen om nog eens te bellen om te vragen hoe het
gaat. Om dan ,,natuurlijk" te horen te krijgen dat het ,,natuurlijk
erg goed" gaat en zij met een gerustgesteld en voldaan gevoel
de hoorn weer op de haak kunnen leggen of het mobieltje weer in
hun zak kunnen steken.
En de nabestaanden, vooral mensen die hun partner hebben verloren,
wachten in de eenzaamheid van hun nu lege huis op het volgende
telefoontje dat vaak maar niet wil komen.
Wachten. Vreselijk eigenlijk dat we daar zo'n belangrijk deel
van de dag mee plegen te vullen. Zinloos wachten, vooral op het
volstrekte niets.
Bert
Boekbespreking:
"Droomberichten."
Hoe dromen kunnen
helpen bij rouwverwerking
"Droomberichten." Hoe dromen kunnen helpen bij rouwverwerking - Patricia Garfield; Uitgeverij Forum, Amsterdam 1998, ISBN 90 225 2326 8, 296 blz.
Maakt de dood
een eind aan de communicatie met de persoon die overleden is?
Het is op deze vraag dat deze klinisch psychologe een antwoord
probeert te vinden. In haar boek kunt u op overzichtelijke wijze
nalezen wat voor soort dromen rouwenden zoal hebben over hun overleden
dierbaren, welke berichten men in dromen kan krijgen en op welke
manieren men hiermee kan omgaan, welke symbolen men in dromen
over de doden kan tegenkomen, hoe dromen kunnen helpen bij het
verwerken van verdriet en hoe ze het waakleven kunnen voeden.
Door jarenlang dromenonderzoek, gebaseerd op ongeveer duizend
dromen over overledenen, kwam de onderzoekster tot de ontdekking
dat de dromen een patroon vertoonden. Net als met bijna-doodervaringen,
hebben dromen over overledenen verschillende elementen met elkaar
gemeen die een bepaalde vorm hebben. Deze negen basiselementen
worden in dit boek voor het eerst beschreven, te weten:
1) de aankondiging:
het
gevoel ontstaat dat er iets ongewoon gaat gebeuren of men ruikt
een vertrouwde geur die in verband staat met de overledene;
2) de aankomst op de plaats van ontmoeting: de droomverschijning
(de overledene) komt eraan of is thuis of buiten bezig met normale
activiteiten. Vaak vindt de ontmoeting plaats in een decor dat
iets met vervoer te maken heeft (in een trein/bus/boot) en is
er op die plek sprake van een barrière tussen de levende
en de overledene (tuinhekje, glazen scheidswand, markering);
3) de verschijning van de overledene: vaak ziet deze er
anders uit dan bij leven (slechter of beter, jonger of ouder,
ziek of genezen, armoedig of prachtig gekleed). Dit alles hangt
af van de gemoedstoestand waarin de dromer verkeert;
4) de begeleiders: soms verkeert de overledene in het gezelschap
van gestorven familieleden of andere overleden bekenden van de
dromer;
5) de droomboodschap: dit vormt de kern van de droom en
kan op verschillende manieren worden overgebracht (per telefoon/brief/fax/computerscherm/persoonlijk).
Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen negatieve ("ik
lijd"; "ik ben niet echt dood"), positieve ("ik
maak het goed"; "ik kom afscheid nemen") en neutrale
droomboodschappen ("hallo, hoe is het?");
6) het geschenk van de droomverschijning: de overledene
kan een concreet geschenk aan de dromer geven. Dit kan een symbool
zijn van bijvoorbeeld liefde, het doorgeven van een artistiek
talent aan de dromer, vergiffenis voor de moord op de overledene
enz.;
7) de laatste omhelzing: veelal het belangrijkste onderdeel
van de ontmoeting omdat men hier veel troost uit kan putten;
8) het vertrek van de droomverschijning: nadat de droomboodschap
is overgebracht, het eventuele geschenk in ontvangst is genomen,
de droomverschijning al dan niet is omhelsd zal de dromer waarschijnlijk
weten dat het bezoek voorbij is, begrijpen dat de tijd van de
overledene beperkt is of uit de handeling van de droom blijken
dat de ontmoeting ten einde is. Of de droomverschijning nu vertrekt
of dat de dromer wakker wordt, de grens tussen leven en dood is
nu weer aanwezig;
9) de nasleep van het bezoek: wat de dromer na afloop allemaal
kan voelen, hangt af van de aard van de ontvangen boodschap. Er
kunnen echter hevige emoties loskomen (huilend wakker worden).
