Terug naar index Archief

Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen die hun partner hebben verloren


Inhoud van de 3e jaargang nr. 4 - januari 2001


Motto 2001: Geef jezelf een kans, je bent het waard!


Van de hoofdredactie: Een nieuw jaar met nieuwe kansen

In de vorige editie van De Draaikolk schreef ik het al: we gaan het nieuwe jaar beginnen met de gedachte dat we ons zelf de kans moeten geven omdat we dat waard zijn. Dat is niet zo maar een kreet. Maar al te vaak doen we ons zelf tekort. Toegegeven, het is natuurlijk niet gemakkelijk om -als je rouwt om je overleden partner- te denken aan nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden. Maar al te vaak worden je gedachten vertroebeld door het verdriet, het enorme gemis, door de eenzaamheid en de draaikolk in je geest. Mij overkomt dat ook nog regelmatig en dan denk ik wanhopig dat het nooit echt weer goed zal komen. Maar dan gaat zo'n dip voorbij en zie ik ineens weer de positieve kant van mijn leven. We moeten sterk zijn, wordt ons vaak gezegd, we moeten het leven weer oppakken zoals het aan ons wordt gepresenteerd. We moeten het laten gebeuren. Wat dan ook. Ik besef best dat dit niet zo gemakkelijk gaat. Sommige lotgenoten onder ons hebben hun partner nog maar zo kort geleden verloren, dat er absoluut geen ruimte is voor optimistische gedachten. Verdriet en wanhoop overheersen: hoe moet ik hier ooit weer uitkomen? Kan ik ooit weer blij zijn om wat ik heb?
Moedige pogingen om opnieuw te beginnen
Zal er ooit een nieuwe toekomst voor me zijn? Vragen, vragen, vragen en zelden krijg je daar een pasklaar antwoord op. Je leest over lotgenoten hoe die er ondanks alles toch in zijn geslaagd het leven weer op te pakken, opnieuw te beginnen. Lotgenoten die een ,,streep" zetten onder wat was en dat tot uitdrukking brengen door te gaan verhuizen, een nieuwe baan te zoeken of te stoppen met werken. Het zijn allemaal moedige pogingen om daadwerkelijk opnieuw te beginnen. Soms mislukt dat.
Dat doet dan pijn. Maar je hebt het dan in ieder geval geprobeerd. Andere lotgenoten gaan wereldreizen maken om ,,hun omgeving" te ontvluchten, om de confrontatie van elke dag niet meer te hoeven meemaken. Dat kan heilzaam werken. Of juist niet. Maar ook dan heb je het in ieder geval geprobeerd.
Jezelf nieuwe kansen geven, open staan voor de mogelijkheden die je leven nog te bieden heeft: dáár gaat het om. Je niet afsluiten van de buitenwereld met de gordijnen van je geest gesloten. Op een gegeven moment zul je zover zijn. Zul je er ruimte voor hebben. Maar je moet jezelf dan wél die kans geven. Want, en daar begon ik dit artikel mee, je bent het waard!

Het leven als een loterij

Het leven lijkt soms wel wat op een loterij. Met elke jaar een nieuwe ronde met nieuwe kansen. En de mogelijkheid dat je géén prijs wint is er altijd. Maar je moet wél een ,,lot kopen" om überhaupt voor een mogelijke prijs in aanmerking te kunnen komen. En wat belangrijker is: je moet er in geloven. Je moet ervan overtuigd zijn dat je best zo'n prijs zou kunnen winnen.
Waarom jij niet en al die anderen om je heen wel? Zelf ben ik me er -als een man die zijn partner verloor- ontzettend van bewust dat het leven kort kan zijn. Eindig. Ook al weten we gelukkig niet hoe kort of hoe lang we nog te leven hebben. Ik leef intens met die gedachte en het is voor mij een goede reden om elke kans die ik krijg om van mijn leven te genieten te grijpen. Het betekent ook dat ik risico's neem, die ik in normale omstandigheden nooit zou nemen. Het betekent dat ik -net als zoveel andere lotgenoten- op de driesprong van mijn leven kies voor een misschien onzekere weg, maar wel een weg die me méér biedt dan de weg van de minste weerstand. Natuurlijk kon ik kiezen voor zekerheid, door op safe te spelen. Door niet aan de loterij van het leven mee te doen. Door gewoon verder te gaan met wat ik deed vóórdat ik alleen achterbleef, toen ik met lege handen bleef staan in een leeg huis. Maar ik besefte al heel snel dat niets meer was zoals ik gewend was. Ineens stel je jezelf dan op een gegeven moment andere prioriteiten. Wat ooit belangrijk was in je leven, is het nu ineens niet meer. Eerst denk je dat nog wel, maar naarmate de tijd verstrijkt ontdek je dat je méér kunt doen met je leven dan blijven zitten waar je zit. Ik heb het allemaal laten gebeuren en ik gaf mezelf een nieuwe kans. Omdat ik ervan overtuigd ben dat ik dat waard ben. Dat ik dat aan mezelf en hen die me lief zijn verplicht ben.
Ik hoop van harte dat het jaar 2001 voor héél veel lotgenoten van mij het jaar zal worden van de nieuwe kansen. Want ook jij bent dat waard, echt.
Ik wens je dan ook een gelukkig nieuw jaar, in alle opzichten. Ook al heb je nu misschien nog moeite er in te geloven.

Bert Vos
Hoofdredacteur De Draaikolk


Dit is het verhaal van Monique Klaverweide. Zij vertelt in deze, de vorige en de komende edities van de Draaikolk op een indringende manier over haar emoties, haar gevoelens vanaf het moment dat agenten aan haar deur stonden om te vertellen dat haar man was verongelukt. Blaka Rosoe (Zwarte Roos). Een verhaal over het aanvankelijke ongeloof, de verbijstering, de verdoving. Over het verdriet en de pijn om het enorme gemis. Een verhaal, waarin velen van ons zich zullen kunnen herkennen. En er juist door die herkenning -naar ik hoop- toch ook een beetje troost uit kunnen putten.