Maar vaak zal men zich niet alleen getroost, maar ook zeer bemind
voelen. Sommigen vinden hierin inspiratie en een geloof in een
leven na de dood. Voor anderen verandert hun leven hierdoor ingrijpend,
waardoor aan de reis van de droomverschijning een einde zal komen.
De meeste dromen over overledenen bevatten verscheidene van deze
elementen, waar in dit boek uitvoerig en met voorbeelden op wordt
ingegaan. Per "droomboodschap" wordt de frequentie ervan
aangegeven en wat voor soort gevoelens dit hoogstwaarschijnlijk
na afloop bij de dromer zal losmaken. Dit kan variëren van
verdrietig/wroeging/angst/ontmoedigd/ eenzaam tot blij/berustend/opgelucht/getroost/bemind/bemoedigd.
Op een drietal dromen zal ik nader ingaan:
- Dromen over reizen of het zich voorbereiden op een vertrek (zeer algemeen), ook al komt de overledene er niet duidelijk in voor, schijnt symbolisch weer te geven dat er afstand tussen de rouwende en de overledene is gekomen. Typerend hierbij zijn: voertuigen, vertrekpunten en problemen die zich onderweg voordoen. Vaak komt men dan op een punt waarop alleen de overledene verder kan reizen. Dit type droom dwingt de rouwende ertoe te accepteren dat de onoverbrugbare afstand tussen hem en de overledene geaccepteerd moet worden om verder te kunnen leven. De droomhereniging en het tedere afscheid tonen dan aan dat er nog wel een band tussen hen is, maar dat het ook strikt noodzakelijk is om hem los te laten;
- Mensen die dromen dat de overledene hun dringend verzoekt zich bij hem of haar te voegen (uiterst zeldzaam, maar belangrijk), kunnen tijdelijk het gevoel hebben dat het leven geen zin meer heeft. De overledene lijkt onvervangbaar hetgeen tot zelfmoordgedachten kan lijden. Maar deze verontrustende gedachten nemen vrijwel altijd na verloop van tijd af. De levenskracht van de rouwende neemt toe naarmate het leven weer meer zin krijgt. Mocht dit niet zo zijn dan is het van belang om professionele hulp in te roepen;
- Via dromen waarin men iets of iemand kwijt is (komt heel vaak voor), wordt de rouwende gedwongen nogmaals onder ogen te zien dat de overledene er niet meer is. Het uiteindelijke effect is dus genezend. De leegte die de nabestaande in zijn hart voelt, wordt weergegeven door de afwezigheid van de beminde persoon in een droom. De leegte krijgt gestalte.
Het duurt vaak
even voordat men droomt over een dierbare die plotseling of op
dramatische wijze is overleden. Dit weigeren van de geest om te
dromen is een beschermende reactie. Wanneer de shock en de ontzetting
afnemen, komen de dromen, met hun helende troost, weer terug.
Uit het onderzoek is tevens gebleken dat wanneer het ergste verdriet
voorbij is, de dromen over de overledene waarschijnlijk ook zullen
veranderen. Deze periode kan variëren van een paar maanden
tot een aantal jaren, afhankelijk van de aard van de relatie en
de wijze van overlijden.
De eerste dromen over innig geliefde overledenen zijn vaak levendig
en pijnlijk. Geleidelijk worden de dromen geruststellender en
uiteindelijk zelfs inspirerend. Tenslotte schijnen de dromen niet
meer dan terloopse ontmoetingen te worden, behalve wanneer men
in een persoonlijke crisis verkeert of een mijlpaal in het leven
heeft bereikt.
Een verhelderend boek voor diegenen die graag een verklaring willen hebben voor hun droomontmoetingen en waaruit blijkt dat wij zelfs in onze slaap (!) hard bezig zijn met verwerken. Geruststellend om te lezen dat zelfs nare dromen een doel dienen en dus uiteindelijk een genezende werking hebben.
Monique Klaverweide
Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen
die hun partner hebben verloren