Blaka Rosoe (12): Asbestemming

Nauwelijks een week na de crematie krijg ik het zwart op wit onder ogen. Een zakelijke, kille brief van de beheerder van het crematorium: "De as van wijlen E.R. Klaverweide is in de openbare urnennis bijgezet voor de duur van een jaar". Het is alsof ik een klap in mijn gezicht krijg. Hiermee is het onomkeerbaar geworden. Zijn energieke en gezonde lichaam is nog slechts een hoopje as. En nu moet ik het komend jaar beslissen welke bestemming ik aan dit laatste 'stoffelijke' restje van zijn, veel te korte, leven zal geven. Verstrooien? Bijzetten in een nissenhof? Alsnog begraven op een urnenhof? Of misschien tóch meenemen naar huis?
Mijn eerste impuls vlak na zijn overlijden was om het te laten verstrooien. Wat moest ik nog met zijn as? Van de gedachte alleen al gruwde ik. Gelukkig, achteraf gezien, kreeg ik nog een jaar de tijd om erover na te denken. Op dát moment leek het mij een ontzettend lange tijd maar ik wist toen nog niet hoe snel de tijd zou vervliegen.
Maar, naarmate de kalender aangaf dat de maanden tóch gewoon bleven verstrijken, nam de onrust, ook op dit punt, in mij toe. En ik kwam er maar niet uit. Waarom moest ik deze verschrikkelijke keuze nu óók nog eens maken? Had ik al niet genoeg op m'n bordje gekregen? Het enige wat ik wilde, was hem in levende lijve dicht bij me hebben.

Naar het crematorium

Totdat ik op een zondagochtend opeens de drang voelde om naar het crematorium te gaan. Hoewel ik er ontzettend tegenop zag vond ik dat ik éérst zijn urn met eigen ogen moest zien om te kunnen bepalen wat ik er verder mee zou willen doen. En ik wilde weten hoe ik mij zou voelen op de begraafplaats. Zou ik het aankunnen om daar regelmatig naartoe te gaan?
Ik zie mijzelf nog staan buiten voor het raam van de aula, van de andere kant naar binnen kijkend. Nu een lege, onverlichte ruimte met veel stoelen. Zonder al die mensen van toen, zonder al die bloemen, zonder al die liefde, zonder hem...
Ik ga op zoek naar zijn urn maar ik heb geen idee wáár ik die kan vinden. Totdat ik in de open lucht een stenen muur zie met allerlei urnen in rijen boven en naast elkaar. De nabestaanden hebben foto's, gedichten, kleine aandenkens en soms wat bloemetjes naast de urn neergezet om er een persoonlijk tintje aan te geven. De stenen zijn aangetast door weer en wind en sommige nissen zijn bedekt met de eerste gevallen Herfstbladeren. Een man komt vlak naast mij staan bij zíjn urn. Hij negeert mij en lijkt als in trance en ik voel mij opgelaten. Ik wil hem niet storen in zijn verdriet. Dit is zíjn moment om even bij zijn dierbare te zijn.
Ik zie dat er namen vermeld staan op de urnen en koortsachtig vliegen mijn ogen langs de namen, op zoek, maar tegelijkertijd ook weer niet, naar zíjn naam. Maar ik kan het niet vinden en ik snap er niets van. Waar is zijn urn? Ik hou iemand aan die mij uitlegt dat dit de enige nissenhof is maar dat er binnen in het crematorium ook nog asbussen staan waaraan nog geen bestemming is gegeven. Dáár moet het dus zijn, binnen achter slot en grendel, en op zich stelt mij dat gerust. Maar het is zondag en de beheerder is niet aanwezig. Ik kan er vandaag dus niet bij! Aan de ene kant voel ik opluchting omdat ik dit confronterende moment nog even kan uitstellen en aan de andere kant teleurstelling omdat ik nu vergeefs hiervoor de moed verzameld heb.

Ik wil alleen kunnen zijn met ,,hem"

Ik besluit om de begraafplaats verder op te lopen. Er blijkt een strooiveld te zijn waar mensen de as van hun dierbare kunnen uitstrooien. Aan de rand ervan liggen hoopjes bloemen met ook hier weer kleine aandenken. Aan het begin van het veld staat een zuil met daarop naambordjes van diegenen wiens as op het veld is uitgestrooid. Op sommige plaatsen zie ik mensen gehurkt bij een hoopje zitten.
Hierna volg ik het bordje "urnenhof" waar de urnen begraven liggen. Omdat een urn minder ruimte inneemt dan een graf zijn ze in rijen van drie achter elkaar begraven, elk voorzien van een gedenksteen. Er komt een vrouw aangelopen met in haar hand een plastic tasje. Ze haalt er een schepje uit en een plantje. Haar urn ligt helemaal achteraan en ze heeft zichtbaar moeite om bij de steen te komen. Haar schoen zakt weg in de modder. Opnieuw voel ik mij een indringster; inbreuk makend op haar privacy en ik loop ietwat beschaamd snel weer weg.
En dan valt alles op z'n plaats. Hier voel ik mij niet goed bij. Ik wil alleen kunnen zijn met "hem". En ik neem mijn besluit: zijn as komt mee naar huis. En na deze moeilijke beslissing te hebben genomen komt er een zekere rust over mij.
Door de begrafenisondernemer laat ik mij voorlichten over alle mogelijkheden. Ik geef aan dat ik een urn wil hebben die evenwel zo min mogelijk op een urn moet lijken... Die ik een plaatsje in mijn huis kan geven zonder dat het overduidelijk is dat zijn as daarin zit. En ik vind het! Mijn keuze valt op een beeldje van keramiek. Het stelt een vrouw voor die haar beide handen naar de hemel heeft uitgestrekt. In haar handen houdt zij een bronzen duif vast die zij op het punt staat om los te laten. In het voetstukje is echter slechts ruimte voor een kleine hoeveelheid as. Dat betekent dat ik de rest dan alsnog moet laten verstrooien en dat wil ik beslist niet. Ik besluit om onder het beeldje een vierkant granieten voetstuk te laten maken waar de rest van de as in bewaard kan worden. Ik laat het zo maken dat het eventueel later van het beeldje gescheiden kan worden, ingeval ik alsnog mocht besluiten om zijn as te begraven. In het zwartgranieten voetstuk laat ik een roos van bladgoud instralen, symbool van mijn zwarte roos. Verder bestel ik nog een gouden hartvormige hanger met ketting met in het midden van het hart een robijnen steentje. In de hanger wordt een klein beetje as bewaard. Tenslotte laat ik nog een kleine glazen bol maken waar een vleugje van zijn as in mee wordt geblazen. Nu maar wachten op het eindresultaat.

De angst voorbij

Op een dag is daar het lang verwachte telefoontje van de begrafenisondernemer. Hij wil het die middag nog komen afleveren, alsof het om een normaal postpakketje gaat. Gespannen tel ik de uren af. Als hij aanbelt en ik op het punt sta om de deur voor hem te openen, roept dit direct associaties op met het moment waarop de twee agenten maanden daarvoor met hun onheilstijding voor mijn deur stonden. Hij staat daar met een grote kartonnen doos in zijn armen, schuchter grijnzend mompelt hij dat het wel heel erg zwaar is. Als hij het beeldje eruit heeft getild en op het dressoir heeft gezet, zie ik hoe mooi het is geworden. Ook de glazen bol heeft hij bij zich. Ondanks dat ik er erg tegenop heb gezien om zijn as, ook al is het slechts een vleugje, met eigen ogen te zien, is het nu opeens niet meer beangstigend. En het ziet er niet grijs uit, zoals ik had verwacht, maar helder wit. Ik vertel de begrafenisondernemer dat ik heel tevreden ben over het eindresultaat en bij het weggaan laat hij mij achter met de troostende woorden: "nu heeft u hem in ieder geval nog een beetje bij u...."
Tijdens het hele gebeuren voel ik mij opnieuw als verdoofd. Pas na zijn vertrek komen de ontladende tranen. Eindelijk is het zover en is ook dít weer geregeld; net op tijd voor zijn eerste sterfdag.

Ik heb naar mijn gevoel geluisterd

Nu staat het er al weer ruim vijf maanden en ik heb er geen spijt van. Ik vind het niet langer 'eng' om zijn as in huis te hebben. Wat ik zie is een heel mooi beeldje dat ik met liefde heb uitgekozen en ik vind het een "veilig idee" om het bij me te hebben. Het kan niet worden aangetast door weer en wind. Ik ben mij ervan bewust dat zo'n beslissing natuurlijk heel persoonlijk is. Ieder moet voor zichzelf de afweging maken wat voor hem of haar het beste is. Maar er is denk ik geen "beste" keuze. Van vier "kwaden" heb ik de voor mij "minst kwade" gekozen. Ik heb naar mijn gevoel geluisterd, zoals ik dat tegenwoordig altijd doe. De tijd zal uitwijzen of ik mij hier op termijn goed bij zal blijven voelen. Maar, als ik op mijn beslissing wil terugkomen kan dat nog. Voor nu is er immers "nog niets verloren...."?

Monique Klaverweide - januari 2001


Kort verhaal: Over de rand

Het ging de laatste tijd steeds minder goed met z'n werk. Vlak na het overlijden van zijn vrouw had hij manmoedig verklaard dat het wel ging, dat hij ,,gewoon" weer lekker aan het werk wilde. Opnieuw de draad weer op wilde pakken. Zijn verstand zei hem dat dit het beste was om te doen. Werken. Hij had het altijd met erg veel plezier gedaan, al meer dan 35 jaar lang. Zijn werk was zijn hobby, zei hij altijd opgewekt.
Ook nu dacht hij dat er niets zou zijn veranderd en hij pakte de draad weer op waar die voor ,,even" was afgeknapt. Het ging schijnbaar moeiteloos en hij voelde zich weer onder de mensen.
Zijn collega's waren aardig, begrepen hem als hij eventjes wat verdrietig was zo vlak voordat de werkdag er op zat en hij in gedachten al het lege huis zag waar hij de avond alleen door zou moeten brengen.
Natuurlijk, hij had z'n hobby's. Hij las graag, was veel met z'n computer bezig en had sinds kort een dagboek dat hij elke avond bijhield. Over hoe lekker hij had gewerkt, hoe hij zich voelde, hoe aardig zijn collega's waren en hoe hij zijn dagen vulde. Elke avond schreef hij trouw zijn verhaal. Schijnbaar moeiteloos.

Toen werd hij ziek. Ernstig ziek. Moest worden opgenomen in het ziekenhuis, werd geopereerd. Het was december. De toch al zo moeilijke maand die nu nog moeilijker zou worden. Als hij pech had zou hij met de Kerst hier nog liggen, vreesde hij en dacht aan de verschillende Kerstdagen die zijn overleden vrouw hier had doorgebracht, in hetzelfde ziekenhuis enkele afdelingen verderop. Hij huiverde bij die herinnering. En hij dacht aan al die momenten dat hij aan het bed van zijn vrouw zat tussen hoop en vrees. Nee, hij wilde voor de Kerst weer thuis zijn. Om samen met zijn kinderen en kleinkinderen te zijn, om samen met hen oud en nieuw te vieren. Zijn specialisten zouden hun uiterste best doen, hadden ze beloofd en deze keer vertrouwde hij hen.
Over belangstelling had hij niet te klagen, ook al voelde hij zich zo ontzettend alleen en verlaten in dat grote ziekenhuisbed. Natuurlijk waren er zijn kinderen en kleinkinderen die erg lief en zorgzaam waren. Collega's kwamen langs en vertelden hem honderd uit over het werk en hoe ze hem misten. Tientallen beterschapskaarten sierden het prikbord boven zijn bed.

Hij lag daar met al die slangen in zijn lichaam en huilde in de eenzaamheid van de nacht hete tranen. En oh wat miste hij haar. Hij miste haar stem, haar geruststellende glimlach, haar warme hand in de zijne. De kus. Haar liefde. Nog nooit had hij zich zo verlaten gevoeld, ook al bleef de nachtverpleegkundige wat langer bij zijn bed om even met hem te praten omdat ze blijkbaar zijn verdriet kon voelen. Het hielp, voor even. Maar daarna was hij weer alleen. Lange, lange nachten. Eindeloze nachten en eindeloze dagen.
En toen hij, veel later dan was verwacht maar vóór de Kerst, eindelijk naar huis mocht, voelde hij dat als een soort bevrijding. Zijn zonen reden hem het ziekenhuis en voor het eerste na bijna een maand snoof hij de tintelfrisse lucht op van de koude decemberdag. En voelde het leven weer door zijn aderen stromen. Met een nieuwe hoop voor de toekomst, ook al kon hij zich daar niet echt iets bij voorstellen, voorlopig.

Kerst, oud en nieuw. Hij maakte het mee alsof hij herboren was. Ontsnapt aan de klauwen van het ziekenhuis. Ontsnapt aan de ziekte die hem velde. Voorlopig althans.
Na een paar maandjes thuis voelde hij zich weer sterk genoeg om voorzichtig weer aan het werk te gaan. Hij wilde weer onder de mensen zijn.
Voordat hij het wist was hij weer onderdeel van het systeem. Was hij, weliswaar op halve kracht, weer bezig met wat hij al tientallen jaren had gedaan. Natuurlijk, hij voelde best dat het niet meer zo gemakkelijk ging dan vóór die tijd, maar het ging. Totdat hij z'n laatste energie verbruikte en opeens weer ziek thuis zat. Huilend in z'n eenzaamheid en verdriet die als een zware deken over hem heen viel. Hij voelde zich mislukt. Hij had gefaald.

Later, veel later, ging hij weer aan het werk. Heel voorzichtig op halve kracht, soms maar voor enkele uurtjes. En opnieuw, weer enkele maanden later, zat hij weer ziek thuis. Leeg.
Energieloos.
Het spookbeeld van de WAO doemde op. Voor hij het goed en wel besefte zat hij er voor 50% in en voordat hij het in de gaten had was hij er aan gewend dat het nu eenmaal niet anders kon. Dat hij niet meer was zoals vroeger, naar zijn gevoel eeuwen geleden. Dat hij nu eenmaal een weduwnaar was die nog steeds rouwde om het verlies van zijn andere helft en bovendien een ernstige ziekte had gehad. Tijd om dat opnieuw een plek te geven. Dacht hij.

En opnieuw pakte hij de handschoen op, nam de uitdaging aan. Hij voelde de energie weer door zich heen stromen, ook al had hij ineens wel wat meer moeite om zich lang achter elkaar te kunnen concentreren op z'n werk. En opeens vond hij zijn werk ook lang niet zo boeiend meer dan voor die tijd het geval was. Alsof werk niet meer het belangrijkste was om voor te leven. Zijn collega's maakten wel eens grapjes over het feit dat hij laat op z'n werk kwam en weer vroeg naar huis ging. ,,Aan het afbouwen?" vroegen ze dan en grijnsden breed alsof ze het best begrepen. Maar daarover had hij zijn grote twijfels. Begrepen ze wel echt wat hij doormaakte? Al die lachende, opgewekte collega's die aan het eind van de werkdag weer naar hun gezin terugkeerden, begrepen ze het wel echt?
Zijn werk begon duidelijk te lijden onder de emoties die hem nu dagelijks beroerden, die z'n geest gingen beheersen. Hij voelde zich langzaam maar zeker weer afglijden naar de rand van de diepe put. Hij zette zich schrap, weerstond de neiging om toe te geven, om de handdoek in de ring te gooien. Worstelde zich tegen beter weten in de dagen door.
Totdat de grens was bereikt en ruimschoots werd overschreden. Hij viel met een daverende klap over de rand van de diepe put.

*

Gisteren vroeg de bedrijfsarts hem of het misschien niet beter voor hem zou zijn om toe te geven dat het niet lukte. Dat hij toch moest denken aan een volledige WAO. Dat hij zijn best had gedaan met de ettelijke reïntegratiepogingen. Hij zelf wist als geen ander hoeveel energie hij er in had gestoken. Maar het deed hem pijn om de nederlaag te moeten erkennen. Om toe te geven dat hij nooit meer de ,,ouwe" zou zijn. Om te erkennen dat hij, een paar jaar voordat hij met de vut zou gaan, af zou moeten haken. Zonder de eindstreep te halen. Hij voelde zich schuldig, ook al wist hij niet waarom hij zich schuldig zou moeten voelen. Hij voelde zich opeens een mislukkeling, ook al had hij een werkzaam leven van bijna veertig jaar achter de rug. Hij had zo graag de eindstreep willen halen. Zoals zijn vrouw nog zo graag het jaar 2000 mee had willen maken.
Toen hij thuiskwam huilde hij bittere tranen met een heftigheid die hij alleen maar had gekend kort na het overlijden van zijn vrouw. Het was alsof hij een klein, maar intens, stukje was gestorven.
*
December 2000. Kerst kwam er aan. Alweer een Kerst. Bijna oud en nieuw. Alles begon weer opnieuw. Maar toch: héél anders nu. Het duurde dagen voordat hij alles op een rij had. Dat hij vrede had met zijn nieuwe situatie. En opeens viel er een zware deken van hem af, voelde hij zich rustig. Hij keek omhoog en zag, ver boven hem, de rand van de put en het licht dat er overheen viel.
Hij haalde diep adem en zette zich af op de bodem van de put. Omhoog. Met beide handen greep hij de rand en trok zich er over heen. Hij keek naar de wereld om hem heen. Zag de zon tussen de decemberwolken kieren en voelde de wind in zijn gezicht.
Hij ademde heel diep en lachte opeens luid in een bevrijdende, klaterende lach.
Hij zou z'n leven opnieuw oppakken. Anders, maar toch: hij zou weer opnieuw beginnen. Hij zou de nieuwe kansen die vóór hem lagen grijpen. Want -en dat besefte hij nu meer dan ooit- hij was het toch nog steeds waard?

Bert Vos
december 2000/januari 2001


Gedichten van Bert Vos

Het spoor van gisteren

Samen lopen we door het bos
terwijl de kale bomen rusteloos zwaaien
en onze haren eindeloos verwaaien
door de kille, sneeuwnatte winterwind

Nog één keer in dit jaar
denken we aan hem en haar
Terwijl onze tranen zich vermengen
met de regendruppels die van
de natte bladerloze takken vallen

Samen lopen we langs het pad
dat we al eerder samen gingen
Woordenloos volgen wij het spoor
van gisteren en zien in gedachten
reeds de bloeiende seringen
in een nieuwe zomerzon

En later:

Samen heffen we het glas
en drinken op het nieuwe jaar
samen kijken we naar de sterren
en weten: ergens zijn ze daar

Samen troosten we elkaar
in een omarming vol verdriet
En weten: ze zijn er wel
en toch: ook weer niet

Vandaag beginnen we
aan een gloednieuw jaar
Samen met z'n vieren

31 december 2000

 

Alweer een jaar verder

Storm giert door
de dode bladertakken
Regen klettert tegen
het beslagen raam

Ik kijk naar haar foto en laat
me door m'n knieën zakken
Oog in oog
fluister ik zacht haar naam

Het duister valt
in snelle intervallen
En niet lang daarna
begint het nieuwjaarsknallen

Storm giert door
de dode bladertakken
Regen klettert tegen
het beslagen raam
Alweer een jaar verder.

31 december 2000

Tien goede voornemens…

Ik zal niet langer verdrietig zijn
als me dat lukt
Ik zal niet langer somber zijn
als me dat lukt
Ik zal niet langer melancholiek zijn
als me dat lukt
Ik zal elke dag tevreden zijn
als me dat lukt
Ik zal elke dag vrolijk zijn
als me dat lukt
Ik zal elke dag troostend zijn
als me dat lukt
Ik zal elke dag energiek zijn
als me dat lukt
Ik zal elke dag aardig zijn
als me dat lukt
Ik zal elke dag genieten
als me dat lukt
Ik zal voor elke dag dankbaar zijn
als me dat lukt
Maar ik zal niet langer eenzaam zijn
dat is me gelukt

december 2000/januari 2001


Ingezonden bijdragen door lotgenoten

Brief van de maand: Het verhaal van Suzanna

In deze editie extra aandacht voor het trieste verhaal van Suzanna. Soms bekruipt me het gevoel dat het leed voor sommige van mijn lotgenoten bijna teveel is om het te kunnen dragen. Het leed dat Suzanna overkwam is eigenlijk teveel voor één mens. Ik plaats haar brief om haar extra steun te geven. Om haar te laten weten dat we aan haar denken. Wie schrijft haar?

,,Ik heb enorm de behoefte om mijn verhaal te vertellen. Ik ben 33 jaar oud, samen met mijn overleden partner hebben we een dochtertje van 18 maanden. Ik heb ook nog twee zoontjes van 7 en 9 jaar oud die voortkomen uit mijn eerste huwelijk. Door mijn afschuwelijke jeugd, lichamelijke en geestelijke misbruik heeft dat voor het grootste deel mijn eerste huwelijk de kop doen kosten . Ik moest eerst afrekenen met mijn verleden. Ik heb het altijd ver weg kunnen stoppen totdat mijn tweede zoontje werd geboren. Alles kwam als een wervelwind weer naar boven en ik kwam toen op de psychiatrische afdeling in het ziekenhuis terecht. Na vele goede hulp en praatgroepen kon ik dat stuk afsluiten. Ik heb trouwens een fantastisch contact met mijn ex-man en zijn vriendin.
Na een tijdje alleen gewoond te hebben leerde ik mijn tweede man Julian kennen. We waren vreselijk gelukkig met elkaar en mijn twee zoontjes waren ook erg gek op hem. Het duurde niet lang voordat we samen gingen wonen. Wat waren we gelukkig met elkaar. Bijna alles deden we samen zover als dat kon, eigenlijk vonden we er niets aan als we niet samen waren. Maar ja er moest natuurlijk ook gewerkt worden. Op 10 december 1999 zijn we getrouwd, ik was toen bijna vier maanden zwanger van ons eerste kindje samen. We hebben in die tijd ook een eigen huis gekocht en bouwden ons eigen nestje op. Alles was perfect tot die ene nacht.
Een dag waarin je hele leven in duigen valt. Om kwart voor zes in de ochtend werd er op de deur geklopt. Op dat moment dacht ik gewoon aan me eigen mannetje dat hij pech had met zijn brommertje waarmee hij altijd naar zijn werk ging .Maar alles behalve dat, er stonden twee politiemannen voor me deur met de mededeling dat mijn man een ongeluk had gehad en op slag dood was. Ik heb geschreeuwd ik dacht dat ik gek werd, dit kon gewoon niet waar zijn. Ik kon niet helder meer denken waarom nou juist mijn mannetje en hoe moet ik verder zonder hem. Mijn twee zoontjes waren helemaal van slag. Ons dochtertje heeft de leeftijd nog niet om het te begrijpen. Ze roept continu om haar pappa en is een stuk agressiever geworden, ze mist nu toch wat maar kan het niet een plekje geven. Ook hangt ze enorm aan mij wat me soms wel eens benauwd. Ik vind het leven niet leuk meer maar ik moet verder voor de kinderen. Vraag me dikwijls af hoe? Ik ben doodmoe, vind eten niet meer lekker en slaap heel slecht. Vaak denk ik nog straks komt hij weer thuis, maar het huis blijft leeg. De pijn en het verdriet is enorm. Het leven zal nooit meer het zelfde zijn. Ik ben moe, vind het voor zover wel genoeg. Ik hoop zo met andere lotgenoten in contact te kunnen komen. bedankt en tot gauw

groetjes van SUZANNA. e-mailadres: suus@talkline.nl


Het laten gebeuren...

Het laten gebeuren, dat is waar ik veel over na heb gedacht na het lezen van de laatste Draaikolk. Wat wil ik dat graag en wat probeer ik dat veel. Toch blijft het moeilijk. Ruim 1,5 jaar geleden is het nu dat mijn vriend overleed. De laatste tijd word ik zo moe van het verdriet hebben en baal ik daar ook van. Het feit dat ik het altijd moet meedragen. Hoe je het ook wendt of keert het is gewoon zwaar. 24 jaar ben ik nu, en dan in één klap volwassen….
Ik moet en zal het naar m'n zin hebben, doe daar ook super m'n best voor. Ik wil m'n leven immers niet verspillen met verdriet, daar word niemand beter van. Uiteraard heb ik zat momenten van verdriet, ik ben niet iemand die dat wegstopt. Maar als ik iets leuks ga doen dan moet ik het naar m'n zin hebben. Wil zo graag weer volop lol in m'n leven. Wil niet thuis zitten. Het overlijden van mijn vriend wil ik een plekje geven met daarbij m'n goede herinneringen aan hem…..
Ik weet het: het kan niet. En juist daarom wil ik zo graag naar de woorden van Bert luisteren. Laat het gebeuren. Me niet er voor schamen als ik me niet vrolijk voel en mezelf niet hoeven op te peppen zodat ik het (schijnbaar) wel naar m'n zin heb om vervolgens in een nog dieper dal te zakken. Wat is nou 1,5 jaar, ik kan er niet onderuit moet weten dat het altijd met ups and downs zal gaan. Denken aan de goede dingen die ik wel heb: weer een lieve vriend, een nieuwe baan, genoeg vrienden……
Het verdriet is nu eenmaal een deel van mijn leven, dat moet ik meer gaan beseffen en proberen het gewoon te laten gebeuren……
Ik wens iedereen een ontzettend gelukkig nieuw jaar. Dat hebben we allemaal verdiend en zoals Bert al zei: we zijn het waard.

Patricia Bijmans, pbijmans@hotmail.com


Nieuwjaarswensen

Nieuwjaarswensen stromen binnen
enkel nog maar aan mij gericht
Sommige met een troostend woord
anderen met: "prettige feestdagen
en gelukkig nieuwjaar"

Nieuwjaarswensen gaan door mijn handen
niet langer geadresseerd aan jou
En ik vraag mij af: weet men wel
dat ik "nog steeds" om jou rouw?

Nieuwjaarswensen vallen in de bus
niet meer voor ons sámen bestemd
En ik vraag mij af: beseft men wel
hoe vaak jij in mijn gedachten bent?

Nieuwjaarswensen gaan de deur uit
vluchtig krabbel ik mijn naam
En ik moet mezelf bedwingen
tegen het bijschrijven van jouw naam

Monique Klaverweide


Op zo'n kerst avond/nacht (1 1/2 jaar na de dood van mijn 42 jarige geliefde vrouw) laat ik mijn gedachten gaan. Onderstaande tekst is een door mij bewerkte tekst, waarvan de bron mij onbekend is,

Ik droomde....

Ik liep aan het strand bij laag getijde.
Ik was daar echter niet alleen:
er liep nog iemand aan mij zijde.

We liepen samen het leven door
en lieten in het zand achter:
een spoor
van stappen, 2 aan 2.

Ik stopte en keek achter mij
en zag mijn levensloop:
tijden van geluk en liefde,
van smart en hoop.

Maar als ik goed het spoor bekeek,
zag ik langs de gedeelte van de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was,
maar 1 paar stappen staan.

Ik vroeg me af: ,,waarom toch...?
juist toen ik de steun zo nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag,
op het zwaarste deel van het pad?".


En toen antwoordde de ander
op mijn vraag:
"Toen het zo moeilijk was,
toen heb ik jou gedragen."


Bedankt en een vredig 2001 gewenst

Heino Denneman , e-mailadres: h.denneman@hccnet.nl


Na het interview: bedankt!

Eigenlijk was ik er niet op berekend. Natuurlijk verwachtte ik wel dat het interview dat Jolanda Hofland met mij had in het Kerstnummer van Libelle méér reacties op zou roepen dan gebruikelijk en dat de Draaikolk drukker zou worden bezocht, maar de enorme stroom reacties die in mijn mailbox kletterde, nee, daar was ik echt niet op voorbereid. Het heeft me erg goed gedaan, dat wel natuurlijk en ik ben blij dat De Draaikolk, zo vlak voor die moeilijke Kerstdagen en oud en nieuw toch nog iets heeft kunnen betekenen voor lotgenoten die voordien niet van het bestaan van De Draaikolk afwisten. Het maakte mijn kerst tot een wel erg bijzondere.

Hoewel ik helaas niet in staat ben geweest om al die aan mij persoonlijk gerichte mail, al dan niet via het gastenboek gestuurd, te beantwoorden, ik heb het natuurlijk wél allemaal gelezen. En heb opnieuw niet zonder pijn vastgesteld, dat er zo ontzettend veel verdriet is bij al die lotgenoten die mij iets hebben gestuurd. Verdriet in allerlei, vaak ook complexe, vormen maar vooral: verdriet om wat zij hebben moeten missen in de nu achter ons liggende ,,feestdagen". Een moeilijke periode. Voor ons allemaal.

En het troostte mij toch wel een klein beetje, toen ik al lezende besefte hoe groot het leed van een mens kan zijn, hoe oneerlijk ook dat leed verdeeld is. En dat ik het wat dat betreft nog niet eens ,,zo slecht heb getroffen". Dat het verdriet nog ettelijke malen groter kan zijn dan de mijne voor zover jouw en mijn verdriet al te meten zou zijn.
Op de pagina ,,Nieuwe reacties" vind je de meeste e-mail terug. Om het allemaal nog eens rustig na te lezen. Om er herkenning en troost uit te kunnen putten. Ik heb geprobeerd om er een persoonlijk woord aan toe te voegen. Geprobeerd, want eigenlijk schieten woorden elke keer weer tekort.

Wat ik overigens ook als heel fijn heb ervaren is, dat er zoveel reacties bij me binnenkwamen van lotgenoten die al langer geleden hun geliefde verloren en nu De Draaikolk ontdekten als ontmoetingsplaats. Mensen, die bijvoorbeeld al enige tijd een nieuwe relatie hebben en dáárover wellicht wat willen vertellen in de toekomst. Ook oudere lotgenoten hebben De Draaikolk ontdekt. Ik ben daar erg blij om.

Bedankt voor het vertrouwen dat sprak uit al jullie mailtjes. Bedankt voor de warme complimenten, ik moest er alwéér van blozen. Ik wens al mijn lotgenoten hoe dan ook alle sterkte van de wereld voor het gloednieuwe jaar dat voor ons ligt. En vooral veel nieuw geluk met nieuwe kansen. En blijf maar gerust schrijven. Zet je gedachten en gevoelens voor De Draaikolk op papier. Deel je verdriet én jouw ervaringen met anderen.
Het is de moeite waard.

Bert Vos


Opgejaagde struisvogel

Voor de zekerheid heb ik het nog even nageteld: ik heb tien boeken in huis waar ik aan begonnen ben, maar die ik nog steeds niet heb uitgelezen. Ik voel me namelijk vaak opgejaagd en heb dan geen rust in m'n lijf.
Tóch heb ik die rust wel enige tijd gekend. De eerste weken na het motorongeluk van mijn man wist ik natuurlijk verstandelijk gezien wel dat hij was overleden, maar vóelde ik daar nog niets bij. Huilen ging mij dan ook (en eigenlijk nog steeds) moeilijk af. Een buurvrouw die ik in die tijd op straat tegenkwam, en aan wie ik vertelde dat ik het eigenlijk allemaal nog niet zo goed kon bevatten, keek mij hierop indringend aan en stelde terecht vast "dat de pijn nog ver weg zat". En door die ene rake opmerking sprongen de tranen voor het eerst heel even in mijn ogen. Pas vier maanden later diende "de klap" zich aan en bleek de (natuurlijke) verdoving waaronder ik tot dan toe automatisch had gefunctioneerd, plotsklaps, althans voor een belangrijk deel, te zijn uitgewerkt. Ik wist mij nauwelijks raad met de pijn, de angst en de radeloosheid die vanaf dat moment mijn gedachten beheersten.

,,Leesmarathon"

Nu had ik van de begrafenisondernemer een "Gids bij overlijden" gekregen, waar ik overigens veel aan heb gehad. Naast allerlei "praktische" zaken was achterin een gedeelte gewijd aan de emotionele kant van verliesverwerking. Ik las daarin dat mijn lichamelijke klachten, zoals de constante druk op mijn borst, de hartkloppingen waar ik elke avond in bed last van had en het lege gevoel in mijn maag een "normaal" onderdeel van het rouwproces waren en dus geen reden om mij zorgen over te maken. Ook werd gewezen op het bestaan van literatuur op het gebied van rouwverwerking. En dat was het begin van mijn "leesmarathon" en maakte ik van mijzelf als het ware een "studieobject". Na een aantal boeken te hebben ingeslagen, bracht ik mijn dagen vervolgens door met overdag lezen en 's avonds luisteren naar muziek, onze muziek... Het ene na het andere boek werd door mij verslonden, ondanks dat ik mij moest inspannen om mij te concentreren. Woord voor woord liet ik elke regel op mij inwerken.
Ja, het deed pijn om mij zo te spiegelen aan het verdriet van anderen die hetzelfde als ik hadden meegemaakt. Maar aan de andere kant gaf die herkenning en erkenning van mijn verwarde gevoelens mij zoveel troost dat het mij langzaam sterker maakte. Ik was immers niet de enige die zoiets verschrikkelijks was overkomen. Ook anderen hadden dit meegemaakt en........ overleefd!
Weken heb ik zo thuis doorgebracht. Mijzelf van de buitenwereld afgezonderd met m'n boeken. Het was een bijzondere ervaring om zo indringend met mezelf bezig te zijn. Een spirituele ontdekkingsreis; op zoek naar mijzelf en mijn nieuwe identiteit, zonder hem. Geleidelijk aan begon ik mij rustiger te voelen en ontstond er het eerste sprankje hoop, dat het zwarte gat dat tot dan toe mijn toekomst voorstelde, op den duur mogelijk minder zwart zou kunnen worden.

,,Ik wou dat ik wat meer tijd had..."

Maar nu ruim achttien maanden verder - en nog steeds niet uitgereisd - gaat het weliswaar stukken beter met mij, maar is het toch moeilijk om de rust te hervinden om dat ene boek eerst uit te lezen alvorens aan een nieuwe te beginnen. Of erger nog, alvorens weer een nieuwe te kopen, want dit laatste is maar al te vaak het geval. Thuis bedenk ik allerlei (huishoudelijke) excuses waarom ik hiervoor geen tijd zou hebben, maar zodra ik het huis verlaten heb zou ik het liefst rechtsomkeer maken om dit wél te doen. Vaak draait het erop uit dat ik als een magneet wordt aangetrokken naar een boekhandel en opnieuw een boek koop om deze aan mijn groeiende, ongelezen, verzameling toe te voegen.
Natuurlijk niet na er eerst een paar bladzijden in te hebben gelezen en deze dan schuldbewust bij de rest neer te leggen en te verzuchten: "ik wou dat ik wat meer tijd had om te lezen...". Ik weet het eigenlijk wel: tijd moet je maken, maar de theorie is wat makkelijker dan de praktijk. En zo ligt er nu dus een tiental boeken geduldig op mij te wachten. Maar ik heb gelukkig één troost: uit wat ik al wél gelezen heb, weet ik dat deze rusteloosheid óók bij het verwerken hoort. Dus heb ik maar geduld met mijzelf en maak ik mij hier maar niet al te veel zorgen om.

Het gevoel van angst

En zo zijn er wel meer zaken waar ik mij - in tegenstelling tot vroeger - niet altijd direct toe kan zetten en die ik vervolgens uitstel tot een later moment. Zoals het beantwoorden van e-mailtjes van lotgenoten wanneer hun pijn bij mij nét even te veel herkenning oproept. Of het opnemen van de telefoon. Dit laatste is telkens weer een moment van schrik voor mij en dus steeds weer aanleiding om af te wegen of ik nu wél of niet zal opnemen. Hetzelfde kan gezegd worden voor het openen van mijn post.
Het gevoel dat bij dit alles overheerst is domweg angst; de emotie die bij mij vanaf het begin de boventoon heeft gevoerd. Angst die bijvoorbeeld veroorzaakt kan worden door: reclame gericht aan mijn man; een instantie die opeens besluit mij aan te schrijven met mijn meisjesnaam; een telefoontje van mijn advocaat over de langslepende gerechtelijke afwikkeling van het ongeluk; iemand die wil weten hoe het met mij gaat terwijl het gemis op dat moment weer even in volle hevigheid is opgelaaid, enzovoort. Het zijn dit soort venijnige pijnstoten waar ik op zo'n moment dan even voor op de vlucht ga en waar ik dan mijn kop voor in het zand steek. Ja, maar al te vaak voel ik mij net een opgejaagde struisvogel. Maar gelukkig volgt later weer dat moment waarop ik wat beter in m'n vel zit en de zaken alsnog afhandel.

Stilstaan bij je angsten

Maar wat mij ook geholpen heeft is het volgende. Onlangs had ik een gesprek met een psychologe. Ik vroeg haar hoe ik nu het beste van mijn angsten af kon komen. En zij gaf mij het volgende waardevolle advies: door er gewoon bij stil te staan. Mocht ik bijvoorbeeld weer eens zo'n brief van mijn advocaat krijgen, dan moest ik hem gewoon in mijn handen houden en tegen mijzelf zeggen: "eigenlijk wil ik deze brief liever niet openen omdat ik bang ben dat de inhoud mij pijn zal doen". Of ik de brief vervolgens open maak of dat ik het nog even een paar dagen laat liggen is volgens haar verder niet belangrijk. Maar door bij mijn gevoel stil te blijven staan, zou het uiteindelijk moeten verdwijnen. En dit is wat ik in het vervolg probeer toe te passen. Mezelf toestaan dat ik ergens bang voor ben. Lief zijn voor mezelf dus, en ik moet zeggen: het gaat mij steeds beter af.

Monique Klaverweide


Boekbespreking:

Cri Stellweg: ,,Een graf van letters", prachtig beeldend taalgebruik

"Een graf van letters" - Cri Stellweg; Ambo/Anthos uitgevers, Amsterdam 1999, ISBN 90 414 0423 6, 115 blz.

Het verhaal begint op de intensive care afdeling van een ziekenhuis. De schrijfster zit aan het voeteneinde van het bed van haar man die in coma ligt. Al kijkend naar zijn voeten, die onder de lakens uitsteken, komen de herinneringen aan vroeger naar boven. Aan de vakanties met hun drie dochters en aan de oorlogstijd. Haar heel eigen herinneringen, waarin zijn voeten een hoofdrol spelen. Maar hij zal niet meer uit zijn coma ontwaken en overlijdt op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van een herseninfarct.

Dit boekje vertelt hoe het haar verder is vergaan en verhaalt zo onder meer over het pijnlijke besef dat zij voortaan alleen door hun verleden zal lopen en alleen haar toekomst tegemoet zal gaan. Over de, troostend bedoelde maar gedachteloze, opmerkingen van anderen, die zeggen haar te benijden nu zij geen rekening meer hoeft te houden met een partner, terwijl zij juist ervaart dat zij, ondanks deze "vrijheid", nergens heen gaat en eigenlijk heel weinig doet. Die zeggen "het leven gaat door" en "je hebt gelukkig je herinneringen", niet beseffend hoe erg het is dat er nooit meer een herinnering bij zal komen...
Hoe zij de zondagen is gaan haten, omdat op die dagen alle paren en gezinnen uit hun huizen tevoorschijn komen om er gezamenlijk een dagje op uit te trekken. Die lange zondagen waarop de telefoon niet rinkelt, de brievenbus leeg blijft en de winkels gesloten.
Hoe ook zij wordt geconfronteerd met de pijnlijke (administratieve) nasleep. Zoals het ongevraagd door, met name, de Belastingdienst en de pensioenfondsen toebedeeld krijgen van de nieuwe aanspreektitel: "de erven/nabestaanden van". De aanmaning die zij van de bloemist ontvangt voor de bos rozen die zij vlak voor zijn overlijden nog van hem heeft gekregen. De dame van de Trombosedienst die plotseling aan de deur staat en opgewekt zegt: "Hallo, ik kom uw man eventjes prikken." Maar het enquêteformulier van het ziekenhuis spant toch wel de kroon: of meneer wil aangeven hoe zijn verblijf op de intensive care afdeling hem bevallen is....

Maar het zijn de gedenkdagen die haar het zwaarst vallen, en dan met name zijn sterfdag. Het is op deze dag dat zij elk jaar terugkeert naar het sterfkamertje in het ziekenhuis, want het is op deze plek dat zij de ijskou van zijn feitelijk heengaan destijds kwijt kan raken, elk jaar een stuk ervan meer.
Ook vertelt zij hoe zij op een dag besluit om zijn liefdesbrieven te vernietigen, om te voorkomen dat deze ooit in andere handen, dan die van hem of haar, zouden belanden. Op ontroerende wijze wordt beschreven wat er vervolgens voor wonderlijks gebeurt op het moment dat zij deze "uitingen van tederheid, hoop en verlangen" in brand steekt en…. wat zij het voorjaar daarop op dezelfde plek aantreft...

Naarmate Cri Stellweg ouder wordt moet zij lijdzaam toezien hoe steeds meer mensen om haar heen komen te overlijden. Dit wordt des temeer duidelijk wanneer zij, als jongste van het gezin, op een gegeven moment als enige nog in leven is en dus niet langer iemands kind en zuster is. En steeds vaker ziet zij zichzelf dan ook voor de vraag gesteld, hoeveel doden een levend mens eigenlijk aan kan. Bijvoorbeeld wanneer zij gehurkt op het strooiveld van het crematorium de asbus van haar overleden zuster probeert uit te strooien. Of wanneer zij, tegen alle verwachting en logica in, dierbaren - jonger dan zij - moet begraven.
Naarmate de jaren verstrijken leert de schrijfster haar verdriet een plek te geven en kent zij weer haar momenten van tevredenheid. En op 71-jarige leeftijd wordt zij zelfs weer verliefd met alle fijne, verwarrende en tegenstrijdige gevoelens van dien! Het doet haar vooral goed te ervaren dat zij, leeftijd en omstandigheden ten spijt, tóch nog leven kan geven aan een gloednieuw gevoel voor een man. Of en hoe deze verliefdheid zich verder heeft ontwikkeld, blijkt overigens niet uit het verdere verloop van het verhaal.

Aan het slot van haar boek kijkt Cri Stellweg terug op een rumoerig, goeddeels vrolijk, maar vooral levendig huwelijk. Het is dan ook daarom dat zij besloten heeft om de oogst van dit, tot een einde gekomen, huwelijk te dragen als een lauwerkrans. Dit vindt zij beter dan het verlies ervan als een doornenkroon om de slapen te voelen. En door het schrijven van dit boekje geeft zij hem, met wie zij de lauwerkrans van een vol en rijk leven vlocht, een tweede en ander graf. Zo legt zij hem neer in een zelfgemaakt graf van letters…
Een in prachtig beeldend taalgebruik geschreven klein boekje, dat lotgenoten zeker zal raken.

Monique Klaverweide


De reacties uit deze editie zijn terug te vinden in het Draaikolk-archief:

Reacties in het archief (deel 3 vanaf januari 2001)

Terug naar index Archief

Terug naar de Draaikolk, webplek voor mensen die hun partner hebben verloren